Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX6595

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
05-09-2012
Zaaknummer
368131 / HA ZA 10-2054
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadevergoedingsvordering wegens inbeslagname kaviaar door de Staat. Bij tussenvonnis is beslist dat sprake is van "gebleken onschuld". Eiser is bij akte (nogmaals) in de gelegenheid gesteld zijn gestelde schade nader te onderbouwen met een expertiserapport. Eiser heeft de schade niet nader onderbouwd, zodat de rechtbank de geleden schade heeft geschat. Het drieledige eigen schuld verweer van de zijde van de Staat is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 368131 / HA ZA 10-2054

Vonnis van 22 augustus 2012

in de zaak van

de vennootschap naar Duits recht

ALTONAER KAVIAR IMPORT HAUS [A] GMBH & CO K.G.,

gevestigd te [woonplaats], Duitsland,

eiseres,

advocaat mr. W.F.A.A.A.M. van de Pol te 's-Gravenhage,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna Altonaer en de Staat genoemd worden.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 december 2011 en de daarin genoemde gedingstukken;

- de akte van 11 april 2012 van de zijde van Altonaer, met producties;

- de antwoordakte van 6 juni 2012 van de zijde van de Staat.

1.2.Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

Het tussenvonnis van 28 december 2011

2.1.Tussen partijen is thans nog in geschil wat de omvang van de schade is die door Altonaer is geleden als gevolg van de onrechtmatige inbeslagname door de Staat van de "eerste zending" uit Kazachstan afkomstige kaviaar, bestaande uit 449,7 kg Osetra kaviaar en 137,64 kg Sevruga kaviaar op 1 juli 2005.

2.2.In voormeld tussenvonnis van 28 december 2011 (r.o. 2.6.) heeft de rechtbank Altonaer (nogmaals en thans voor het laatst) in de gelegenheid gesteld de schadeomvang toe te lichten. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat Altonaer een aantal vragen (genoemd onder r.o. 2.5. van het tussenvonnis van 28 december 2011) aan een (Duitse) registeraccountant dient voor te leggen en diens schaderapport bij akte in het geding dient te brengen. Voorts heeft de rechtbank Altonaer (alsnog) in de gelegenheid gesteld bij diezelfde akte in te gaan op het verweer van de Staat dat de schade moet worden gematigd wegens eigen schuld.

Schadeomvang met betrekking tot de in beslag genomen kaviaar

Schade

2.3.De rechtbank stelt - met de Staat - allereerst vast dat Altonaer geen registeraccountant heeft ingeschakeld en dat (derhalve) evenmin een schaderapport is overlegd. Altonaer heeft enkel (wederom) een schadebecijfering van haar directeur [A] overgelegd. Verder heeft zij een brief overgelegd van haar eigen belastingconsulent die desgevraagd bevestigt dat de door Altonaer gestelde inkoopprijzen volgend uit de facturen 05/111 en 06/72 als zodanig zijn opgenomen in de jaarrekeningen. Voorts bevestigt de belastingconsulent in dezelfde brief de door Altonaer blijkbaar gestelde gemiddelde verkoopprijs in de kleinhandel voor Osetra kaviaar en Sevruga kaviaar in 2006.

2.4.Het voorgaande betekent dat de rechtbank niet over - verifieerbare - gegevens beschikt waaruit de inkoopprijzen van de Osetra kaviaar dan wel de Sevruga kaviaar volgen. Daargelaten dat de facturen 05/111 en 06/72 betrekking hebben op een klein gedeelte van de ingekochte kaviaar, is een enkele bevestiging van de eigen belastingconsulent van Altonaer dat deze facturen als zodanig in de boekhouding zijn opgenomen, niet gelijk te stellen met een verklaring aangaande de door Altonaer betaalde inkoopprijzen (van de gehele eerste zending kaviaar) van een onafhankelijke registeraccountant.

Daarnaast heeft Altonaer geen verkoopfacturen overgelegd waaruit volgt voor welke bedragen Altonaer daadwerkelijk de desbetreffende Osetra kaviaar en Sevruga kaviaar heeft verkocht. Tevens heeft Altonaer niet inzichtelijk gemaakt welke kosten normaliter met de verkoop van kaviaar gepaard gaan (welke kosten - zoals de Staat terecht opmerkt - van de gederfde omzet zouden moeten worden afgetrokken en dus niet een schadepost vormen zoals Altonaer stelt). Ten slotte heeft Altonaer evenmin - verifieerbare - gegevens overgelegd waaruit de gemiddelde verkoopprijs kan worden gedestilleerd die Altonaer - zonder onrechtmatige daad van de Staat - had kunnen genereren. Een enkele bevestiging van de belastingconsulent van Altonaer dat bepaalde prijzen gemiddelde verkoopprijzen in de kleinhandel zouden zijn, is - wat daar ook van zij - niet voldoende, nog daargelaten dat Altonaer niet heeft aangetoond dat zij normaliter (slechts) aan de kleinhandel leverde.

2.5.De rechtbank heeft derhalve geen aanknopingspunten om de concrete door Altonaer geleden schade te becijferen. Nu zij het wel aannemelijk acht dat Altonaer enige schade heeft geleden en begroot de rechtbank deze schade ex aequo et bono op € 10.000,- (inclusief wettelijke rente).

Eigen schuld

2.6.De rechtbank stelt voorop dat van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 lid 1 BW sprake is indien de schade mede het gevolg is van (een) omstandighe(i)den die aan Altonaer (kan) kunnen worden toegerekend. De Staat draagt de stelplicht en de bewijslast ter zake.

2.7.De Staat heeft een drieledig eigen schuld verweer gevoerd. Allereerst is het beslag volgens de Staat door Altonaer zelf uitgelokt door tal van onvolkomenheden aan de verpakking, etiketten en labels van de kaviaar en aan de benodigde vergunningen. Het onderzoek door het Openbaar Ministerie naar die onvolkomenheden was volgens de meervoudige strafkamer van de rechtbank Haarlem (zie het vonnis van 11 mei 2006) dan ook gerechtvaardigd, aldus de Staat.

2.8.De rechtbank stelt voorop dat het feit dat de meervoudige strafkamer heeft geoordeeld dat beslaglegging en nader onderzoek gerechtvaardigd waren, onverlet laat dat de strafkamer tevens heeft geoordeeld dat met betrekking tot feit 1 - ondanks onvolkomenheden - geen sprake was van een stafbaar feit. In lijn daarmee is in het tussenvonnis van 23 februari 2011 in deze procedure in r.o. 4.6 geoordeeld dat sprake is van gebleken onschuld aan de zijde van Altonaer met betrekking tot feit 1, waarmee de onrechtmatigheid van de inbeslagneming door de Staat vaststaat. In het gebleken onschuld criterium, zoals dit in de jurisprudentie tot ontwikkeling is gekomen, ligt besloten dat óók sprake is van onrechtmatig handelen bij gebleken onschuld, indien de toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen aanvankelijk gerechtvaardigd was wegens het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld. Het ligt in verband daarmee niet zonder meer voor de hand om de schade van de gewezen die zich met succes op de gebleken onschuld beroept voor rekening te laten van laatstgenoemde in verband met omstandigheden die deze aanvankelijke verdenking rechtvaardigden. Dit zou anders kunnen zijn indien het redelijk vermoeden van schuld gebaseerd is op omstandigheden die in de risico- en invloedsfeer van de gewezen verdachte liggen en die van dien aard zijn dat deze wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat die omstandigheden tot verdenking aanleiding zouden geven.

2.9.Toegepast op de onderhavige zaak zou plaats kunnen zijn voor een beroep op eigen schuld aan de zijde van Altonaer op basis van onvolkomenheden in de verpakking of de vergunningen, indien dat onvolkomenheden van zodanige aard waren dat voor Altonaer te voorzien was dat de eerste zending kaviaar in beslag zou worden genomen. De Staat heeft zijn stelling ter zake niet onderbouwd, behoudens verwijzing naar het voornoemde vonnis van de meervoudige strafkamer. De enkele constatering van de rechtbank Haarlem dat sprake was van onvolkomenheden is onvoldoende om te kunnen concluderen dat deze onvolkomenheden dusdanig waren dat de inbeslagname (mede) te wijten is aan omstandigheden die aan Altonaer kunnen worden toegerekend.

2.10.Ten tweede betoogt de Staat dat sprake is van eigen schuld omdat Altonaer de door de raadkamer van de rechtbank Haarlem in de beklagprocedure gegeven gelegenheid om de gebreken vóór 22 december 2005 te herstellen niet, althans niet tijdig, heeft benut. Indien de gebreken naar tevredenheid van de raadkamer waren benut, dan zou de raadkamer in haar beschikking van 27 december 2005 een last tot teruggave hebben gegeven, aldus de Staat.

De Staat doet aldus een beroep doet op de schadebeperkingsplicht van Altonaer, welk leerstuk binnen de regeling van artikel 6:101 lid 1 BW valt.

2.11.Ook dit beroep op de eigen schuld faalt. In het vonnis van de rechtbank Haarlem van 11 mei 2006 ligt immers besloten dat geen wijziging aan de verpakking benodigd was, omdat geen sprake was van een strafbaar feit. In lijn daarmee is de teruggave van de inbeslaggenomen kaviaar gelast zonder dat nog - nadere - aanpassingen aan de verpakking moesten worden aangebracht. Aldus is vast komen te staan dat aanpassingen aan de verpakking niet nodig waren en kan Altonaer niet worden tegengeworpen dat zij deze aanpassingen niet heeft aangebracht.

2.12.Ten derde voert de Staat aan dat de blikken waarin de kaviaar was verpakt van inferieure kwaliteit waren en slecht sloten. Een en ander leidt volgens de Staat tot oxidatie, welke oxidatie al vanaf dag één na de verpakking is opgetreden. De rechtbank begrijpt dat de Staat dit argument betrekt uit het proces-verbaal van verhoor van getuige-deskundige [B] van 16 oktober 2006 (overgelegd als productie 7b bij conclusie van antwoord).

De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Daartoe is reden gevend dat onvoldoende is onderbouwd dat de gestelde slechte kwaliteit van de blikken (wat daarvan verder ook zij) tot een significante waardevermindering van de kaviaar had geleid indien de kaviaar niet in beslag was genomen doch onmiddellijk was doorverhandeld.

2.13.Het voorgaande betekent dat de rechtbank het eigen schuld verweer van de Staat verwerpt.

Schadeomvang met betrekking tot de kosten rechtsbijstand

2.14.Daargelaten dat Altonaer slechts een niet nader gespecificeerde lijst van gestelde advocaatkosten heeft overgelegd (productie 8, 3e bijlage bij akte van 15 juni 2011), is de rechtbank - met de Staat - van oordeel dat met de toekenning in de 591/591a Sv procedure van € 31.155,07 aan advocaatkosten deze kosten in redelijkheid aan Altonaer zijn vergoed. De door Altonaer gevorderde aanvullende rechtsbijstandskosten van € 134.856,55 (zie onder 3.1. van het tussenvonnis van 23 februari 2011) zal de rechtbank afwijzen.

Proceskosten

2.15.Nu in de onderhavige procedure een belangrijk geschilpunt tussen partijen is geweest of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door de partijen kaviaar in beslag te nemen en deze vraag bevestigend is beantwoord met betrekking tot feit 1 (ten aanzien van de onder r.o. 2.1. genoemde kaviaar), ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten zal dragen.

3.De beslissing

De rechtbank

3.1.veroordeelt de Staat tot betaling aan Altonaer van een bedrag van € 10.000,-,

3.2.verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.3.compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

3.4.wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. Schreuder en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.