Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX6653

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
06-09-2012
Zaaknummer
383785 - HA ZA 10-4499
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schadestaatprocedure. Gedaagde heeft in de aan hem toebehorende pizzeria videoopnamen gemaakt waarop tevens is te horen dat eiser bepaalde uitlatingen doet. In de hoofdprocedure is gedaagde veroordeeld tot vergoeding van schade die eiser heeft geleden doordat gedaagde deze videobeelden openbaar heeft gemaakt en de videobeelden vervolgens heeft vernietigd, althans niet ter beschikking van eiser heeft gesteld. Ten tijde van het openbaar maken van de videobeelden was eiser wethouder van de gemeente Delft. Nadien is eiser veelvuldig negatief in de publiciteit gekomen.

In de schadestaatprocedure wordt geoordeeld dat geen additionele schade is opgetreden doordat gedaagde de videobeelden na de openbaarmaking heeft vernietigd c.q. eiser daarover niet de beschikking heeft gegeven, naast de schade die eiser heeft geleden door de openbaarmaking van de videobeelden zelf. De rechtbank oordeelt dat de negatieve publiciteit rondom de persoon van eiser in condicio sine qua non-verband staat met de onrechtmatige openbaarmaking van de videobeelden en als gevolg van de onrechtmatige daad aan gedaagde is toe te rekenen in de zin van artikel 6:98 BW. Ook het feit dat eiser een goed bezoldigde dienstbetrekking is misgelopen en juridische kosten heeft moeten maken, staat in condicio sine qua non-verband met de onrechtmatige gedraging van gedaagde en is aan gedaagde toerekenbaar in de zin van artikel 6:98 BW.

Onder de omstandigheden van het geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van tachtig procent eigen schuld. Eiser heeft immers in een openbare gelegenheid gedragingen vertoond die hem als openbaar bestuurder niet pasten, waardoor hij het risico heeft genomen dat anderen c.q. het grote publiek daarmee bekend zouden worden en hij daardoor schade zou lijden. Gedaagde dient twintig procent van de door de rechtbank begrote materiële schade aan eiser te vergoeden. De rechtbank ziet gelet op de hoge mate van eigen schuld geen aanleiding voor toekenning van immateriële schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/439

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 383785 / HA ZA 10-4499

Vonnis van 22 augustus 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat: voorheen mr. A.V. Paardekooper, thans mr. H. Reitsma te Amsterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. P.J.L.J. Duijsens te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna "[eiser]" en "[gedaagde]" genoemd worden.

1. De procedure

1.1. De onderhavige procedure ziet op de tenuitvoerlegging van de veroordeling van [gedaagde] tot schadevergoeding, op te maken bij staat. Deze veroordeling is uitgesproken door deze rechtbank in de procedure met zaak-/rolnummer 256253 / HA ZA 05-4049 bij vonnis van 25 juli 2007, en bekrachtigd door het Gerechtshof alhier bij arrest van 16 maart 2010 in de appèlprocedure met zaaknummer 105.006.863/01 (hierna: de hoofdprocedure).

Het verloop van de schadestaatprocedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 21 december 2010, die door de rechtbank wordt beschouwd als een schadestaat als bedoeld in artikel 613 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

- de akte overlegging producties van [eiser], met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- de rolbeslissing van 18 mei 2011;

- de brief van 27 mei 2011 van mr. Reitsma;

- het tussenvonnis van 15 juni 2011, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

- het proces-verbaal van comparitie van 8 september 2011 en de daarin genoemde stukken;

- de akte overlegging producties tevens houdende akte vermindering van eis van [eiser], met producties;

- de antwoordakte van [gedaagde], met producties.

1.2. [gedaagde] heeft bij zijn antwoordakte nog nieuwe verweren naar voren gebracht en producties overgelegd. [eiser] is niet meer in staat gesteld op deze producties te reageren. Nu de rechtbank haar beslissing niet ten nadele van [eiser] op deze producties zal baseren en deze verweren niet zal honoreren, is [eiser] niet geschaad in zijn processuele belangen.

1.3. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2. De hoofdprocedure

2.1. In voormeld vonnis van 25 juli 2007 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het volgende overwogen:

"4.24. Vast staat dat de [...] opnames zijn gemaakt in het restaurant van [gedaagde], door middel van een camera die door [gedaagde] is geplaatst. [gedaagde] stelt dat dit een beveiligingscamera was en dat de opnames bij toeval zijn gemaakt. Wat hier ook van zij, [gedaagde] heeft deze (beveiligings-)opnames na 28 mei 2004 bewust danwel onbewust bewaard. Vast staat voorts dat [gedaagde] in de avond van 28 mei 2005 ten overstaan van [A], [B] en [C] voormelde videoband heeft afgedraaid. [gedaagde] heeft tegenover de rijksrecherche verklaard dat hij op 27 april 2005 met [eiser] een gesprek heeft gehad waarin ter sprake is gekomen dat hij een en ander op bandjes had opgenomen en dat hij op 6 mei 2005, nadat een en ander in de publiciteit was gekomen en er bij hem thuis televisieopnamen waren gemaakt, de eerder bedoelde videobanden met behulp van een tang heeft vernield en in een vuilnisbak heeft gegooid en dat hij de DVD-schijf waarop de oorspronkelijke opnamen waren vastgelegd met de beveiligingscamera, met zijn handen heeft gebroken en heeft weggegooid in een vuilniszak. Vast staat voorts dat op 6 mei 2005 aan [gedaagde] in persoon is betekend een brief van de raadsman van [eiser] waarin hij [gedaagde] sommeert om voor maandag 9 mei 2005 de video-opnames aan hem ter hand te stellen.

4.25. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] met de vorenstaande openbaarmaking jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld. Ook indien de opnamen niet bewust zijn gemaakt, dan nog heeft [gedaagde], naar hij zelf bij de rijksrecherche heeft verklaard, deze opnamen welbewust bewaard. Vervolgens heeft [gedaagde] op een moment waarop dat hem gunstig uitkwam de bandopnames naar buiten gebracht, kennelijk met een ander doel - het alsnog afdwingen van subsidie - dan waarvoor die opnames in zijn eigen stellingen zijn gemaakt. Dit alles gebeurde terwijl [gedaagde] wist danwel kon weten dat [eiser] door het in de publiciteit brengen van deze opnames beschadigd zou kunnen worden. Voorts acht de rechtbank het door [gedaagde] achterhouden dan wel het - naar zijn eigen stellingen - op dezelfde dag waarop de opnames aan de pers waren getoond, vernietigen van de opnames, onrechtmatig jegens [eiser]. Immers, doordat de opnames niet meer ter beschikking van [eiser] stonden kon hij zich niet, althans niet optimaal verdedigen tegen de publiekelijk geuite beschuldigingen van corruptie.

(...)

4.27. Uit het (...) overwogene volgt dat [gedaagde] dient te worden veroordeeld tot vergoeding van de door [eiser] ten gevolge van zijn hierboven vastgestelde onrechtmatig handelen geleden schade.

(...)

De rechtbank: (...) veroordeelt [gedaagde] de door [eiser] ten gevolge van diens onrechtmatig handelen als vermeld in r.o. 4.25. geleden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;"

2.2. In voormeld arrest van het gerechtshof van 16 maart 2010 is - voor zover thans van belang - het volgende opgenomen:

"59. De rechtbank heeft [gedaagde] veroordeeld de door [eiser] ten gevolge van diens onrechtmatig handelen als vermeld in rovv. 4.25 van het vonnis geleden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. (...)

60. Het hof kan zich geheel verenigen met [rovv. 4.25 tot en met 4.27 van het vonnis in de hoofdprocedure], en maakt deze oordelen en de daarop gegronde beslissing van de rechtbank tot de zijne.

(...)

61. (...) Het hof acht openbaarmaking van (delen van) de betrokken videobanden aan onder meer de (landelijke) pers ten opzichte van daardoor geschonden grondrechten en rechtmatige belangen van [eiser], waaronder die welke door art. 8 EVRM worden gewaarborgd, bepaald een disproportioneel middel om het door [gedaagde] beoogde doel te bereiken.

(...)

64. De vraag of en in hoeverre de door [eiser] gestelde schade in de gegeven omstandigheden aan [gedaagde] kan worden toegerekend in de zin van artikel 6:98 BW, dan wel of [eiser] de schadelijke publiciteit al dan niet (deels) aan zichzelf te wijten heeft, dan wel hij anderszins eigen schuld heeft aan de door hem geleden schade (in de zin van artikel 6:101 BW) dient naar het oordeel van het hof in het kader van de schadestaatprocedure tussen [eiser] en [gedaagde] te worden beoordeeld.

(...)

In de zaak van [gedaagde] tegen [eiser] faalt zowel het principaal als het incidenteel appel. Dit leidt ertoe dat het bestreden vonnis in die zaak zowel in principaal als in incidenteel appel zal worden bekrachtigd (...).

2.3. In het arrest van de Hoge Raad van 11 november 2011 is het cassatieberoep van [gedaagde] verworpen.

2.4. De in de hoofdprocedure door de rechtbank en het hof vastgestelde feiten en de overige oordelen worden bij de beoordeling in deze schadestaatprocedure tot uitgangspunt genomen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert - samengevat en na vermindering van eis - veroordeling van [gedaagde] van € 566.457,88, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2005, althans vanaf een door de rechtbank te bepalen datum, althans vanaf de dag van dagvaarding, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde] € 289.156,- netto inkomen heeft gederfd, € 187.200,-- netto aan tantièmes is misgelopen, een MBA-opleiding zelf heeft moeten bekostigen voor een (aantoonbaar) bedrag van € 45.000,-, € 20.101,88 aan juridische kosten heeft moeten maken en € 25.000,- aan immateriële schade heeft geleden. Deze schadeposten kunnen aan [gedaagde] worden toegerekend in de zin van artikel 6:98 Burgerlijk Wetboek (BW), aldus [eiser].

3.3. [gedaagde] voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank heeft [gedaagde] veroordeeld tot vergoeding van de schade die [eiser] heeft geleden tengevolge van het feit dat [gedaagde] - in essentie -:

(i) (een compilatie van) de bandopnamen openbaar heeft gemaakt; en

(ii) de bandopnamen heeft achtergehouden dan wel heeft vernietigd, waardoor deze niet (meer) ter beschikking stonden van [eiser];

hetgeen volgens de rechtbank een onrechtmatige daad jegens [eiser] oplevert.

Het gerechtshof heeft het vonnis in de hoofdprocedure bekrachtigd voor zover dit ziet op [gedaagde]. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van [gedaagde] vervolgens verworpen. Derhalve staat in rechte thans onherroepelijk vast dat [gedaagde] door het genoemde onder (i) en (ii) onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en dat hij de door [eiser] daardoor geleden schade moet vergoeden. In de onderhavige procedure gaat het om de vaststelling van die schade.

4.2. In dat verband overweegt de rechtbank met betrekking tot het zojuist onder (ii) genoemde onrechtmatig handelen van [gedaagde] het volgende.

De rechtbank heeft in haar vonnis van 25 juli 2007 in dit verband overwogen dat, omdat de opnames niet meer ter beschikking van [eiser] stonden, hij zich niet, althans niet optimaal kon verdedigen tegen de publiekelijk geuite beschuldigingen van corruptie. Dat betekent dat [eiser] de schade die hij heeft geleden als gevolg van de openbaarmaking van de bandopnamen door [gedaagde] dus mogelijk had kunnen beperken. Zonder onderbouwing, die ook in de onderhavige procedure ontbreekt, valt echter niet in te zien hoe [eiser] als gevolg van het feit dat [gedaagde] de bandopnamen heeft achtergehouden dan wel opnames heeft vernietigd, waardoor [eiser] niet over de volledige bandopnamen kon beschikken, additionele schade heeft geleden, naast de schade die is opgetreden als gevolg van genoemde openbaarmaking zelf. Bovendien heeft [eiser] niet gewezen op delen van de volledige bandopnamen - die thans wel beschikbaar zijn - die zijn uitlatingen zoals te horen in de door [gedaagde] naar buiten gebrachte gedeelten daarvan in een ander daglicht stellen of de conclusies die daaruit zijn getrokken overtuigend weerleggen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat geen additionele schade is opgetreden doordat [gedaagde] de bandopnamen heeft achtergehouden en (vervolgens) opnames heeft vernietigd.

4.3. Gezien het vorenstaande spitst het geschil zich toe op de vraag in hoeverre [eiser] door het openbaar maken door [gedaagde] van de bandopnamen c.q. een compilatie daarvan zoals onder 4.1 onder (i) genoemd, schade heeft geleden die door [gedaagde] moet worden vergoed. Daartoe dient in de eerste plaats te worden onderzocht of er oorzakelijk verband (in de zin van condicio sine qua non-verband) bestaat tussen de door [eiser] opgevoerde schadeposten en de openbaarmaking door [gedaagde]. Dat wil zeggen dat moet worden beoordeeld of de schade niet zou zijn opgetreden indien [gedaagde] niet tot openbaarmaking van de beelden was overgegaan. Als dat het geval is, bestaat er oorzakelijk verband. Indien condicio sine qua non-verband bestaat, dient te worden beoordeeld in hoeverre de schade als gevolg van de openbaarmaking aan [gedaagde] kan worden toegerekend in de zin van artikel 6:98 BW.

4.4. [gedaagde] heeft betoogd dat de affaire niet in het nieuws is gekomen door toedoen van hem, maar als gevolg van de uitlatingen van Leefbaar Delft en haar fractievoorzitter [A]. [eiser] zou de opgevoerde schade ook hebben geleden als de compilatie van beelden niet aan de journalisten met videocamera's was getoond, zo redeneert [gedaagde].

Dit betoog faalt reeds omdat het eraan voorbij gaat dat [gedaagde] de beelden heeft getoond aan de door hem genoemde raadsleden; als [gedaagde] dat niet zou hebben gedaan, zou de zaak niet door hen in de publiciteit zijn gebracht en zou er dus geen commotie zijn ontstaan. Er bestaat daarom in ieder geval condicio sine qua non-verband tussen het tonen van de beelden aan deze raadsleden en de publicitaire deining.

4.5. Bovendien lag het objectief bezien in de lijn der verwachting dat leden van een oppositiepartij in de gemeente Delft de publiciteit zouden zoeken over de beelden indien zij daarvan kennis zouden nemen, alsook dat zij dit zouden doen in harde bewoordingen. Ook kon [gedaagde] redelijkerwijze voorzien dat [eiser] hierdoor in opspraak zou raken en dat nader onderzoek zou volgen naar zijn gedrag, met mogelijke schade aan zijn reputatie en voor zijn verdere loopbaan als gevolg. [gedaagde] wist immers dat [eiser] de politiek zou verlaten. Dit maakt dat sprake is van een zodanig verband tussen het tonen van de beelden aan voornoemde raadsleden en de als gevolg van de ontstane deining - inclusief het onderzoek door de Rijksrecherche - door [eiser] geleden schade, dat deze schade als gevolg daarvan aan [gedaagde] kan worden toegerekend in de zin van artikel 6:98 BW. Daarbij speelt - in het kader van de aard van de aansprakelijkheid - een belangrijke rol dat, zoals het hof heeft overwogen, het [gedaagde] bij de openbaarmaking niet ging om het aan de kaak te stellen van vermeende misstanden aangaande het optreden van [eiser] als publiek bestuurder, maar om de verkrijging van de subsidie die [gedaagde] in zijn ogen was toegezegd. Het hier bedoelde verband tussen het onrechtmatig handelen van [gedaagde] en de gestelde schade zal hieronder per schadepost zo nodig nader worden besproken.

4.6. Dienstverband bij [D]

[gedaagde] heeft erkend dat [D] niet langer wenste dat [eiser] als statutair directeur werd benoemd vanwege de commotie en het onderzoek naar [eiser] door de Rijksrecherche. [gedaagde] betwist desondanks dat er causaal verband bestaat tussen zijn onrechtmatige daad en het niet aanstellen van [eiser] als statutair directeur van [D]. Hij stelt daartoe dat de benoeming van [eiser] wellicht om tal van andere redenen geen doorgang had kunnen vinden of dat het dienstverband na korte tijd had kunnen eindigen.

Dit verweer van [gedaagde] faalt. [eiser] heeft voldoende onderbouwd dat vóór het ontstaan van de commotie reeds mondeling was overeengekomen dat hij statutair directeur van [D] zou worden, alsmede tegen welk salaris en onder toekenning van welke tantièmes die aanstelling zou plaatsvinden. In dat verband heeft [eiser] een concept arbeidsovereenkomst overgelegd, een interne mededeling van [D], alsmede e-mails van [D] en de arbeidsbemiddelaar die [eiser] voor [D] heeft geworven. Bedoeld condicio sine qua non-verband zou onder die omstandigheden slechts ontbreken indien voldoende aannemelijk zou zijn dat [eiser] ook geen statutair directeur van [D] was geworden of gebleven indien [gedaagde] het tonen van de beelden aan de raadsleden en journalisten achterwege had gelaten. Daarover heeft [gedaagde] echter niets gesteld. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat uitsluitend de ontstane deining eraan in de weg heeft gestaan dat [eiser] daadwerkelijk bij [D] is gaan werken.

Dit leidt tot de conclusie dat het feit dat [eiser] een goed bezoldigde functie met aantrekkelijke secundaire voorwaarden is misgelopen en enige tijd geen andere baan heeft kunnen vinden in condicio sine qua non-verband staat met de onrechtmatige gedraging van [gedaagde]. Bovendien is deze schade als redelijkerwijs voorzienbaar gevolg daarvan aan [gedaagde] toe te rekenen in de zin van artikel 6:98 BW. Daarvoor doet niet ter zake of [gedaagde] wist dat [eiser] deze specifieke functie bij [D] was aangeboden.

Gederfd inkomen

4.7. [eiser] vordert vergoeding van inkomensverlies over de periode medio 2005 tot en met 31 december 2011. Met betrekking tot deze periode overweegt de rechtbank dat [eiser] onvoldoende onderbouwd heeft dat hij voor een periode van minimaal vijf jaar zou zijn aangenomen. De e-mail van de heer [E] van 22 maart 2005 vermeldt hierover slechts dat [eiser] zich voor een periode van vijf jaar bindt, terwijl in de (concept)arbeidsovereenkomst van 24 mei 2005 een dergelijke termijn ontbreekt. [eiser] heeft in die overeenkomst een opzegtermijn van drie maanden en [D] van zes maanden. Bovendien lijkt de termijn van vijf jaar in de genoemde e-mail te zijn ingegeven door betaling door [D] van de na te noemen door [eiser] te volgen MBA-opleiding. Als hij binnen vijf jaar zou vertrekken, zou hij deze kosten moeten terugbetalen. Voorts heeft [gedaagde] terecht aangevoerd dat een statutair directeur niet de voor reguliere werknemers geldende arbeidsbescherming geniet. Daarnaast volgt uit het door [eiser] overgelegde assessment, anders dan hij (onder 9 van de schadestaat/dagvaarding) stelt, juist niet dat hij op korte termijn zelfs de functie van bestuursvoorzitter zou kunnen vervullen. Volgens het assessment was het niet raadzaam om daar op dat moment reeds uitspraken over te doen, onder andere in verband met de geringe werkervaring van [eiser] in vergelijkbare organisaties en met leidinggeven aan grotere groepen medewerkers.

Het voorgaande brengt de rechtbank ertoe de termijn van de inkomensderving wegens bij [D] genoten salaris naar redelijkheid en billijkheid te stellen op ruim drie en een half jaar, van 1 juni 2005 tot en met 31 december 2008.

[eiser] heeft gesteld en met stukken onderbouwd dat hij, indien hij statutair directeur van [D] zou zijn geworden, een netto inkomen zou hebben ontvangen van € 41.257,- van juni tot en met december 2005, € 82.514,- in 2006, € 84.990,- in 2007 en € 87.539,- in 2008, oftewel in totaal € 296.300,- over genoemde periode. Daarbij is [eiser] uitgegaan van een jaarlijkse indexering van 3% van het inkomen bij [D], hetgeen de rechtbank redelijk voorkomt. [gedaagde] heeft zijn betwisting van dit bedrag niet voldoende gemotiveerd.

4.8. Vervolgens moet worden bekeken welk netto inkomen [eiser] feitelijk heeft genoten over genoemde periode. [eiser] heeft gesteld en aan de hand van onder meer belastingaanslagen onderbouwd dat hij aan netto inkomen heeft ontvangen € 21.225,- van juni tot en met december 2005, € 36.220,- in 2006, € 35.042,- in 2007 en € 48.178,- in 2008, oftewel in totaal € 140.665,- over genoemde periode, inclusief gelden uit hoofde van de wachtgeldregeling.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat uit het C.V. van [eiser] blijkt dat hij vanaf 2005 werkzaamheden heeft verricht via de door hem opgerichte vennootschap [eiser] Project & Advies B.V. en dat daarin inmiddels een bedrag van € 133.434,- aanwezig is.

De rechtbank overweegt dat [eiser] onweersproken heeft gesteld dat de hierna nog te noemen € 110.000,- aan gelden uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst met [D] om fiscale redenen aan [eiser] Project & Advies B.V. zijn voldaan. Het door [gedaagde] genoemde bedrag is, gezien het tijdsverloop, niet substantieel hoger en er zijn dan ook geen redenen om aan te nemen dat [eiser] uit hoofde van [eiser] Project & Advies B.V. onevenredig weinig aan zichzelf heeft verloond. Er zijn ook geen redenen om aan te nemen dat [eiser] nog werkzaamheden heeft verricht uit hoofde van een andere door hem opgerichte rechtspersoon, zoals [gedaagde] suggereert, te minder nu [gedaagde] geen andere rechtspersonen van [eiser] heeft kunnen traceren via de Kamer van Koophandel. Dit alles in aanmerking nemende houdt de rechtbank het ervoor dat [eiser] de door hem genoemde bedragen aan netto inkomsten heeft ontvangen. Dit leidt tot de conclusie dat [eiser] over de periode medio 2005 tot en met 2008 € 296.300,- -/- € 140.665,- = € 155.635,- aan salaris heeft gederfd als gevolg van de onrechtmatige daad van [eiser].

Vaststellingsovereenkomst

4.9. [eiser] heeft gesteld dat hij een vaststellingsovereenkomst met [D] heeft gesloten in verband met het feit dat hij aldaar geen statutair directeur is geworden, in welk kader € 110.000,- bruto aan hem is voldaan. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft [eiser] een afschrift van een vaststellingsovereenkomst overgelegd. Voor zover [gedaagde] betoogt dat [D] mogelijk een hoger bedrag aan [eiser] heeft voldaan en de vaststellingsovereenkomst niet authentiek is, verwerpt de rechtbank dat verweer bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing. Het enkele feit dat de overeenkomst niet op briefpapier van [D] is afgedrukt, vormt onvoldoende indicatie dat er sprake is van een vervalsing. Ook de datum is daarvoor geen aanwijzing. Voorts acht de rechtbank het redelijk dat [eiser] heeft ingestemd met een regeling om de onzekerheid van een rechterlijke uitspraak te vermijden: algeheel verlies van die procedure voor [eiser] was geen louter denkbeeldige mogelijkheid. Voorts brengt het sluiten van deze vaststellingsovereenkomst niet mee dat [eiser] ook jegens [gedaagde] genoegen moet nemen met het daarbij afgesproken bedrag als vergoeding voor al zijn gederfde inkomsten, indien die aantoonbaar hoger zouden hebben gelegen.

Blijkens de stukken is het gehele bedrag van € 110.000,-- zonder verdere inhoudingen gestort in een stamrecht-BV. [eiser] heeft het netto bedrag dat hij (te zijner tijd) zal overhouden van het bedrag van € 110.000,- niet berekend. De rechtbank schat dit - rekening houdend met het huidige belastingtarief van 15,2% voor de eerste schijf voor gepensioneerden - op € 93.280,- netto. Dit bedrag strekt gezien het bepaalde in artikel 6:100 BW op het bedrag van de netto salarisderving in mindering, zodat ter zake een bedrag van € 155.635 -/- € 93.280,- = € 62.355,- resteert.

Tantièmes

4.10. In de concept-arbeidsovereenkomst van [eiser] en [D] die is overgelegd, is het volgende opgenomen:

"Indien het resultaat van de onderneming het toelaat heeft de directeur jaarlijks recht op een tantième overeenkomstig het gestelde in de voor de vennootschap geldende tantièmeregeling. (...) Het individuele maximum jaarlijks tantièmebedrag bij 70% rendement is voor de directeur vastgesteld op € 65.000,-- bruto. Het tantieme wordt uitgekeerd in de maand mei, na vaststelling van de jaarrekening door de aandeelhouders."

Verder staat in de toelichting op de "Tantièmeregeling [D] bv t.b.v.

[eiser]": "Het individuele maximum tantièmebedrag wordt bereikt bij een rendement van 70% of hoger, het minimum bedraagt nihil bij een rendement van 0% of lager."

4.11. [eiser] heeft inmiddels aangegeven dat het maximale tantièmebedrag netto steeds € 31.200,- zou zijn geweest. [eiser] heeft gesteld dat [D] in de praktijk steeds het maximale tantièmebedrag uitkeerde, ongeacht het behaalde rendement, maar hij heeft dit niet onderbouwd, zodat de rechtbank aan die stelling voorbij gaat. [eiser] heeft voorts betoogd dat hij als directeur zodanig succesvol zou zijn geweest dat steeds 70% rendement zou zijn behaald. Nu [eiser] uiteindelijk geen directeur is geworden, kan dit niet worden vastgesteld. Volgens [gedaagde] is aannemelijk dat vanwege de grote cirisis in de bouwwereld er helemaal geen tantièmes zouden zijn uitgekeerd. Dit acht de rechtbank niet aannemelijk, nu de crisis in de bouw naar algemeen bekend mag worden verondersteld zich pas eind 2008/begin 2009 is gaan manifesteren. Omdat de rechtbank de schade ter zake niet nauwkeurig kan begroten, zal zij deze schatten. Alles in aanmerking nemend schat de rechtbank dat [eiser] gemiddeld de helft van de gestelde tantièmes zou zijn uitgekeerd, oftewel drie maal (over de jaren 2006 tot en met 2008) € 15.600,--, derhalve in totaal € 46.800,-- netto. [eiser] heeft zelf gesteld dat over 2005 geen recht op tantième bestond vanwege de vergoeding voor de na te noemen MBA-opleiding, hetgeen ook blijkt uit de overgelegde concept-arbeidsovereenkomst.

MBA-opleiding

4.12. Vast staat dat [eiser] met [D] had afgesproken dat hij een MBA-opleiding zou gaan volgen op kosten van [D]. [eiser] stelt deze opleiding daadwerkelijk te hebben gevolgd, evenwel op eigen kosten ten belope van € 45.000,--. [gedaagde] heeft dat betwist. [eiser] heeft een brief van TiasNimbas Business School overgelegd, waarin staat dat deze het collegegeld van [eiser] heeft ontvangen en dat [eiser] in 2005/2006 het programma heeft gevolgd. De rechtbank acht dit voldoende bewijs dat de collegegelden daadwerkelijk door [eiser] zijn betaald en dat hij de opleiding heeft gevolgd.

[gedaagde] heeft verder betoogd dat [eiser] de opleiding niet meer had hoeven volgen omdat hij de positie van statutair directeur bij [D] niet had verkregen. De rechtbank overweegt dat de opleiding ook los van de dienstbetrekking bij [D] voor [eiser] van waarde was. [eiser] heeft immers onweersproken gesteld dat hij al had besloten de opleiding te volgen voordat het dienstverband bij [D] in beeld kwam. [eiser] was dan ook niet gehouden van het volgen van de opleiding af te zien teneinde zijn schade ter zake te beperken. Nu [eiser] de kosten voor deze opleiding niet zelf had behoeven te dragen indien zijn dienstverband bij [D] doorgang had gevonden en deze kosten thans wel voor zijn rekening zijn gekomen, vormen de opleidingskosten toerekenbare schade als gevolg van de onrechtmatige daad van [gedaagde]. [eiser] heeft erkend dat hij de kosten van de opleiding over drie jaar heeft opgevoerd als aftrekpost bij de Belastingdienst. [eiser] heeft weliswaar definitieve aanslagen inkomstenbelasting (IB) overgelegd, maar daaruit is niet af te leiden wat zijn exacte belastingvoordeel is geweest als gevolg van deze aftrekpost. [eiser] heeft dat ook zelf niet toegelicht en geen aangiften IB overgelegd. Daarom schat de rechtbank dat 50% van de opleidingskosten door belastingvoordeel zijn gecompenseerd. Ter zake de MBA-opleiding resteert daarom een netto schadebedrag van € 22.500,-.

Juridische kosten

4.13. [eiser] heeft gesteld dat hij € 20.101,88 (en meer) aan juridische kosten heeft gemaakt als gevolg van de onrechtmatige daad van [gedaagde]. [eiser] stelt dat het hier kosten betreft ter voorkoming of beperking van schade en ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub a en b BW. [eiser] heeft van deze kosten een specificatie overgelegd van het betreffende advocatenkantoor.

[gedaagde] heeft zich verweerd met de stelling dat [eiser] over een rechtsbijstandsverzekering beschikt c.q. dat uit een krantenknipsel blijkt dat de gemeente Delft de juridische kosten van [eiser] heeft voldaan. [eiser] heeft daartegen aangevoerd dat de rechtsbijstandsverzekering van de gemeente Delft heeft geweigerd de juridische kosten te dekken. Hij heeft erkend dat de gemeente een stukje van zijn kosten heeft vergoed, maar lang niet alles; de gemaakte kosten bedragen in totaal € 340.000,--, aldus [eiser].

4.14. De rechtbank overweegt dat [eiser] de overige gevorderde juridische kosten niet had hoeven maken indien [gedaagde] de onrechtmatige daad niet had gepleegd; derhalve bestaat het vereiste condicio sine qua non-verband. Verder was redelijkerwijs te voorzien dat het in de publiciteit brengen van de beelden voor [eiser] ook dit soort juridische kosten met zich zou brengen, zodat de schade als gevolg daarvan aan [gedaagde] toerekenbaar is.

[eiser] vordert onder meer kosten in het kader van het vaststellen van zijn juridische positie direct na het uitlekken van de beelden en onderzoek naar de feitelijke handelwijze van [gedaagde] en de documentatie daarvan. Deze kosten, die de rechtbank schat op circa € 3.000,-- moeten worden geacht kosten te zijn waarvoor de proceskostenveroordeling vergoeding pleegt in te houden. Daarom komen deze kosten niet afzonderlijk van een eventuele proceskostenveroordeling voor vergoeding in aanmerking.

De rechtbank acht voldoende onderbouwd dat de kosten voor het overige gericht waren op het beperken en vaststellen van schade en dat zij tot het gevorderde bedrag redelijk waren. Mede door het inwinnen van juridisch advies heeft [eiser] immers door middel van een vaststellingsovereenkomst met [D] € 110.000,- verkregen en zijn bepaalde publicaties verboden. Vaststaat dat [eiser] een deel van de opgevoerde kosten vergoed heeft gekregen van de gemeente Delft, maar hij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij veel meer kosten heeft gemaakt als gevolg van de onderhavige kwestie, zodat ook na een vergoeding van kosten als de onderhavige door de gemeente Delft nog aanzienlijke kosten zijn overgebleven. [gedaagde] heeft zijn vermoeden dat [eiser] over een rechtsbijstandsverzekering zou beschikken niet nader onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.

Aldus komen de kosten juridische kosten tot een bedrag van € 17.101,88 in beginsel voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking.

Voordeelstoerekening

4.15. eiser] heeft van [A] verbeurde dwangsommen ontvangen wegens schending van een verbod in kort geding tot het doen van bepaalde uitspraken in verband met de affaire. [gedaagde] betoogt dat deze dwangsommen [eiser] voordeel opleveren en derhalve op de geleden schade in mindering strekken op grond van artikel 6:100 BW. Dit verweer gaat niet op. In artikel 611c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is opgenomen dat een verbeurde dwangsom ten volle toekomt aan de partij die de veroordeling heeft gekregen. Reeds daaruit volgt dat geen verrekening met de schade dient plaats te vinden.

[gedaagde] heeft verder nog verdedigd dat [eiser] minder alimentatie heeft hoeven betalen omdat hij een lager inkomen had. Naar het oordeel van de rechtbank vloeit dit -indien al van voordeel sprake zou zijn; [eiser] had immers ook minder draagkracht- niet voort uit 'een zelfde gebeurtenis' in de zin van artikel 6:100 BW. De (eventuele) vermindering van alimentatie staat daarvoor in te ver verwijderd verband met de openbaarmaking van de beelden door [gedaagde].

4.16. De totale door [eiser] geleden materiële schade wordt door de rechtbank aldus begroot op € 62.355,- aan inkomensverlies, € 46.800,- verlies aan tantième, € 22.500,- aan misgelopen vergoeding MBA-opleiding en € 17.101,88 aan kosten voor juridische bijstand, hetgeen neerkomt op een totaalbedrag van € 148.756,88.

Eigen schuld

4.17 [gedaagde] heeft aangevoerd dat de door [eiser] gestelde schade het gevolg is van aan hemzelf toe te rekenen omstandigheden. Zo heeft [eiser] zelf veelvuldig op agressieve wijze de publiciteit gezocht in de 'oorlog' met [A] en heeft hij in een openbaar restaurant telefoongesprekken gevoerd over hoe een Delftse ondernemer een zo hoog mogelijke grondprijs kon realiseren in onderhandelingen met de gemeente Den Haag, aldus [gedaagde].

4.18. Vast staat dat [eiser] in een publiek toegankelijk restaurant aan een toenmalige wethouder van de gemeente Den Haag, B. Verkerk, tevens de latere burgemeester van Delft, telefonisch advies heeft gevraagd over de wijze waarop [F], een kennelijk met [eiser] bevriende Delftse ondernemer, zich het beste kon opstellen in de onderhandelingen met de gemeente Den Haag over de verkoop van grond gelegen op het Forepark. Ook staat vast dat [eiser] vervolgens telefonisch aan [F] heeft laten weten dat hij "de hoofdprijs kon vragen", nu de gemeente Den Haag deze grond heel graag wilde hebben voor het nieuwe ADO-stadion. De rechtbank overweegt hieromtrent dat [eiser] als openbaar bestuurder uit een oogpunt van integriteit bij het bepalen van zijn gedrag het algemeen belang zwaarder behoorde te laten meewegen dan zijn persoonlijke relaties met vrienden c.q. ondernemers. [eiser] heeft moeten begrijpen dat de onderhandelingspositie van de gemeente Den Haag door het bekend worden van de bewuste informatie bij haar wederpartij ernstig zou worden ondergraven, met mogelijk een aanzienlijk hogere grondprijs tot gevolg, welke prijs uit de algemene middelen zou moeten worden voldaan. Het doorspelen van deze informatie aan [F] was daarom in strijd met het door [eiser] als wethouder te behartigen overheidsbelang. Door de betreffende informatie te vergaren en aan [F] door te spelen, heeft [eiser] gedrag vertoond dat hem als openbaar bestuurder niet paste. Hij heeft daarmee bovendien het aanzien van en het vertrouwen in het openbaar bestuur in het algemeen ernstig geschaad. De omstandigheid dat door het gedrag van [eiser] de belangen werden geschonden van een andere gemeente dan waarvan hij wethouder was, doet daaraan niet af. Als openbaar bestuurder behoorde hij te allen tijde het overheidsbelang te plaatsen boven de individuele belangen van zijn vrienden of van Delftse ondernemers. Het spreekt vanzelf dat dit overheidsbelang zich voor een wethouder niet beperkt tot het belang van de gemeente waarvoor hij werkzaam is. Uit het feit dat [eiser] tegen [F] tot tweemaal toe heeft gezegd "Dat weet jij niet, heb ik jou niet verteld", of woorden van gelijke strekking, blijkt ook dat hij wel degelijk besefte dat zijn handelwijze niet integer was. De rechtbank acht ongeloofwaardig dat deze opmerking slechts als grap was bedoeld, zoals [eiser] heeft aangevoerd.

4.19. De rechtbank is van oordeel dat [eiser], door de door [gedaagde] opgenomen en openbaar gemaakte telefoongesprekken op deze manier te voeren, en dan nog in een voor het publiek toegankelijk restaurant, het risico heeft genomen dat anderen c.q. het grote publiek daarmee bekend zouden worden en dat hij daardoor reputatieschade zou lijden. Dat geldt ook als de opnames niet waren gemaakt en [eiser] niet bedacht had hoeven zijn op het maken van opnames. Uit de stukken blijkt dat het gedrag van [eiser] geen op zichzelf staand incident was.

4.20. Daarnaast staat vast dat [eiser] bij de pizzeria van [gedaagde] geregeld zonder daarvoor te betalen heeft gegeten en gedronken, terwijl hij in diezelfde periode op verzoek van [gedaagde] in zijn functie van wethouder bemoeienis had met de onderneming van [gedaagde], hetgeen hij ook aan [gedaagde] heeft medegedeeld. [eiser] stelt immers zelf dat hij destijds door ambtenaren heeft laten onderzoeken of aan [gedaagde] een subsidie of 'waarderingsbijdrage' kon worden verstrekt. Verder heeft [eiser] het op de beelden over "het [door [eiser]] geven van subsidie".

De rechtbank is van oordeel dat ook deze gedragingen een wethouder niet betamen.

4.21. Gelet op dit onoorbaar handelen door [eiser], bovendien op een manier die een aanmerkelijk risico met zich bracht dat anderen daarvan op de hoogte zouden geraken, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een hoge mate van eigen schuld van [eiser] aan de ontstane schade.

4.22. Dat het veelvuldig reageren door [eiser] op de beschuldigingen aan zijn adres in de media tot extra schade heeft geleid, zoals [gedaagde] heeft betoogd, is naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer aannemelijk. Goed denkbaar is immers dat niet reageren door [eiser] als een erkenning van schuld zou zijn gezien, wat zijn reputatie evenzeer zou hebben geschaad en zijn kansen op de arbeidsmarkt verder zou hebben doen afnemen. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat [eiser] voldoende pogingen heeft ondernomen om de schade te beperken door het starten van een procedure tegen [D] - in welk kader hij voormelde € 110.000,- heeft ontvangen - en door middel van juridische stappen tegen [A] en Leefbaar Delft. Gezien de uitspraak van het Gerechtshof in de procedure tegen Leefbaar Delft heeft [eiser] voorts op grond van zijn geringe proceskansen redelijkerwijs kunnen besluiten niet langer schadevergoeding van deze partij te eisen. Op deze punten wordt daarom geen eigen schuld aangenomen.

4.23. Al het vorenstaande in aanmerking nemende komt de rechtbank, gezien de ernst van de gedragingen van partijen aan beide zijden, tot het oordeel dat [eiser] overwegend eigen schuld heeft aan de toerekenbare schade die [gedaagde] hem door het openbaar maken van de opnamen heeft toegebracht, en wel voor een percentage van 80%. Onder de genoemde omstandigheden is het, anders dan [eiser] heeft betoogd, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar dat de schadevergoedingsplicht van [gedaagde] evenredig wordt verminderd.

Immateriële schadevergoeding

4.24. [eiser] heeft immateriële schadevergoeding gevorderd in de zin van artikel 6:106 BW. Op grond van hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.18 tot en met 4.23 heeft overwogen en alle overige omstandigheden in aanmerking genomen, komt zij tot het oordeel dat aan [eiser] naar billijkheid geen immateriële schadevergoeding toekomt. De vordering ter zake zal dan ook worden afgewezen.

4.25. De conclusie luidt dat [gedaagde] aan schadevergoeding 20% van € 148.756,88, zijnde € 29.751,38 aan [eiser] dient te betalen. Voor toepassing van een billijkheidscorrectie op grond van artikel 6:109 BW ziet de rechtbank geen aanleiding, nu gelet op al het voorgaande niet kan worden gezegd dat toekenning van de genoemde schadevergoeding in de gegeven omstandigheden tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zal leiden.

Rente

4.26. Nu de rechtsgrond van de vorderingen tot schadevergoeding onrechtmatige daad is, is de wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum waarop de schade is geleden.

De rente over de inkomensschade is telkens verschuldigd vanaf de datum dat het inkomen genoten zou zijn. De schade wegens het verlies van de dienstbetrekking bij [D] is berekend over de periode 1 juni 2005 tot en met 31 december 2010. Teneinde zeer complexe berekeningen op dit punt te vermijden wijst de rechtbank de rente over de totale inkomensschade toe vanaf 15 maart 2008, de datum die halverwege de genoemde periode ligt.

De rente over de schade ter zake van tantièmes wordt telkens toegewezen vanaf 30 mei van het jaar waarin deze zouden zijn uitgekeerd.

De rente over de schade ter zake de kosten van de MBA-opleiding, evenals die ter zake de juridische kosten, wordt toegewezen vanaf de dag der dagvaarding, nu niet is aangegeven wanneer de betreffende rekeningen zijn voldaan.

4.27. Nu partijen over en weer in het ongelijk worden gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] tot voldoening aan [eiser] van een bedrag van € 29.751,38, te vermeerderen met de wettelijke rente over:

(ii) € 3.120,- vanaf 30 mei 2007;

(iii) € 12.471,- vanaf 15 maart 2008;

(iv) € 3.120,- vanaf 30 mei 2008;

(v) € 3.120,- vanaf 30 mei 2009;

(vi) € 4.500,- vanaf 21 december 2010;

(vii) € 3.420,38 vanaf 21 december 2010;

telkens tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3. compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.B. Verkleij, mr. G.H.I.J. Hage en mr. L. Alwin en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.