Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX6699

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-09-2012
Datum publicatie
06-09-2012
Zaaknummer
awb 12/600
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opheffing ongewenstverklaring; Nederland niet verlaten; Terugkeerrichtlijn relevant; geen van rechtswege einde ongewenstverklaring; maximale duur inreisverbod

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 66a
Vreemdelingenwet 2000 67
Vreemdelingenwet 2000 68
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/451
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Nevenlocatie Middelburg

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12/600

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de rechtbank in de zaak tussen

[naam], eiser

(gemachtigde mr. G.A. Dorsman),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder.

(gemachtigde mr. A. Hadfy-Kovács)

Procesverloop

Eiser heeft op 5 januari 2012 beroep ingesteld bij de rechtbank tegen verweerders besluit van 23 december 2011 (het bestreden besluit).

Het beroep is op 23 augustus 2012 ter openbare zitting behandeld. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [1964] en de Marokkaanse nationaliteit te bezitten. Hij is op 27 november 2000 door de staatssecretaris van justitie ongewenst verklaard. Eiser heeft Nederland nadien niet verlaten. Verzoeken om opheffing van de ongewenstverklaring, gedaan op 3 januari 2005 en 20 januari 2009, zijn afgewezen. Op 9 januari 2011 heeft eiser andermaal verzocht om opheffing, welk verzoek door verweerder op 19 april 2011 is afgewezen.

2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder onder meer overwogen dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor opheffing, omdat eiser niet aantoonbaar tien jaar buiten Nederland heeft verbleven en hij na zijn ongewenstverklaring herhaalde malen is veroordeeld wegens illegaliteit.

3. Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat de ongewenstverklaring van rechtswege is geëindigd als gevolg van de thans geldende Terugkeerrichtlijn. In artikel 11 van deze richtlijn is de duur van het inreisverbod beperkt tot 5 jaar en geldt de voorwaarde dat de vreemdeling het grondgebied van Nederland feitelijk moet hebben verlaten niet meer. Daarnaast ligt er geen gemotiveerd besluit waarin een inreisverbod voor langere duur is opgelegd. Eiser heeft de rechtbank verzocht om voor zover nodig prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

4. Verweerder heeft bij wijze van schriftelijk verweer volstaan met een verwijzing naar het bestreden besluit.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. Op grond van artikel 68 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) wordt – op een daartoe strekkende aanvraag – de ongewenstverklaring opgeheven indien de vreemdeling tien jaren onafgebroken buiten Nederland verblijf heeft gehad en zich in die periode geen nieuwe gronden voor ongewenstverklaring hebben voorgedaan. In de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), hoofdstuk A5/10.4 is uiteengezet dat er zich daarnaast (uitzonderlijke) gevallen kunnen voordoen waarbij het gevaar voor de openbare orde is geweken of het persoonlijk belang van de vreemdeling dient te prevaleren vóórdat de van toepassing zijnde duur van de ongewenstverklaring is verstreken. Daarbij zal sprake moeten zijn van bijzondere feiten en omstandigheden die niet zijn betrokken bij het bepalen van genoemde maximale duur van de ongewenstverklaring.

6. Uit artikel 2 van Richtlijn 2008/115 EG van 16 december 2008 (Terugkeerrichtlijn) blijkt dat deze van toepassing is op illegaal op het grondgebied van de lidstaten verblijvende onderdanen van derde landen. Artikel 11 van de richtlijn bevat de verplichting tot, dan wel mogelijkheid van het opleggen van een inreisverbod. De situatie die destijds leidde tot de ongewenstverklaring van eiser wordt thans bestreken door deze figuur. Dit betekent dat verweerder zijn bevoegdheid tot ongewenstverklaring in een dergelijke situatie niet opnieuw zal kunnen toepassen. De rechtbank volgt echter niet het standpunt van eiser dat hiermee ook de rechtsgevolgen van het in rechte vaststaande besluit tot ongewenstverklaring van eiser van rechtswege ongedaan zijn gemaakt. De Terugkeerrichtlijn bevat geen overgangsrechtelijke bepalingen van die strekking en een dergelijke opvatting verdraagt zich in zijn algemeenheid niet met de rechtszekerheid, hetgeen ook een gemeenschapsrechtelijk beginsel betreft.

7. Nu de aan de eerdere ongewenstverklaring ten grondslag liggende feiten en omstandigheden binnen het toepassingsbereik van de huidige bepalingen betreffende het inreisverbod vallen, horen die bepalingen wel, desnoods door middel van richtlijnconforme interpretatie van de bestaande praktijk, te worden betrokken bij de beoordeling van een verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring, dit teneinde de volle werking van de Terugkeerrichtlijn te verzekeren. Opheffing zal aan de orde zijn indien de in de artikel 11 van de Terugkeerrichtlijn bepaalde maximale duur van het inreisverbod is verstreken.

8. In dit geval ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder na afweging van alle belangen tot een opheffing van de ongewenstverklaring had moeten besluiten. Zowel voor de maatregel van ongewenstverklaring als het inreisverbod geldt immers dat deze eerst gaat werken, nadat de betrokken vreemdeling is vertrokken uit respectievelijk Nederland en de Europese Unie. Nu eiser niet uit Nederland is vertrokken, kan thans niet worden vastgesteld dat de feitelijke duur van de ongewenstverklaring de maximaal toegelaten duur van het inreisverbod heeft overschreden. Verweerder heeft in dat verband terecht overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij Nederland en/of de Europese Unie niet kan verlaten. Hetgeen in beroep is aangevoerd kan hier niet aan afdoen.

9. De aanvraag is daarom terecht afgewezen.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Er is geen grond voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Loonstra-Hoekstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 september 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op: 6 september 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de verzending ervan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.