Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX6817

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-06-2012
Datum publicatie
07-09-2012
Zaaknummer
420527 / KG ZA 12-571
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Strafrecht. Vordering verbod uitlevering VS afgewezen. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat de kwaliteit van de zorg in de penitentiaire inrichtingen in de VS niet van gelijke kwaliteit is als die in Nederland. Niet is gebleken van een schending van artikel 3 EVRM op grond van de detentieomstandigheden in de VS. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet ervan worden uitgegaan dat de VS de fundamentele rechten die in het EVRM en het IVBPR zijn neergelegd, zal respecteren. Tevens is niet gebleken van een schending van het specialiteitsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 420527 / KG ZA 12-571

Vonnis in kort geding van 29 juni 2012

in de zaak van

[eiser],

thans verblijvende in de PI te [verblijfplaats],

eiser,

advocaat mr. L.J. Woltring te Haarlem,

tegen:

de Staat der Nederlanden,

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te 's-Gravenhage.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 21 juni 2012 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Eiser heeft de Amerikaanse en Griekse nationaliteit.

1.2. Bij brief van 15 april 2011 van de ambassade van de Verenigde Staten van Amerika (hierna: de VS), hebben de bevoegde autoriteiten de uitlevering van eiser verzocht, met het oog op de vervolging van hem wegens - kort gezegd - een poging tot opzettelijke vrijheidsberoving, het seksueel binnendringen van iemand beneden de twaalf jaar, feitelijke aanranding van de eerbaarheid en mishandeling.

1.3. Bij tussenbeschikking van 12 juli 2011 heeft de rechtbank Haarlem overwogen en bepaald dat de stelling dat eiser zou zijn gemarteld, onvoldoende was onderbouwd, omdat het letsel van eiser ook op andere wijze kon zijn ontstaan. Op grond van het vertrouwensbeginsel is het verzoek de uitlevering niet toelaatbaar te verklaren vanwege ondergane en/ of dreigende marteling afgewezen.

1.4. Bij uitspraak van 21 oktober 2011 heeft de rechtbank Haarlem de uitlevering van eiser toelaatbaar verklaard.

1.5. Bij advies als bedoeld in artikel 30 lid 2 Uitleveringswet heeft de rechtbank Haarlem de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de Minister) geadviseerd de uitlevering toe te staan, behoudens in het geval dat de Minister in de opgemaakte adviezen omtrent de geestesgesteldheid van eiser aanleiding zou zien om zijn beroep op de hardheidsclausule gegrond te oordelen.

1.6. Bij arrest van 20 maart 2012 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van eiser tegen de hiervoor onder 1.5. genoemde uitspraak van de rechtbank, verworpen.

1.7. Over eiser is door forensisch psychiater E.A.M. Schouten op 25 augustus 2011 een rapportage opgemaakt. Voorts heeft prof. dr. H.J.C. van Marle geoordeeld over de uitlevering- en detentiegeschiktheid van eiser. In diens rapport van 8 november 2011 staat voor zover relevant:

"(...)

Hierbij heb ik goed kennis genomen van het feit dat in de Verenigde Staten de penitentiaire gezondheidszorg van gelijke kwaliteit is als die in Nederland.

(...)

Op grond van de beschikbare gegevens ben ik van mening dat betrokkene detentiegeschikt is en (de mogelijkheid tot) de uitlevering geen directe irreversibele schade zal toebrengen aan betrokkenes gezondheidstoestand."

1.8. Bij beschikking van 11 april 2012 heeft de Minister beslist de uitlevering van eiser toe te staan.

1.9. Bij fax van 27 april 2012 heeft de advocaat van eiser de Minister verzocht eiser niet uit te leveren aan de VS. Dit verzoek is op 11 mei 2012 schriftelijk afgewezen.

2. Het geschil

2.1. Eiser vordert - zakelijk weergegeven - gedaagde te verbieden eiser uit te leveren aan de VS zolang er door de minister geen nader onderzoek is gedaan ten aanzien van de vragen (i) of de penitentiaire gezondheidszorg in de VS van gelijke kwaliteit is als die in Nederland en eiser daarop ook aanspraak kan maken (ii) of er op 9 augustus 2005 al dan niet geweld is gebruikt jegens eiser door correction officers en (iii) of eiser bij uitlevering vervolging wegens Bail Jumping heeft te vrezen.

2.2. Daartoe voert eiser het volgende aan. Gedaagde handelt onrechtmatig jegens eiser door de uitlevering toe te staan. Allereerst betwist eiser dat de penitentiaire gezondheidszorg in de VS gelijk is aan die in Nederland. De Minister heeft zich laten leiden door het advies van Van Marle en Schouten. Van Marle verklaart in zijn rapport niet hoe hij de door hem genoemde kennis heeft opgedaan over de penitentiaire gezondheidszorg in de VS of waaruit die kennis volgt. Bovendien is algemeen bekend dat in de VS hysterisch wordt gereageerd op zedendelinquenten en dat de oplossing voor deze delinquenten veelal wordt gezocht in langdurige opsluiting en niet in extra psychiatrische zorg en hulp. Ten tweede blijkt uit de door eiser overgelegde foto's en verklaringen dat hij op 9 augustus 2005 is gemarteld door overheidsambtenaren, nadat hij op 8 augustus 2005 was aangehouden. De Minister heeft hier geen zelfstandig onderzoek naar ingesteld en verwijst enkel naar de uitspraak van de rechtbank van 12 juli 2011. Van Marle en Schouten onderschrijven beiden dat eiser lijdt aan een post traumatische stress stoornis (PTSS) en dat deze kan zijn ontstaan door overheidsgeweld. Door in dit geval slechts te verwijzen naar de uitspraak van de rechtbank, voldoet de Minister niet aan de eisen van een zorgvuldige belangenafweging, nu de kennis met betrekking tot de PTSS nog niet bekend was bij de rechtbank. Tot slot dient de minister van de VS de garantie te krijgen dat eiser niet wordt vervolgd voor Bail Jumping. Deze grond voor vervolging is niet kenbaar gemaakt bij de Nederlandse autoriteiten, maar uit de verklaring van Salvatore J. Marinello P.C., de advocaat van eiser in de VS, blijkt dat eiser hiervoor wel zal worden vervolgd.

2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde jegens hem onrechtmatig handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding - tot kennisneming van de vordering gegeven.

3.2. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de Minister, als orgaan van gedaagde, volgens vaste jurisprudentie een eigen verantwoordelijkheid heeft om al dan niet tot uitlevering te besluiten ondanks de toelaatbaarverklaring door de rechter, waarbij de beleidsvrijheid van de Minister wordt ingeperkt door de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Voorts geldt dat een verdragsrechtelijke verplichting van gedaagde tot uitlevering - zoals hier in beginsel aanwezig is tegenover de VS - slechts dan wijkt voor de ingevolge artikel 1 EVRM op gedaagde rustende verplichting om de rechten van dit verdrag te verzekeren, indien (i) blijkt dat gedaagde door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig aan hem ingevolge het EVRM toekomend recht, en (ii) voorts naar aanleiding van een voldoende onderbouwd betoog is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk. Deze uitgangspunten gelden ook in dit geval, nu de VS weliswaar niet tot het EVRM maar wel tot het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) is toegetreden.

3.3. Eiser stelt allereerst dat de kwaliteit van de penitentiaire gezondheidszorg in de VS niet gelijk is aan die in Nederland en dat de Staat niet uitsluitend mag af gaan op het oordeel van Van Marle. Gedaagde heeft aangevoerd dat het oordeel van Van Marle is gebaseerd op zijn functie van hoofd van het Bureau Justitiële Gezondheidszorg binnen de Dienst Justitiële Inrichtingen gedurende de jaren 1996-2003 en zijn internationale contacten op het gebied van de geestelijke gezondheidszorg binnen het internationale gevangeniswezen. Nu gedaagde hier niets tegenin heeft gebracht, is de voorzieningenrechter van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Van Marle niet voldoende kennis van zaken heeft om tot zijn oordeel te komen. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat de kwaliteit van de zorg in de penitentiaire inrichtingen in de VS niet van gelijke kwaliteit is als die in Nederland en evenmin is aannemelijk geworden dat eiser tot die zorg geen toegang zal hebben. Bovendien heeft de Minister in de beschikking bepaald dat de Amerikaanse autoriteiten op de hoogte zullen worden gesteld van de gezondheidstoestand van eiser en mag hij er in beginsel op vertrouwen dat de VS dit in acht neemt.

3.4. Eiser stelt daarnaast dat gelet op de omstandigheid dat eiser in 2005 is gemarteld door overheidsfunctionarissen, de uitlevering had moeten worden verboden. Uit de uitspraak van 21 oktober 2011 blijkt dat de rechtbank Haarlem de door eiser gestelde omstandigheden met betrekking tot de marteling heeft betrokken bij haar oordeel en dat dit niet heeft geleid tot het oordeel dat de uitlevering ontoelaatbaar zou moeten worden verklaard. Nu eiser geen nieuwe omstandigheden heeft aangevoerd waaruit blijkt dat eiser is gemarteld, is de voorzieningenrechter met gedaagde van oordeel dat de Minister zich heeft mogen aansluiten bij de beoordeling door de rechtbank Haarlem. Dat eiser lijdt aan een PTSS en dat dit mogelijk het gevolg is van de door hem gestelde marteling maakt dit niet anders, nu niet is komen vast te staan dat deze stoornis daadwerkelijk hiervan het gevolg is. In het rapport van Schouten is dit immers als een van de mogelijke oorzaken opgenomen, terwijl de Staat er terecht op heeft gewezen dat door Schouten geen onderzoek is gedaan naar de vraag of deze mishandeling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

3.5. Voor wat betreft het beroep van eiser op dreigende schendingen van artikel 3 EVRM, wordt als volgt overwogen. In het onderhavige geval dient het uitgangspunt te zijn dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op het uitleveringsverdrag tussen Nederland en de VS in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de VS als verzoekende staat bij de vervolging en bestraffing van eiser de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR zal eerbiedigen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een dreigende schending van artikel 3 EVRM. Voor zover eiser de dreigende schending van artikel 3 EVRM heeft willen baseren op de detentieomstandigheden in de VS, heeft hij dit betoog onvoldoende onderbouwd. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet ervan worden uitgegaan dat de VS de fundamentele rechten die in het EVRM en het IVBPR zijn neergelegd, zal respecteren.

3.6. Eiser beroept zich voorts op het specialiteitsbeginsel. Hij stelt dat hij naast de vier feiten op grond waarvan de uitlevering toelaatbaar is bevonden, zal worden vervolgd voor Bail Jumping. De voorzieningenrechter overweegt dat het specialiteitsbeginsel een interstatelijk beginsel is en dat op grond van het vertrouwensbeginsel moet worden aangenomen dat de VS dit beginsel zullen eerbiedigen. Nu de uitleveringsbeschikking geen betrekking heeft op de vervolging voor Bail Jumping, dient erop te worden vertrouwd dat de VS eiser hiervoor niet vervolgen. De mededeling van de Amerikaanse advocaat van eiser omtrent de vervolging voor Bail Jumping, is onvoldoende om een garantie te vragen aan de VS dat zij zich aan hun verdragsverplichting zullen houden. Bovendien kan eiser zich, mocht hij toch worden vervolgd voor Bail Jumping zich met de beschikking van de Minister hiertegen verweren.

3.7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat gedaagde onrechtmatig handelt jegens eiser, de vordering van eiser zal dan ook worden afgewezen.

3.8. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.391,--, waarvan

€ 816,-- aan salaris advocaat en € 575,-- aan griffierecht;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. van der Helm en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2012.

SB