Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX6557

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-08-2012
Datum publicatie
05-09-2012
Zaaknummer
373050 - HA RK 10-406
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rijkswet op het Nederlanderschap. Kind naar Ghanees recht niet reeds erkend. (Niet-cumulatieve criteria). Rechtsgeldige erkenning door Nederlander.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 373050 / HA RK 10-406

Beschikking van 16 augustus 2012

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat mr. S.S. Jangali te Amsterdam,

en

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Immigratie- en Naturalisatiedienst),

zetelende te Den Haag,

belanghebbende,

vertegenwoordigd door mr. C.M. Meijer.

Partijen worden hierna aangeduid als '[verzoekster]' en 'de IND'.

1.De procedure

1.1.[verzoekster] heeft op 4 augustus 2010 een verzoekschrift (met bijlagen) ingediend, waarin zij de rechtbank verzoekt vast te stellen dat zij de Nederlandse nationaliteit bezit.

Aanvullingen op het verzoek c.q. nadere stukken zijn ingekomen bij brieven van 13 juli 2011 en 14 maart 2012.

1.2.De IND heeft bij brief van 8 oktober 2010 (met bijlagen) gevraagd om aanvullende informatie. Bij brief van 4 januari 2012 (met bijlagen) heeft de IND geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

1.3.De officier van justitie mr. D. Kortekaas heeft zich bij brief van 27 februari 2012 aangesloten bij het standpunt van de IND. Bij brief van 29 maart 2012 heeft de officier van justitie bericht geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de zitting.

1.4.De mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft plaatsgevonden op 21 juni 2012. Verschenen zijn [verzoekster], [A] en mevrouw [B] als tolk, vergezeld van mr. Jangali. Namens de IND is verschenen mr. Meijer. Mr. Jangali en mr. Meijer hebben pleitnota's overgelegd.

2.De feiten

2.1.[verzoekster] is geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] in Ghana als dochter van (de ongehuwde) [moeder van verzoekster].

2.2.Bij Koninklijk Besluit van 21 maart 1994 is aan [A] het Nederlanderschap verleend.

2.3.In de (gelegaliseerde) op 12 februari 2009 afgegeven `Certified Copy of Entry In Register Of Births', rechtsboven genummerd [nummer] en met entry no. [nummer], staat als vader vermeld: [A], van Ghanese nationaliteit, en als moeder: [moeder van verzoekster], van Ghanese nationaliteit. Uit genoemd stuk blijkt dat de originele registratie van entry no. [nummer] in het geboorteregister plaatsvond op 24 juli 1997 op aangeven van [C].

2.4.Op 27 november 2000 heeft notaris mr. G. Bakker te Diemen een akte van erkenning opgemaakt. Uit die akte blijkt dat [A], ongehuwd, heeft verklaard [verzoekster] te erkennen in de zin van artikel 1:223 (lees: 1:203) van het Burgerlijk Wetboek (BW), zodat tussen hem en [verzoekster] familierechtelijke betrekkingen ontstaan. Blijkens de akte hebben de moeder, [moeder van verzoekster], en [verzoekster] schriftelijk verklaard toestemming te geven voor de erkenning. In de akte is voorts opgenomen dat [A] vooraf heeft verklaard dat van de geboorte van [verzoekster] aangifte is gedaan op 24 juli 1997 onder nummer [nummer].

Op 29 december 2008 heeft notaris mr. P-A.D. Mokkum te Diemen een akte opgemaakt waarin de hiervoor vermelde akte van erkenning wordt gerectificeerd (onder meer) in die zin dat het juiste registratienummer van de geboorteakte van [verzoekster] is [nummer].

3.Het verzoek en het standpunt van de IND

3.1.[verzoekster] voert ter onderbouwing van haar verzoek het volgende aan. Zij is op 27 november 2000 erkend door haar biologische vader [A], die ten tijde van de erkenning de Nederlandse nationaliteit bezat. Op grond van het ten tijde van de erkenning geldende artikel 4 lid 1 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) heeft [verzoekster] van rechtswege de Nederlandse nationaliteit verkregen.

3.2.De IND stelt zich op het standpunt dat de erkenning door [A] nietig is, omdat [verzoekster] op het moment van de erkenning al twee juridische ouders had.

4.De beoordeling

4.1.De IND stelt dat de erkenning nietig is omdat [A] reeds sinds haar geboorte dan wel vroege jeugd als de juridische vader van [verzoekster] kon worden aangemerkt.

4.2.Aangezien [A] ten tijde van de geboorte niet met de moeder van [verzoekster] was gehuwd, dient de vraag te worden beantwoord of tussen [A] en [verzoekster] op andere wijze een familierechtelijke betrekking is ontstaan die op één lijn kan worden gesteld met de familierechtelijke betrekking die naar Nederlands recht ontstaat als gevolg van erkenning door een man van een kind.

Op grond van artikel 10:95 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt de vraag of tussen [verzoekster] en [A] door erkenning familierechtelijke betrekkingen zijn ontstaan bepaald door het recht van Ghana, zijnde de staat waarvan [A] tot 21 maart 1994 de nationaliteit had. De rechtbank zal derhalve ter beantwoording van genoemde vraag Ghanees recht toepassen.

4.3.De rechtbank overweegt over de inhoud van het Ghanees recht het volgende. Naar Ghanees recht vindt erkenning door de vader plaats door middel van een mondelinge of schriftelijke verklaring of een gedraging waaruit erkenning kan worden afgeleid. Dit kan vóór of in het kader van een naamgevingsceremonie, maar kan ook zonder die betreffende ceremonie geschieden. De openbare naamgevingsceremonie vindt in principe op de achtste dag na de geboorte plaats. Hoewel de familie van de moeder de erkenning kan weerspreken, is de openbare naamgevingsceremonie een sterk bewijs van vaderschap (zie losbladige uitgave Bergmann/Ferid, Internationale Ehe- und Kindschaftsrecht, Ghana, blz. 63). Een en ander is nader uitgewerkt in een beslissing van een meervoudige kamer van de familiesector van deze rechtbank van 10 maart 2008 (LJN: BC6198). In die beslissing zijn vier relevante feiten en omstandigheden genoemd die naar Ghanees recht voor de vaststelling van een familierechtelijke betrekking met de man in aanmerking worden genomen. Deze niet-cumulatieve criteria zijn, naast de reeds genoemde naamgevingsceremonie, de vermelding van de naam van de vader op de geboorteakte, het verzorgen en onderhouden van het kind en een verklaring van de moeder over het vaderschap van de man.

De enkele omstandigheid dat een man in de geboorteakte als vader van het kind staat vermeld, kan naar Ghanees recht niet gelden als (volledig) bewijs voor de (on)wettigheid van het kind en wordt dan ook niet op zichzelf aangemerkt als een vorm van (juridische) erkenning van het vaderschap van het kind. In Ghana registreert de ambtenaar van de burgerlijke stand slechts wat hem door de aangever wordt medegedeeld. Hij controleert de op te nemen gegevens niet op juistheid (zie de beslissing van het gerechtshof Leeuwarden van 30 juli 2003, LJN: AI0710).

In de situatie dat een naamgevingsceremonie achterwege is gebleven, kan voor vaststelling van de familierechtelijke betrekking voldoende zijn dat het vader het kind op een gegeven moment - nadat het jaren door een andere man was verzorgd - is gaan behandelen als zijn eigen kind, zijn schoolkosten en medische kosten is gaan betalen en zelfs vervolgens de naam van het kind veranderde in zijn naam (zaak Bentil vs Bentil, Ghana Law Report 1980, p. 285, zoals genoemd in de "legal opinion" van N.K. Kudjawu d.d 31 mei 1985, waarnaar wordt verwezen in voornoemde uitspraak van het gerechtshof Leeuwarden.

4.4.De IND stelt in de eerste plaats dat reeds in 1982 aangifte is gedaan van de geboorte van [verzoekster] en dat die aangifte is gedaan door de moeder van [verzoekster] samen met [A]; hij zou als vader op de toen opgestelde geboorteakte zijn vermeld. De aangifte d.d. 24 juli 1997 zou als een dubbele registratie moeten worden aangemerkt. Een en ander zou blijken uit een verificatie-onderzoek dat in 2000 is verricht.

De rechtbank gaat aan deze stelling van de IND voorbij, nu het uitsluitend verwijzen naar de rapportage van het verificatie-onderzoek onvoldoende is om het feitelijk bestaan van de door de IND bedoelde eerste geboorte-akte in rechte vast te kunnen stellen, laat staan om uit te gaan van de rechtsgeldigheid van bedoelde akte.

4.5 De IND stelt in de tweede plaats dat [verzoekster] door naamgeving de naam van haar biologische vader heeft gekregen en dat daarmee sprake is van erkenning naar Ghanees recht.

De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat een naamgevingsceremonie heeft plaatsgevonden. De enkele stelling dat de naam van verzoekster in de derde klas van de lagere school is gewijzigd van '[andere naam verzoekster]' in [verzoekster] is niet voldoende om te concluderen dat een naamgevingsceremonie heeft plaatsgevonden die is bedoeld als erkenning van vaderschap. Bovendien is niet gebleken dat [A] degene is die verantwoordelijk is voor de naamswijziging.

4.6 De IND stelt ten derde dat [A] [verzoekster] heeft verzorgd en onderhouden.

De rechtbank is van oordeel dat dit niet is komen vast te staan. [A] heeft weliswaar in het kader van de aanvraag van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor [verzoekster] op 29 maart 2005 ten overstaan van de ambtelijke commissie van de IND kennelijk verklaard dat [verzoekster] in verband met het overlijden van haar moeder in zijn gezin opgenomen is geweest en dat hij, ook na vertrek uit Ghana, heeft bijgedragen in haar opvoeding en verzorging, de IND heeft zelf in het daarop genomen besluit (gemotiveerd) geoordeeld dat het gestelde onderhoud niet is aangetoond. Daar komt bij dat de gestelde opname in het gezin van [A] door [verzoekster] zelf wordt weersproken. Zij geeft aan bij haar moeder te zijn opgegroeid en [A] in 1997 voor het eerst te hebben ontmoet. Geld voor haar verzorging heeft haar moeder nooit ontvangen. De door [A] gedane verklaring in het kader van de mvv-aanvraag zou ter zitting niet juist zijn vertaald. De rechtbank overweegt dat de verklaring van [verzoekster] steun vindt in de door de IND overgelegde bescheiden waaruit blijkt dat de moeder van [verzoekster] in ieder geval in 2000 nog niet was overleden.

4.7 De IND stelt ten slotte dat de moeder van [verzoekster] heeft verklaard dat [A] de biologische vader van [verzoekster] is. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het enkele feit dat de moeder dit heeft verklaard, onvoldoende is om vast te stellen dat daarmee een familierechtelijke betrekking is ontstaan die naar Nederlands recht op één lijn kan worden gesteld met een erkenning.

4.8.Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat onvoldoende is gebleken van relevante feiten en omstandigheden waaruit naar Ghanees recht kan worden afgeleid dat [A] [verzoekster] heeft erkend vóór 27 november 2000. De situatie dat [verzoekster] ten tijde van de erkenning reeds twee juridische ouders had, doet zich dus niet voor. Daarmee staat vast dat de erkenning van [verzoekster] in 2000 niet ingevolge artikel 1:204 lid 1 aanhef en onder f BW als nietig moet worden beschouwd.

4.9.Thans dient te worden beoordeeld of ook overigens sprake is geweest van een rechtsgeldige erkenning op 27 november 2000. De vraag of tussen [verzoekster] en [A] door deze erkenning familierechtelijke betrekkingen heeft doen ontstaan wordt bepaald door het recht van Nederland, de staat waarvan [A] inmiddels de nationaliteit bezit. Ingevolge artikel 1:203 lid 1 aanhef en onder b BW kan erkenning geschieden bij notariële akte. Niet gebleken is van een in artikel 1:204 lid 1 genoemde andere nietigheidsgrond dan hiervoor besproken in het kader van het verweer van de IND, zodat geconcludeerd moet worden dat de erkenning op 27 november 2000 rechtsgeldig was. Daarmee heeft [verzoekster] op grond van artikel 4 van de Rijkswet op het Nederlanderschap zoals die tot 1 april 2003 gold per 27 november 2000 het Nederlanderschap verkregen. Het verzoek zal worden toegewezen.

4.10.De IND zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding.

4.11.De verzochte uitvoerbaarverklaring bij voorraad zal worden afgewezen aangezien een beslissing als de onderhavige zich daar niet toe leent.

5.De beslissing

De rechtbank:

-stelt vast dat [verzoekster], geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] in Ghana, vanaf 27 november 2000 de Nederlandse nationaliteit bezit,

-veroordeelt de IND in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [verzoekster] begroot op € 263,-- aan verschotten (griffierecht) en € 904,-- aan salaris advocaat,

-wijst het meer of anders verzochte af.

De IND wordt, gelet op de aan [verzoekster] verstrekte toevoeging, mitsdien veroordeeld om te voldaan:

a. aan de griffier van deze rechtbank:

- € 197,25 voor in debet gesteld griffierecht,

- € 904,-- voor salaris van de advocaat van [verzoekster],

in totaal derhalve € 1.101,25, met welk bedrag de griffier zal dienen te handelen overeenkomstig de wet,

b. aan [verzoekster]:

- € 65,75 voor niet in debet gesteld griffierecht.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.A. Koppen, mr. D.H. von Maltzahn en mr. A.M. Brakel en in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2012.