Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX6390

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-08-2012
Datum publicatie
04-09-2012
Zaaknummer
AWB 12/25511 en AWB 12/25513
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:907, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of verweerder uit objectieve feiten en omstandigheden heeft kunnen afleiden dat eiser niet de intentie had door te reizen naar Nederland, maar verblijf in Malta wenste. De rechter is van oordeel dat uit de genoemde feiten en omstandigheden blijkt dat eiser vanaf zijn vertrek uit Somalië veel (zo niet alles) in het werk heeft gesteld om naar zijn echtgenote in Nederland te kunnen reizen. In dit geval kan uit het indienen van een asielaanvraag in Malta in redelijkheid niet de conclusie worden getrokken dat eiser zich in daar wilde vestigen. Eiser werd op Malta direct in detentie gezet en aangenomen mag worden dat hij, indien hij geen asielaanvraag zou hebben ingediend, door de autoriteiten daar zou zijn teruggestuurd naar zijn land van herkomst. Bovendien heeft eiser zowel vóór het indienen van de asielaanvraag als na het verlenen van de verblijfsvergunning op verschillende manieren en binnen een kort tijdsbestek geprobeerd naar zijn echtgenote in Nederland te reizen. Verweerder heeft zich in redelijkheid niet op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet de intentie had om door te reizen naar Nederland. Geen deugdelijke motivering van het bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Nevenlocatie Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12 / 25511 en AWB 12 / 25513

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank van 28 augustus 2012 in de zaak tussen

[naam], eiser

(gemachtigde: mr. B.W.M. Toemen),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder geweigerd eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) te verlenen. Tevens wordt eiser opgedragen op grond van artikel 62a, derde lid, van de Vw 2000 zich onmiddellijk naar het grondgebied van Malta te begeven.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer AWB 12 / 25511. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter (hierna: de rechter), van de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening teneinde uitzetting hangende het beroep te voorkomen. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is geregistreerd onder zaaknummer AWB 12 / 25513.

De behandeling van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en zijn echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. S. Lachchi-Bissumbhar. Als tolk is ter zitting verschenen L. Hadji Dirir.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op 1 juli 1975 en van Somalische nationaliteit. Eiser heeft op

2 augustus 2012 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen. Aan de afwijzing heeft verweerder het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000 ten grondslag gelegd. Verweerder werpt eiser tegen dat hij in Malta heeft verbleven en hij daar een verblijfsvergunning heeft gevraagd en gekregen. Hieruit blijkt volgens verweerder dat eiser niet de intentie had om naar Nederland te reizen.

3. Eiser is het hiermee oneens. Hij heeft zich (kort samengevat) op het standpunt gesteld dat artikel 31, tweede lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000 niet aan de afwijzing ten grondslag kon worden gelegd. Allereerst, zo betoogt eiser, is dit geen zelfstandige afwijzingsgrond en bovendien had hij wel degelijk de intentie om door te reizen naar Nederland, waar zijn echtgenote verblijft. Eiser heeft verder het standpunt van verweerder over de toepasselijkheid van de Terugkeerrichtlijn bestreden.

4. Ter beoordeling van de rechter ligt thans voor de vraag of het bestreden besluit in zoverre de toets in rechte kan doorstaan.

5. Op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek of de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel kan worden afgewezen, mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling heeft verbleven in een derde land dat partij is bij het Vluchtelingenverdrag en één van de in artikel 30, onder d, bedoelde verdragen en de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat het die verdragsverplichtingen ten aanzien van hem niet nakomt.

6. In artikel 3.106a, eerste lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000), is bepaald dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Wet, slechts wordt afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder d, of met toepassing van artikel 31, tweede lid, onder h, van de Wet, indien, naar het oordeel van Onze Minister, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, de vreemdeling in het betrokken derde land overeenkomstig de volgende beginselen zal worden behandeld:

a. het leven en de vrijheid worden niet bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, en

b. het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag wordt nageleefd, en

c. het verbod op verwijdering in strijd met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling, zoals neergelegd in het internationaal recht, wordt nageleefd, en

d. de mogelijkheid bestaat om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien hij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag.

7. Ingevolge artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb 2000 wordt, voor zover thans relevant, de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Wet slechts afgewezen met toepassing van artikel 31, tweede lid, onder h, van de Wet, indien de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid, worden op grond van artikel 3.106a, derde lid, van het Vb 2000, alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder begrepen de aard, duur en omstandigheden van het eerder verblijf.

8. Ingevolge onderdeel C4/3.8.2 van de Vc 2000 kan op grond van artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb 2000, de asielaanvraag alleen worden afgewezen op grond van artikel 31, tweede lid, onder h, van de Vw 2000, als de vreemdeling een zodanige band heeft met het derde land, dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.

De afwijzingsgrond van artikel 31, tweede lid, onder h, van de Vw 2000, wordt alleen toegepast indien er sprake is van verblijf in een veilig derde land, dus niet als de vreemdeling alleen is doorgereisd door dat land. Er is sprake van verblijf als uit objectieve feiten of omstandigheden is gebleken dat de vreemdeling in het land van herkomst niet de intentie had om naar Nederland te reizen. Als richtlijn wordt de volgende stelregel gehanteerd:

- een verblijf van twee weken of meer in een derde land wijst erop dat de vreemdeling in het land van herkomst niet de intentie had naar Nederland te reizen, tenzij uit objectieve feiten en/of omstandigheden (zoals overgelegde documenten) blijkt dat hij die intentie in het land van herkomst wel had.

- indien de vreemdeling minder dan twee weken in een derde land heeft verbleven, wordt aangenomen dat hij in het land van herkomst de intentie had om naar Nederland te reizen, tenzij uit objectieve feiten/omstandigheden (zoals overgelegde documenten) het tegenovergestelde blijkt. Te denken valt aan reisdocumenten die geen enkele indicatie voor een reis naar Nederland opleveren.

9. Kern van het geschil is de vraag of sprake was van “verblijf” in Malta. Met andere woorden: heeft verweerder uit objectieve feiten en omstandigheden kunnen afleiden dat eiser niet de intentie had door te reizen naar Nederland?

10. Bij de beoordeling van deze vraag gaat de rechter uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser en zijn echtgenote zijn afkomstig uit Mogadishu, Somalië. De echtgenote is in 2009 naar Nederland gevlucht en is hier in juli 2009 het bezit gesteld van een asielvergunning. In februari 2010 heeft ook eiser Mogadishu verlaten en is hij met de kinderen naar Kenia (Nairobi) gegaan. Op 30 april 2010 heeft hij daar (na adviesaanvragen in september 2009) een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ingediend om zijn echtgenote te kunnen nareizen. Deze aanvraag is afgewezen en het hiertegen ingestelde bezwaar en beroep zijn ongegrond verklaard. Vervolgens is eiser in augustus 2011 van Nairobi, via Uganda en Sudan, naar Libië gegaan. Vanuit Libië is hij met een rubber bootje richting Europa gereisd. De autoriteiten van Malta hebben eiser op 15 januari 2012 uit de zee gered en hebben hem in vreemdelingendetentie gezet. Kort daarna heeft eiser aan een medewerkster van Jesuit Refugee Service (JRS, vergelijkbaar met Vluchtelingenwerk) gevraagd contact op te nemen met zijn echtgenote in Nederland en heeft hij te kennen gegeven dat hij met haar herenigd wil worden. De medewerkster heeft hierover op 27 januari 2012 een e-mail gestuurd. De gemachtigde van de echtgenote van eiser heeft naar aanleiding daarvan op 8 februari 2012 een faxbericht naar de IND gestuurd. Hij schrijft daarin dat de echtgenoot op Malta is aangekomen en vraagt om te bevestigen dat er contacten zijn met Malta over de overname van het dossier (van eiser) door Nederland. Vervolgens is eiser in Malta in de gelegenheid gesteld een asielaanvraag in te dienen, hetgeen hij op 15 februari 2012 heeft gedaan. De aanvraag is toegewezen en eiser is op 11 april 2012 in het bezit gesteld van een vreemdelingenpaspoort en op 18 april 2012 van een verblijfsvergunning op grond van subsidiaire bescherming. Na de vergunningverlening is eiser vrijgelaten en heeft hij bij verschillende instanties hulp gezocht om naar zijn echtgenote in Nederland te kunnen reizen. Hij is drie keer naar de heer Philip Calleja, directeur van de Malta Emigrants Commission, gegaan. Eiser heeft de Nederlandse ambassade in Malta bezocht, die hem zeiden dat ze niets konden doen en dat eiser contact op moest nemen met de IND. Ook is eiser naar de politie gegaan. Toen niemand hem meer kon helpen, heeft eiser zelf zijn reis naar Nederland geregeld. Eiser had inmiddels van zijn leefgeld een klein bedrag bij elkaar gespaard. Toen de tickets na de meivakantie voor eiser betaalbaar werden, is hij op 15 mei 2012 vanuit Malta naar Nederland gevlogen.

11. De rechter is van oordeel dat uit al deze feiten en omstandigheden blijkt dat eiser vanaf zijn vertrek uit Somalië veel (zo niet alles) in het werk heeft gesteld om naar zijn echtgenote in Nederland te kunnen reizen. Vanaf september 2009 heeft eiser getracht een mvv te verkijgen om samen met de kinderen zijn echtgenote na te reizen. Na een negatieve beslissing op bezwaar is eiser in augustus 2011 begonnen aan zijn reis naar Europa, waar hij uiteindelijk op 15 januari 2012 is aangekomen. Al tijdens zijn detentie in Malta en nog vóór het indienen van de asielaanvraag heeft eiser geprobeerd contacten te leggen met zijn echtgenote in Nederland en (via haar) met verweerder in verband met overname van zijn asielzaak door Nederland. In dit geval kan uit het indienen van de asielaanvraag dan ook in redelijkheid niet de conclusie worden getrokken dat eiser zich in Malta wilde vestigen. Dit geldt eens te minder nu eiser op Malta direct in detentie werd gezet en aangenomen mag worden dat hij, indien hij geen asielaanvraag zou hebben ingediend, door de autoriteiten daar zou zijn teruggestuurd naar zijn land van herkomst. Voorts heeft eiser ook na het verlenen van de verblijfsvergunning en opheffing van zijn detentie op verschillende manieren en binnen een tijdsbestek van drie tot vier weken geprobeerd naar Nederland te reizen. Allereerst deed eiser dit via officiële instanties. Toen dat tot niets leidde, heeft hij zelf een ticket geboekt en is hij uit Malta vertrokken.

12. Op grond van het voorgaande is de rechter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet de intentie had om door te reizen naar Nederland. Het bestreden besluit ontbeert derhalve een deugdelijke motivering en is daarom genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Op grond van het voorgaande is het beroep gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De overige door eiser aangevoerde beroepsgronden behoeven derhalve geen bespreking meer.

13. Voorts overweegt de rechter dat zij geen aanleiding ziet om verweerder door middel van een bestuurlijke lus op te dragen voormeld gebrek te herstellen, omdat dit gebrek zich hiervoor onvoldoende leent. Daarom zal zij verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

14. De rechter zal het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen, omdat eiser de nieuwe beslissing op de aanvraag mag afwachten.

15. De rechter acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in dit verband, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechter acht in de afwijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, gelet op de gegrondverklaring van het beroep en de reden voor die afwijzing, geen grond gelegen om verweerder niet in de proceskosten, samenhangende met dat verzoek, te veroordelen. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen in deze zaken worden derhalve 3 punten (indiening beroepschrift, indiening verzoekschrift en verschijnen ter zitting) toegekend, met een waarde van € 437,= per punt. Het gewicht van de zaken wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

16. Aangezien niet is gebleken dat ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag te geschieden aan eiser.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 10 augustus 2012;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.311,=, te vergoeden aan eiser;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Nollen, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.M.A. Akkers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

28 augustus 2012.

w.g. mr. M.M.A. Akkers,

griffier

w.g. mr. C.M. Nollen,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 28 augustus 2012

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak op het beroep kan binnen één week na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Tegen de uitspraak op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.