Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX6455

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-08-2012
Datum publicatie
05-09-2012
Zaaknummer
297376 - HA RK 07-1159
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rijkswet op het Nederlanderschap. Erkenning Ghana. Verzoekster had in Ghana reeds een juridische vader en kon daarom niet meer worden erkend door een Nederlander.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 297376 / HA RK 07-1159

Beschikking van 30 augustus 2012

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat mr. S.S. Jangali te Amsterdam,

en

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Immigratie- en Naturalisatiedienst),

zetelende te Den Haag,

belanghebbende,

vertegenwoordigd door mr. C.J. Cappon.

Partijen worden hierna ook aangeduid met '[verzoekster]' en 'de IND'.

De rechtbank blijft bij al hetgeen is overwogen en beslist in haar beschikking van 10 maart 2009, met dien verstande dat onder 2.1 en onder 2.6 voor de datum van erkenning moet worden gelezen: 4 mei 2000 en onder 2.2. voor de datum van de eerdere beschikking van deze rechtbank moet worden gelezen: 2 maart 2006. Kortheidshalve volstaat de rechtbank nu met verwijzing naar de inhoud van die beschikking.

1.De procedure

Het verdere procesverloop blijkt uit:

- de brieven van mr. S.S. Jangali, advocaat te Amsterdam, van 29 mei 2009, 29 juli 2009 en 28 september 2011;

- de brieven van de IND van 29 mei 2009 en 30 september 2011;

- de brief van de officier van justitie van 20 augustus 2009.

Van de officier van justitie is, ondanks herhaalde verzoeken, geen nadere reactie meer ontvangen.

2.De verdere beoordeling

2.1.Bij beschikking van 10 maart 2009 heeft de rechtbank de beslissing aangehouden om [verzoekster], de IND en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de vraag of er sprake is van een schijnerkenning die in strijd is met de Nederlandse openbare orde.

2.2.Bij verzoekschrift van 17 augustus 2009 heeft de officier van justitie de rechtbank 's-Gravenhage, sector familie- en jeugdrecht, verzocht de erkenning van [verzoekster] door [de erkenner] op 4 mei 2000 ten overstaan van notaris mr. Geert Bakker, nietig te verklaren.

2.3.De officier van justitie is bij beschikking van deze rechtbank van 14 december 2009 niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek aangezien niet is voldaan aan het verzoek van de rechtbank om ontbrekende bescheiden over te leggen. De rechtbank is derhalve niet toegekomen aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek om nietigverklaring.

2.4.In de tussenbeschikking van 10 maart 2009 is onder 2.6 overwogen dat er aanwijzingen zijn dat er sprake is van een schijnerkenning, omdat de moeder van [verzoekster] bij haar binnenkomst in Nederland heeft verklaard dat zij op 10 januari 1971 is gehuwd met [A] en dat er uit dat huwelijk twee kinderen (onder wie [verzoekster]) zijn geboren en omdat nergens valt te lezen dat de erkenner de (vermoedelijke) biologische vader is. Ten slotte is onder 2.6 overwogen dat de nieuwe stukken van [verzoekster] dit niet anders maken. Na voormelde beschikking van 10 maart 2009 heeft mr. Jangali verklaringen overgelegd van de moeder van [verzoekster] en van [de erkenner] (de erkenner), gedateerd op respectievelijk 26 juni 2009 en 20 juli 2009. Deze verklaringen zijn, naar de rechtbank aanneemt, overgelegd om aan te tonen dat er geen sprake is van een schijnerkenning.

2.5.Een eerder verzoek van [verzoekster] tot vaststelling van haar Nederlandse nationaliteit is door deze rechtbank bij beschikking van 2 maart 2006 afgewezen, aangezien - kort gezegd - [verzoekster] al een juridische vader heeft zodat erkenning niet mogelijk was. Nu de erkenning niet op grond van artikel 1:205, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek is vernietigd, dient de rechtbank opnieuw te beoordelen of [verzoekster] ten tijde van de erkenning reeds een juridische vader had. [moeder van verzoekster], de moeder van [verzoekster], heeft zich op 21 oktober 1987 in Nederland gevestigd, komende vanuit Ghana. In de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Amsterdam is opgenomen dat [moeder van verzoekster] op 10 februari 1972 te Accra (Ghana) in het huwelijk is getreden met [A] en dat het huwelijk te Accra door echtscheiding is ontbonden op 9 november 1987. Uit al hetgeen [verzoekster] heeft aangevoerd valt naar het oordeel van de rechtbank niet af te leiden dat voormelde inschrijvingen niet correct zouden zijn. De moeder van verzoekster heeft bij binnenkomst in Nederland zelf verklaard dat zij op 10 januari 1971 is gehuwd met [A] en dat er twee kinderen uit dat huwelijk zijn geboren, onder wie verzoekster. Voorts staat, op één uitzondering na, in alle door verzoekster - ook in de eerdere procedure - overgelegde geboorteakten [A] vermeld als de vader van verzoekster. Ten slotte gaat de rechtbank ervan uit dat de gemeente Amsterdam met het expliciet vermelden van een echtscheidingsdatum de beschikking moet hebben (gehad) over bescheiden waaruit die datum blijkt. In het kader van de onderhavige procedure acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat de moeder van verzoekster ten tijde van de geboorte van verzoekster was gehuwd met [A].

2.6.Section 32-Children of a Marriage van het Ghanese 'Evidence Decree 1975 (NRCD 323)' luidt voorzover van belang:

(1) A child born during the marriage of the mother is presumed to be the child of the person who is the husband of that mother at the time of the birth.

(...)

2.7.Naar Ghanees recht heeft [A] op grond van voormeld artikel te gelden als de juridische vader van verzoekster. Dit leidt tot de conclusie dat verzoekster, nu zij reeds een juridische vader heeft, op 4 mei 2000 niet kon worden erkend door [de erkenner]. Naar Nederlands recht is een erkenning immers nietig, indien zij is gedaan terwijl er twee ouders zijn (artikel 1:204, lid 1, aanhef en onder f, van het Burgerlijk Wetboek). Het verzoek dient derhalve te worden afgewezen.

3.De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.J. Paris, P.A. Koppen en J.J. van der Helm en in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2012.