Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX6806

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-06-2012
Datum publicatie
07-09-2012
Zaaknummer
420740 / KG ZA 12-579
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Strafrecht. Vordering staken vervangende hechtenis afgewezen. Betalingsonmacht in geval van een schadevergoedingsmaatregel vormt geen grond om af te zien van vervangende hechtenis. Dat in dit geval sprake is van een schrijnende situatie in de zin van de Aanwijzing executie is niet aannemelijk geworden. De gestelde betalingsonmacht is daartoe op zichzelf genomen onvoldoende. Bijkomende bijzondere omstandigheden zijn in dit verband niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 420740 / KG ZA 12-579

Vonnis in kort geding van 28 juni 2012

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats], thans verblijvende in de PI te [verblijfplaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te Oldenzaal, thans verblijvende in de PI te [verblijfplaats],

eisers,

advocaat mr. P. Benders te Enschede,

tegen:

de Staat der Nederlanden,

(Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. J. Dijkgraaf te 's-Gravenhage.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 21 juni 2012 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Eisers zijn met elkaar gehuwd. Zij hebben samen en met hun meerderjarige kinderen ondernemingen gedreven die zich onder meer bezig hielden met de groente- en fruithandel. Deze ondernemingen en eisers zijn in de loop van 2005 en 2006 failliet verklaard.

1.2. Eisers zijn bij twee afzonderlijke arresten van 14 maart 2008 van het gerechtshof Arnhem (hierna: het hof) veroordeeld voor - kort gezegd - bedrieglijke bankbreuk, oplichting, flessentrekkerij en deelneming aan een criminele organisatie. In deze arresten heeft het hof eisers tevens veroordeeld om in het kader van schadevergoedingsmaatregelen aan twee benadeelde partijen te betalen respectievelijk € 55.685,67 en € 577.987,09, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door respectievelijk 308 en 365 dagen hechtenis (hierna: de vervangende hechtenis). Deze arresten zijn thans onherroepelijk.

1.3. In augustus 2010 heeft het Centraal Justitieel Incasso Bureau (hierna: het CJIB) schriftelijk aan eisers bericht belast te zijn met de inning van de door de rechter opgelegde schadevergoedingsmaatregelen. Omdat eisers niet tijdig het bedrag van € 633.672,76 hebben betaald, is de vordering van rechtswege verhoogd tot € 760.425,31.

1.4. Omdat eisers ook laatstgenoemde vordering niet tijdig aan het CJIB hebben betaald, heeft het CJIB een deurwaarder ingeschakeld. Op 16 augustus 2011 is er beslag gelegd op de AOW-uitkering van de man en vanaf september 2011 wordt daarop € 32,20 alsmede het vakantiegeld ingehouden ter voldoening van de vordering. Het betalingsvoorstel dat eisers hebben gedaan van € 25,- per maand is door het CJIB niet geaccepteerd.

1.5. Bij brief van 9 februari 2012 zijn eisers door het CJIB gewaarschuwd ter voorkoming van een arrestatiebevel, waarbij de laatste mogelijkheid is gegeven om de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, vermeerderd met de opgelegde verhogingen, alsnog te betalen. Dit hebben eisers niet gedaan. De vervangende hechtenis wordt sinds 25 april 2012 ten uitvoer gelegd, ondanks verzoeken van de advocaat van eisers van 20 en 26 april 2012 om van arrestatie af te zien.

2. Het geschil

2.1. De vordering van eisers strekt ertoe (zo begrijpt de voorzieningenrechter) dat de executie van de vervangende hechtenis wordt gestaakt.

2.2. Daartoe voeren eisers het volgende aan. Gedaagde handelt onrechtmatig door de arresten van het hof voor wat betreft de vervangende hechtenis te executeren. Deze executie is in strijd met het doel van de vervangende hechtenis, zijnde het bewegen van eisers om tot betaling over te gaan. Bij eisers is er immers geen sprake van betalingsonwil, maar van betalingsonmacht. Eisers hebben geen andere financiële middelen dan hun AOW-uitkering en zij zijn ook niet in staat om deze alsnog te verwerven. Zij zullen dus nimmer in staat zijn om een substantieel deel van de vordering te voldoen. Executie levert derhalve misbruik van recht op. Naast de betalingsonmacht zijn er ook bijkomende omstandigheden waardoor er bij eisers sprake is van een schrijnend geval als bedoeld in de Aanwijzing executie. Eisers hebben getracht de vordering te voldoen, maar dat zal nimmer mogelijk zijn, zodat er sprake is van absolute betalingsonmacht. Daarnaast zijn eisers gepensioneerd en hebben zij beiden medische problemen, zodat het ondergaan van vervangende hechtenis zeer belastend voor hen is. Ook zullen eisers hun huurwoning en hun uitkering kwijtraken.

2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat gedaagde jegens hen onrechtmatig handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding - tot kennisneming van de vordering gegeven.

3.2. Vooropgesteld wordt dat in het wettelijk stelsel besloten ligt dat een veroordelende beslissing van de strafrechter, waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, niet alleen mag maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. In opdracht van het openbaar ministerie is het CJIB belast met de executie van onder meer schadevergoedingsmaatregelen.

3.3. Artikel 561 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalt dat een strafvonnis zo spoedig mogelijk wordt geëxecuteerd. Dat uitgangspunt geldt ook voor de tenuitvoerlegging van opgelegde schadevergoedingsmaatregelen. In artikel 561 lid 3 is bepaald dat het openbaar ministerie uitstel van betaling kan verlenen of betaling in termijnen kan toestaan.

3.4. De voorzieningenrechter overweegt dat de wijze waarop het CJIB een schadevergoedingsmaatregel ten uitvoer legt, (thans) is neergelegd in de 'Aanwijziging executie' (Staatscourant 21 december 2010, 20473, met rectificatie op 11 januari 2011). Daarin is, net als in de voordien geldende 'Aanwijziging executie (vervangende) vrijheidsstraffen, taakstraffen van meerderjarigen, geldboetes, schadevergoedings- en ontnemingsmaatregelen, Europese geldelijke sancties en toepassing voorwaardelijke invrijheidstelling', ten aanzien van betalingsregelingen opgenomen dat de verantwoordelijkheid voor het aangaan daarvan exclusief is voorbehouden aan het CJIB, alsmede dat het CJIB in beginsel geen afbetalingsregeling treft, tenzij een daartoe strekkend verzoek op grond van bijzondere omstandigheden kan worden gehonoreerd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat uitzicht moet bestaan op volledige voldoening van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel binnen een redelijke termijn die is gesteld op 12 of maximaal 36 maanden. Verder bepaalt de Aanwijzing executie dat een arrestatiebevel wordt uitgevaardigd indien de inning en/of het verhaal met/zonder dwangbevel niet succesvol kan worden afgesloten. Het CJIB heeft dienaangaande een ruime beleidsvrijheid, wat meebrengt dat de voorzieningenrechter in kort geding de bedoelde beslissingen van het CJIB in beginsel slechts marginaal kan toetsen.

3.5. Niet in geschil is de hoogte van de openstaande schadevergoedingsmaatregel. Evenmin is in geschil dat eisers niet in staat zijn deze vordering binnen de in de Aanwijzing gegeven marges en termijnen af te lossen. De Staat heeft terecht als verweer gevoerd dat het voorgestelde bedrag van € 25,-- per maand, vermeerderd met het beslag op het AOW-uitkering van € 32,20, niet in verhouding staat tot de vordering. Slechts een fractie van de vordering zou met deze regeling worden afgelost. Dat door eisers niet meer kan worden opgebracht, omdat zij thans alleen een AOW-uitkering ontvangen, komt voor hun eigen rekening en risico. Bovendien ligt het niet in de lijn der verwachting dat deze financiële situatie zal veranderen.

3.6. De tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in geval van betalingsonmacht kan op grond van vaste jurisprudentie niet als onrechtmatig worden aangemerkt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 juni 2000 (NJ 2000, 634) geoordeeld dat uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat door de wetgever onder ogen is gezien dat de bij de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel te bepalen vervangende hechtenis ook ten uitvoer kan worden gelegd in gevallen waarin de veroordeelde de schadevergoedingsmaatregel niet kan voldoen. Zoals de Staat terecht heeft aangevoerd, vormt betalingsonmacht in geval van een schadevergoedingsmaatregel geen grond om af te zien van vervangende hechtenis. Anders dan eisers hebben betoogd, maakt de omstandigheid dat de vervangende hechtenis in het onderhavige geval vanwege de betalingsonmacht van eisers niet zal leiden tot een snellere betaling, waardoor de hechtenis in de ogen van eisers in strijd is met de wet, de vervangende hechtenis dan ook niet onrechtmatig.

3.7. Dat hier sprake is van een schrijnende situatie in de zin van de Aanwijzing is niet aannemelijk geworden. De gestelde betalingsonmacht is daartoe op zichzelf genomen onvoldoende, daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig. Dat eisers kampen met een broze gezondheid en zij beiden gepensioneerd zijn, leidt niet tot de conclusie dat sprake is van een schrijnende situatie. Een gevangenisstraf is naar zijn aard immers een ingrijpende maatregel, die voor een ieder die hem moet ondergaan een zware last zal betekenen. Voorts moet worden aangenomen dat de strafrechter de leeftijd van eisers bij het bepalen van de straf onder ogen heeft gezien, maar niettemin de schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd. Onder die omstandigheden is er voor de voorzieningenrechter geen ruimte om in de executie daarvan op deze grond in te grijpen. Bovendien hebben eisers niet weersproken dat vanuit de instelling waar zij verblijven behandelmogelijkheden aanwezig zijn voor hun medische klachten. Dat eisers als gevolg van de gevangenisstraf niet aan hun huurverplichting kunnen voldoen en daardoor hun woning kwijtraken, leidt eveneens niet tot een ander oordeel nu dit inherent is aan de opgelegde straf.

3.8. Op grond van het bovenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de gedaagde niet onrechtmatig handelt jegens eisers. De vordering van eisers wordt daarom afgewezen.

3.9. Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt eisers in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.391,--, waarvan

€ 816,-- aan salaris advocaat en € 575,-- aan griffierecht;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. van der Helm en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2012.