Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX6876

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-08-2012
Datum publicatie
07-09-2012
Zaaknummer
AWB 12/24792
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

schadevergoeding na vernietigd terugkeerbesluit

via 8:73 Awb in procedure terugkeerbesluit te vragen

niet in vervolgberoep bewaring

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/24792

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 augustus 2012, beroep vrijheidsontnemende maatregel in de zaak tussen

[vreemdeling], V-nummer [a],

(gemachtigde: mr.drs. R.P. Dielbandhoesing),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, voorheen de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder.

Procesverloop

De vreemdeling heeft gesteld te zijn geboren op [datum] 1980 en de Surinaamse nationaliteit te hebben.

Op 3 augustus 2012 heeft de vreemdeling een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. Het beroep is gericht tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die verweerder bij besluit van 2 december 2011 de vreemdeling heeft opgelegd. In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding.

Bij faxbericht van 7 augustus 2012 heeft verweerder middels een afschrift van het formulier M113 te kennen gegeven dat de bewaring op 2 augustus 2012 is opgeheven.

De rechtbank heeft de gemachtigde van de vreemdeling op 7 augustus 2012 het formulier M113 onder de aandacht gebracht en hem verzocht aan te willen geven of hij het beroep al dan niet wenst te handhaven en zo ja, de gronden van het beroep binnen twee werkdagen in te dienen.

De gemachtigde heeft op 9 augustus 2012 een reactie ingezonden.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 96, eerste lid, Vreemdelingenwet (Vw) 2000 bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1 De rechtbank stelt voorop dat over de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring als zodanig reeds is beslist bij uitspraak van deze rechtbank van 27 december 2011. Voorts is laatstelijk bij uitspraak van 21 juni 2012 geoordeeld dat het voortduren van de bewaring rechtmatig was.

De rechtbank stelt vast dat de maatregel van bewaring daags voor de indiening van het beroepschrift is opgeheven. Gelet hierop is thans nog slechts in geschil of de maatregel van bewaring eerder had moeten worden opgeheven en zo ja, of er aanleiding is een schadevergoeding op grond van artikel 106 Vreemdelingenwet (Vw) 2000 toe te kennen.

2 De gemachtigde van de vreemdeling heeft in zijn faxbericht van 9 augustus 2012 aangegeven het beroep te handhaven met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding.

Daartoe is aangevoerd dat bij uitspraak van 1 augustus 2012 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, het beroep van de vreemdeling tegen het terugkeerbesluit van 2 december 2011 gegrond is verklaard, het terugkeerbesluit is vernietigd en verweerder is opgedragen een nieuw besluit te nemen. Nu het terugkeerbesluit van 2 december 2011 is vernietigd, heeft aan de maatregel van bewaring achteraf bezien een rechtmatig terugkeerbesluit ontbroken, zodat de bewaring van meet af aan onrechtmatig is geweest. Verzocht wordt derhalve om schadevergoeding toe te kennen vanaf de aanvang van de bewaring, te weten 2 december 2011, tot en met de opheffing daarvan op 2 augustus 2012.

3.1 De rechtbank overweegt als volgt.

Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 21 maart 2011 (LJN: BP9280) kan de maatregel van bewaring, behoudens enkele uitzonderingen die hier niet van toepassing zijn, niet zonder een terugkeerbesluit worden opgelegd. Nu op 1 augustus 2012 rechtens is vastgesteld dat het terugkeerbesluit van 2 december 2011 onrechtmatig was, vloeit hieruit voort dat de bewaring eveneens onrechtmatig moet worden geoordeeld.

In het huidige volgberoep staat slechts de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring vanaf de voorgaande uitspraak van deze rechtbank van 21 juni 2012, welke in rechte vaststaat, ter beoordeling. In dit beperkte juridische kader kan op grond van de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 1 augustus 2012 niet worden gekomen tot doorbreking van de formele rechtskracht van de uitspraak van

21 juni 2012. De rechtbank constateert dat buiten het gemotiveerde verzoek om schadevergoeding geen andere beroepsgronden zijn aangevoerd.

Gebleken is dat verweerder daags na de uitspraak van 1 augustus 2012, te weten op

2 augustus 2012, de bewaring heeft opgeheven. Voor het oordeel dat verweerder op een eerder moment tot opheffing van de bewaring had dienen over te gaan ziet de rechtbank geen aanleiding. Er bestaat derhalve geen grond om de vreemdeling om die reden schadevergoeding toe te kennen.

3.2 Ingevolgde de uitspraak van de AbRS van 14 mei 2012 (JV 2012/312), laat dit evenwel onverlet dat in geval de bewaringsrechter in een uitspraak die dateert van voor de vernietiging van het terugkeerbesluit de bewaring over deze periode rechtmatig heeft bevonden, voor de betreffende vreemdeling steeds de mogelijkheid moet bestaan om de aldus door hem geleden schade vergoed te krijgen. In het licht van de artikelen 5 en 13 van het EVRM kan het recht op schadevergoeding niet afhankelijk zijn van de min of meer toevallige omstandigheid of het rechterlijk oordeel over het terugkeerbesluit voor of na het rechterlijk oordeel over de maatregel van bewaring is gegeven.

De AbRS heeft in voormelde uitspraak tevens herhaald, zoals eerder overwogen in onder meer de uitspraak van 12 oktober 2011 met nummer 201102116/1/H2, dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 106 van de Vw 2000 (TK 1999-2000,

26 732, p 61, 219 en 225-226) blijkt dat de wetgever met deze bepaling heeft bedoeld een bijzondere en exclusieve regeling voor toekenning van schadevergoeding na opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel te geven. Zoals de rechtbank onder rechtsoverweging

3.1 heeft overwogen, ziet zij in het onderhavige geval geen aanleiding om de vreemdeling op grond van artikel 106 van de Vw 2000 schadevergoeding toe te kennen.

In de thans voorliggende situatie heeft evenwel niet het besluit tot inbewaringstelling, maar het - onrechtmatig bevonden - terugkeerbesluit als schadeveroorzakend besluit te gelden.

Derhalve biedt artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtbank een grondslag om, in geval van een gegrondverklaring van een tegen een terugkeerbesluit ingesteld beroep, op verzoek van de betreffende vreemdeling verweerder te kunnen veroordelen tot vergoeding van de schade die de vreemdeling als gevolg van dat terugkeerbesluit heeft geleden. De onaantastbaarheid in rechte van het eerdere rechterlijk oordeel over de inbewaringstelling, noch eerdergenoemde jurisprudentie van de Afdeling van 12 oktober 2011 staat daaraan in de weg.

Nu blijkens de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van

1 augustus 2012, verweerder is opgedragen een nieuw besluit te nemen, staat voor de vreemdeling nog de weg open om in die procedure te verzoeken hem de als gevolg van de bewaring geleden schade te vergoeden.

4 Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het onderhavige beroep ongegrond dient te worden verklaard. Er is geen grond voor het toekennen van schadevergoeding.

5 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Meijer, rechter, in aanwezigheid van J.J. Brands, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.