Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX6738

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
08-02-2013
Zaaknummer
AWB 08/6572
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verordening nazorgheffing gesloten stortplaatsen.

De aanslag is overeenkomstig de Verordening voor het jaar 2007 en de daarbij behorende tarieventabel vastgesteld. Bij de vaststelling van het voor eiseres geldende tarief is rekening gehouden met het te bereiken doelvermogen van € 2.358.430, zoals dat voor het onderhavige jaar is berekend op grond van het door eiseres ingediende nazorgplan dat bij besluit van Gedeputeerde staten in 2003 is vastgesteld. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen ingesteld; het staat dan ook onherroepelijk vast. Gesteld noch gebleken is dat een aanpassing van het nazorgplan heeft plaatsgevonden. Het tarief is overeenkomstig artikel 15.45, tweede lid, van de Wmb vastgesteld. Provinciale Staten hebben hierbij niet gehandeld in strijd met het verbod van willekeurige en onredelijke belastingheffing dan wel enig ander algemeen rechtsbeginsel. De hoogte van de aanslag vloeit rechtsreeks voort uit de tarieventabel en is dus juist.

Indien er veronderstellenderwijs van moet worden uitgegaan dat de nazorgheffing als een retributie zou moeten worden beschouwd, dan heeft het volgende te gelden. De tarieven zouden in dat geval zo moeten worden vastgesteld dat de begrote opbrengst met de daarover verkregen rentebaten en beleggingsopbrengsten de begrote kosten niet te boven gaan (hierna: de opbrengstlimiet). Een geschil over, kort gezegd, de overschrijding van de opbrengstlimiet wordt procesrechtelijk hierdoor gekenmerkt dat niet de belanghebbende die het geschilpunt opwerpt, maar de heffingsambtenaar de partij is die beschikt over de gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van dat geschilpunt.

De heffingsambtenaar dient in een dergelijk geval inzicht te verschaffen in de ramingen van – in dit geval - de opbrengst van de heffing en van de daarover verkregen rentebaten en beleggingsopbrengsten alsmede van de kosten die naar verwachting gemoeid zullen zijn met de uitvoering van het nazorgplan.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende inzicht verschaft in de opbouw van de genoemde ramingen en de informatie verstrekt die met het oog op het wegnemen van de bij eiseres levende twijfel over de door haar genoemde onderdelen van de ramingen redelijkerwijs van verweerder verlangd kan worden. Dit inzicht en deze informatie heeft verweerder verschaft door het overleggen van onder meer het nazorgplan, het RINAS rekenmodel en het Beleggingstatuut en door zijn toelichting daarop.

Voor een uitsplitsing van de kosten, de opbrengst van de nazorgheffing en de daarover verkregen rentebaten en beleggingsopbrengsten per stortplaats is geen reden. De jaarlijks te betalen heffing dient om binnen een bepaald aantal jaren het vastgestelde doelvermogen te bereiken, waarbij per jaar de heffing aangepast kan worden en in het onderhavige geval ook is aangepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2013, 621
V-N Vandaag 2013/365
Belastingblad 2013/118
V-N 2013/16.21.4

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/6572

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 augustus 2012 in de zaak tussen

[X] B.V., voorheen [Y] B.V., gevestigd te [Z], eiseres

(gemachtigde: [A]),

en

de heffingsambtenaar van de provincie Zuid-Holland, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres een aanslag nazorgheffing voor het jaar 2007 met nummer [a] (hierna: de aanslag) opgelegd.

Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 24 juli 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2009. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [B] en door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [C], [D] en [E].

De rechtbank heeft het onderzoek geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen in onderling overleg een einde aan het geschil te maken. Partijen hebben twee keer om verlenging van de aanvankelijk door de rechtbank gestelde termijn gevraagd.

Bij brief van 25 juni 2010 heeft eiseres, met instemming van verweerder, meegedeeld dat het aantal geschilpunten sterk is beperkt. Partijen verzoeken om de relevante feiten, het geschil en hun standpunten te mogen herformuleren.

Bij brief van 16 juli 2010 heeft eiseres de resterende geschilpunten uiteengezet. Zij heeft verzocht om een integrale proceskostenvergoeding. Verweerder heeft ingestemd met de nadere definiëring van de geschilpunten, doch de gevraagde proceskostenvergoeding afgewezen. Eiseres heeft hier schriftelijk op gereageerd.

De rechtbank heeft verweerder vervolgens om nadere stukken verzocht. Deze stukken zijn op 3 december 2010 ontvangen en op 26 juli 2011 in afschrift gezonden naar de gemachtigde van eiseres. Deze heeft hierop weer gereageerd.

De voortzetting van het onderzoek ter zitting heeft met toestemming van partijen in een andere samenstelling dan in december 2009 plaatsgevonden op 26 april 2012. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [B] en door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [C], [F] en [G].

Namens eiseres is een pleitnota overgelegd. In deze pleitnota verzoekt eiseres tevens om vergoeding voor immateriële schade.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is eigenaar en exploitant van "[H]", een stortplaats voor chemisch afval gelegen op de [I] in [Z].

2. Bij besluit van 19 juni 1998, nr. 6, hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland de Verordening nazorgheffing gesloten stortplaatsen provincie Zuid-Holland 1998 (hierna de Verordening) vastgesteld. De Verordening is sedertdien vele malen gewijzigd. De laatste hier van belang zijnde, met ingang van het jaar 2007 in werking getreden, wijziging is vastgesteld bij besluit van Provinciale Staten van 13 december 2006.

3. De Verordening luidt, in de voor 2007 geldende tekst, voor zover hier van belang:

"Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

(...)

e. doelvermogen: het voor de eeuwigdurende nazorg benodigde vermogen, dat op het moment van aanvang van de nazorg moet zijn opgebracht.

Artikel 2. Aard van de heffing

Onder de naam 'nazorgheffing' wordt bij wijze van een provinciale belasting een heffing geheven ter bestrijding van de kosten gemoeid met de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde zorg voor de in de provincie Zuid-Holland gelegen stortplaatsen.

Artikel 3 Belastingplicht

De nazorgheffing wordt geheven van degene die een stortplaats drijft.

(...)

Artikel 5 Maatstaf van heffing

De nazorgheffing wordt geheven per stortplaats.

Artikel 6 Tarieven

De nazorgheffing wordt geheven naar de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel."

4. Bij besluit van 8 november 2006 hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland de"Begroting 2007 en meerjarenramingen alsmede de tarieventabel 2007 van het provinciaal fonds nazorg gesloten stortplaatsen Zuid-Holland" vastgesteld.

Dit besluit luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"Provinciale Staten van Zuid-Holland,

(...)

Besluiten:

(...)

2. de tarieventabel, behorende bij de Verordening nazorgheffing gesloten stortplaatsen Zuid-Holland, voor het jaar 2007, als volgt vast te stellen:

Tabel 1

(...)

3. te bepalen dat de onder 2. genoemde tabel in werking treedt op 1 januari 2007 en de tabel te doen publiceren in het Provinciaal blad."

5. In de artikelsgewijze toelichting bij de Verordening, opgenomen in het Provinciaal blad van Zuid-Holland (105) van 16 november 2007 staat, voor zover hier van belang:

"Artikel 5 MAATSTAF VAN DE HEFFING/GRONDSLAG VAN DE HEFFING

(...)

De bepaling van het bedrag van het doelvermogen (en daarmee de heffing) vindt mede plaats op basis van het Rekenmodel IPO Nazorgkosten Stortplaatsen (RINAS 2.0) en het risicomodel. Het kan voorkomen dat voor een locatie het doelvermogen nog niet is berekend op basis van de laatst beschikbare rekenmethodes (RINAS 2.0) omdat het nazorgplan verouderd is. Zodra een up to date nazorgplan door de exploitant is ingeleverd (op termijn en in ieder geval voor sluiting) en goedgekeurd zal het doelvermogen volgens de laatst beschikbare rekenmethodes worden (her)berekend.

Bij de berekening van het doelvermogen per locatie worden de volgende stappen onderscheiden:

- vaststellen van de uit te voeren werkzaamheden en te treffen maatregelen (inclusief risico's), de periodiciteit waarin deze werkzaamheden/maatregelen moeten worden uitgevoerd alsmede de daaraan verbonden kosten;

- de geprognosticeerde uitgave voor werkzaamheid/maatregel in een bepaald jaar in de nazorgfase kapitaliseren naar het jaar van aanvang van de nazorg rekening houdend met een inflatiecorrectie en een correctie voor verwacht rendement;

- tot slot wordt het totaal doelvermogen bij aanvang nazorg berekend door de som van alle benodigde reserveringen op te tellen.

De hoogte van het doelvermogen bij aanvang van de nazorg wordt dus bepaald door alle kosten in verband met de uitvoering van de nazorg - inclusief risico's - om te rekenen naar het jaar van aanvang nazorg. Bij die omrekening wordt rekening gehouden met zowel inflatie als renteontwikkelingen. De uit te voeren werkzaamheden/te treffen maatregelen worden ontleend aan de door de exploitanten op te stellen en door GS goed te keuren nazorgplannen. (...) Voor het op te stellen nazorgplan zijn in IPO-verband een tweetal checklisten ontwikkeld (...). Met deze checklisten, het RINAS en het risicomodel is een uniforme basis gecreëerd voor het vaststellen van de nazorgmaatregelen (orde van te treffen voorzieningen in relatie tot kengetallen van de stortplaats, zoals bijv. de oppervlakte, frequentie van monitoring, periodiciteit van vervangingen e.d.), de berekeningsystematiek en daarin gehanteerde bedragen. Alle stortplaatsen worden - waar mogelijk rekening houdend met de specifieke omstandigheden van de locatie - op gelijke wijze benaderd.

(...)

Indien na vaststelling van een doelvermogen tijdens de exploitatiefase blijkt dat ofwel het doelvermogen moet worden bijgesteld dan wel de opbrengst van de nazorgheffing - inclusief rendementen - hoger dan wel lager is dan het bedrag dat nodig is om de kosten te bestrijden die naar verwachting met de nazorg van die stortplaats gemoeid zullen zijn, kan het bedrag van de nazorgheffing voor aanvang van elk heffingsjaar opnieuw worden vastgesteld. Het doelvermogen kan bijgesteld moeten worden onder meer vanwege:

- gewijzigde inzichten in technische mogelijkheden voor wat betreft de nazorg;

- of vanwege gewijzigde inzichten ten aanzien van de exploitatieduur van de stortplaats;

- fundamentele afwijking in de financiële parameters (inflatie- en rendements-percentages) dan waarmee gerekend is.

Gewijzigde inzichten voor wat betreft de nazorgtechniek zal tot uitdrukking moeten komen in een aanpassing van het nazorgplan.

(...) Jaarlijks zal bezien worden of ontwikkelingen in de financiële parameters aanleiding geven tot bijstelling van het doelvermogen."

Geschil

6. In geschil is de hoogte van de aanslag.

7.Eiseres stelt dat de aanslag te hoog is vastgesteld omdat de begrote baten van de nazorgheffing de begrote, met de nazorgheffing te financieren kosten overschrijden en dat als gevolg daarvan het voor eiseres geldende tarief van de nazorgheffing voor het jaar 2007 te hoog is vastgesteld. Zij voert daartoe aan:

1e. De afwaardering van niet ter speculatie aangehouden obligaties beneden nominale waarde resulteert in het presenteren van een tekort (=kosten) dat niet is opgetreden en zich nooit zal voordoen. Hierdoor is de aanslag € 10.968 te hoog;

2e. Bij het waarderen van wel ter speculatie aangehouden aandelen op verkrijgings-waarde of lagere beurskoers wordt ten onrechte voorbij gegaan aan ten behoeve van eiseres realiseerbare meerwaarden. Hierdoor is de aanslag € 66.872 te hoog;

3e. Het toevoegen van behaalde overschotten aan een algemene reserve elimineert ten onrechte gerealiseerde baten uit de berekening van de te dekken kosten. Hierdoor is de aanslag € 76.639 te hoog.

Wat betreft het aan de overschrijding van de begrote kosten door de begrote baten te verbinden rechtsgevolg stelt eiseres zich op het standpunt dat het in de tarieventabel voor eiseres genoemde tarief zodanig moet worden teruggebracht dat de overschrijding zich niet meer voordoet. Dit leidt tot een dienovereenkomstige vermindering van de aanslag.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag met de som van de ten 1e, ten 2e en ten 3e genoemde bedragen (€ 154.479), dan wel met de som van de ten 2e en ten 3e genoemde bedragen ( € 143.511) of met de som van de ten 1e en ten 3e genoemde bedragen ( € 87.607).

Eiseres verzoekt tevens verweerder te veroordelen in de integrale kosten van dit geding.

en om toekenning van een vergoeding voorimmateriële schade wegens de lange duur van de procedure.

8. Verweerder heeft de standpunten van eiseres gemotiveerd weersproken. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep en stelt zich voorts op het standpunt dat er geen reden is om aan eiseres een integrale proceskostenvergoeding toe te kennen.

Beoordeling

9. Artikel 15.45 van de Wet milieubeheer (hierna: Wmb) luidt voor zover hier van belang:

1. De heffing wordt geheven van degene die een stortplaats drijft.

2. Het bedrag van de heffing wordt zodanig vastgesteld dat uit de opbrengst van de heffing en de daarover verkregen rentebaten en beleggingsopbrengsten de kosten kunnen worden bestreden, die naar verwachting gemoeid zullen zijn met de uitvoering van het in artikel 8.49, derde en vierde lid, bedoelde nazorgplan waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd, of, indien geen nazorgplan geldt, de in artikel 8.49, eerste lid, bedoelde zorg voor die stortplaats. Indien na de vaststelling blijkt dat de opbrengst van de heffing hoger dan wel lager is dan het bedrag dat nodig is om de kosten te bestrijden die naar verwachting met die zorg van die stortplaats gemoeid zullen zijn, kan het bedrag van de heffing opnieuw worden vastgesteld. Het reeds betaalde bedrag van de heffing wordt hierop in mindering gebracht."

10. De aanslag is overeenkomstig de Verordening voor het jaar 2007 en de daarbij behorende tarieventabel vastgesteld. Bij de vaststelling van het voor eiseres geldende tarief is rekening gehouden met het te bereiken doelvermogen van € 2.358.430, zoals dat voor het onderhavige jaar is berekend op grond van het door eiseres ingediende nazorgplan dat bij besluit van Gedeputeerde staten in 2003 is vastgesteld. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen ingesteld; het staat dan ook onherroepelijk vast. Gesteld noch gebleken is dat een aanpassing van het nazorgplan heeft plaatsgevonden. Het tarief is overeenkomstig artikel 15.45, tweede lid, van de Wmb vastgesteld. Niet gesteld of gebleken is dat Provinciale Staten hierbij hebben gehandeld in strijd met het verbod van willekeurige en onredelijke belastingheffing dan wel enig ander algemeen rechtsbeginsel. De hoogte van de aanslag vloeit rechtsreeks voort uit de tarieventabel en is dus juist.

11. Veronderstellenderwijs er met eiseres van uitgaande dat de nazorgheffing als een retributie zou moeten worden beschouwd, dan heeft het volgende te gelden. De tarieven zouden in dat geval zo moeten worden vastgesteld dat de begrote opbrengst met de daarover verkregen rentebaten en beleggingsopbrengsten de begrote kosten niet te boven gaan (hierna: de opbrengstlimiet). Een geschil over, kort gezegd, de overschrijding van de opbrengstlimiet wordt procesrechtelijk hierdoor gekenmerkt dat niet de belanghebbende die het geschilpunt opwerpt, maar de heffingsambtenaar de partij is die beschikt over de gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van dat geschilpunt. Daarvan uitgaande brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat, indien de belanghebbende stelt dat de opbrengstlimiet wordt overschreden, de heffingsambtenaar inzicht dient te verschaffen in de ramingen van - in dit geval - de opbrengst van de heffing en van de daarover verkregen rentebaten en beleggingsopbrengsten alsmede van de kosten die naar verwachting gemoeid zullen zijn met de uitvoering van het in 10. genoemde nazorgplan. Indien de belanghebbende met betrekking tot één of meer posten in de ramingen in twijfel trekt of deze post(en) tot - in dit geval - de in artikel 15.45, tweede lid, van de Wmb vermelde opbrengsten en/of kosten behoort (behoren), dient de heffingsambtenaar nadere informatie over deze post(en) te verstrekken, teneinde - naar vermogen - deze twijfel weg te nemen.

12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder inzicht verschaft in de opbouw van de in 11. genoemde ramingen en de informatie verstrekt die met het oog op het wegnemen van de bij eiseres levende twijfel over de door haar genoemde onderdelen van de ramingen redelijkerwijs van verweerder verlangd kan worden. Dit inzicht en deze informatie heeft verweerder verschaft door het overleggen van onder meer het nazorgplan, het RINAS rekenmodel en het Beleggingstatuut en door zijn toelichting daarop. Voor zover eiseres heeft gesteld dat de door verweerder met het oog op het wegnemen van de bij eiseres levende twijfel verstrekte informatie geheel of ten dele onjuist is, heeft zij die stelling niet, althans onvoldoende, met feiten onderbouwd. Hiervan uitgaande en van hetgeen overigens uit de gedingstukken blijkt, is de rechtbank van oordeel dat voor het jaar 2007 de opbrengstlimiet niet wordt overschreden.

13. Eiseres heeft nog gesteld dat de opbrengstlimiet voor elk van de in de tarieventabel genoemde stortplaats, althans voor de [H], afzonderlijk moet plaatsvinden. De rechtbank kan eiseres hierin niet volgen. Voldoende is naar het oordeel van de rechtbank dat de Provincie op controleerbare wijze vastlegt welke kosten zij met de nazorgheffing en de daarover verkregen rentebaten en beleggingsopbrengsten beoogt te dekken en hoe zij de kosten en de heffing en de daarover verkregen rentebaten en beleggingsopbrengsten heeft geraamd. Voor een uitsplitsing van de kosten, de opbrengst van de nazorgheffing en de daarover verkregen rentebaten en beleggingsopbrengsten per stortplaats is geen reden. De jaarlijks te betalen heffing dient om binnen een bepaald aantal jaren het vastgestelde doelvermogen te bereiken, waarbij per jaar de heffing aangepast kan worden en in het onderhavige geval ook feitelijk aangepast is. Uit de door verweerder overgelegde stukken blijkt dat voor het jaar 2008 en 2009 in het geheel geen nazorgheffing verschuldigd is geworden.

14. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

15. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Immateriële schadevergoeding

16. In zijn arresten van 10 juni 2011, nrs. 09/02639, 09/05112 en 09/05113, LJN: BO5046, LJN: BO5080 en LJN: BO5087, heeft de Hoge Raad beslist dat het rechtszekerheidsbeginsel als algemeen aanvaard rechtsbeginsel ertoe noopt dat ook belastinggeschillen (zonder boete) binnen een redelijke termijn worden beslecht, in voorkomend geval door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, dienen ook in belastinggeschillen de uitgangspunten die zijn neergelegd in HR 22 april 2005, nr. 37.984, LJN: AO9006, toepassing te vinden. Dit betekent dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een belastinggeschil niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet. De aanvang van de termijn van twee jaar heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 10 juni 2011 in beginsel gesteld op het moment dat de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt. Heeft de procedure tot de uitspraak van de rechtbank langer dan twee jaar geduurd, dan dient vervolgens voor de bezwaar- en de beroepsfase afzonderlijk te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, waarbij in beginsel geldt dat de bezwaarfase binnen een half jaar en de beroepsfase binnen anderhalf jaar zou moeten worden afgerond (vergelijk CRvB 26 januari 2009, 05/1789 WAO + 08/4026 WAO, LJN: BH1009).

17. In het onderhavige geval heeft de bezwaarfase een aanvang genomen met de indiening van het bezwaarschrift op 27 juli 2007. Op 24 juli 2008 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan. Het beroepschrift is ingediend op 4 september 2008. De eerste zitting bij de rechtbank vond plaats op 10 december 2009. Die zitting is geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen in onderling overleg een einde aan hun geschil te maken. Tussen partijen en de rechtbank heeft vervolgens een briefwisseling plaatsgevonden. Uiteindelijk heeft eiseres bij brief van 5 augustus 2010 toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft bij brief van 17 november 2010 verweerder om nadere stukken verzocht, welke stukken eerst op 26 juli 2011 in afschrift aan eiseres zijn verzonden. Eiseres heeft bij brief van 27 september 2011 op deze stukken gereageerd. Het onderzoek ter zitting is vervolgens voortgezet op 26 april 2012. De rechtbank heeft heden, 1 augustus 2012 uitspraak gedaan. Aan deze vaststellingen ontleent de rechtbank het vermoeden dat de redelijke termijn in bezwaar en beroep is overschreden.

18. Gelet op hetgeen onder 16. en 17. is overwogen zal de rechtbank het onderzoek heropenen ter voorbereiding van een nadere uitspraak op het verzoek van eiseres de door haar geleden schade te vergoeden. Op grond van rechtsoverweging 3.3.5 van het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011, nr. 09/02639, LJN: BO5046, zal de rechtbank verweerder en de Minister van Veiligheid en Justitie in de voortzetting van deze procedure betrekken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- heropent het onderzoek ter voorbereiding van een nadere uitspraak inzake de door eiseres gevraagde schadevergoeding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. van Rij, voorzitter, mr. G.J. van Leijenhorst en

mr. drs. M.H. van Schaik, leden, in aanwezigheid van mr. P.C. Stroebel, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op1 augustus 2012.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.- bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.- het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.