Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX6362

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
03-09-2012
Zaaknummer
412357 - HA ZA 12-161
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gebondenheid aan bindend advies, art. 7:904 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 412357 / HA ZA 12-161

Vonnis van 15 augustus 2012

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. P.J.Ph. Dietz de Loos te Wassenaar,

tegen

de stichting

STICHTING TOT HUISVESTING, VERZORGING EN VERPLEGING VAN OUDEREN EYKENBURG,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J. Peeters-de Vormer te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de stichting genoemd worden.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 27 januari 2012, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- het tussenvonnis van 4 april 2012;

- het proces-verbaal van comparitie (ter plaatse) van 28 juni 2012 en de daarin genoemde stukken.

1.2.Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.Partijen zijn op 1 september 2009 een "overeenkomst zorg aan huis voor cliënten met een AWBZ-indicatie"(hierna: de zorgovereenkomst) aangegaan. Op grond van de zorgovereenkomst heeft de stichting aan [eiseres] zorg verleend tot haar ziekenhuisopname in het Medisch Centrum Haaglanden (hierna: het ziekenhuis) medio augustus 2010. Ten gevolge van de opname in het ziekenhuis is de verzorging uit hoofde van de zorgovereenkomst (tijdelijk) gestaakt.

2.2.Op 30 juli 2010 ([eiseres]) of 4 augustus 2010 (de stichting) hebben [A] en [B] (medewerkers van de stichting) een huisbezoek gebracht aan [eiseres] om met haar over klachten te spreken die zij had geuit over de zorgverlening. Het gesprek heeft ongeveer een uur geduurd. Hierna heeft [eiseres] geklaagd over huisvredebreuk door genoemde medewerkers van de stichting.

2.3.[eiseres] is op 1 september 2010 uit het ziekenhuis ontslagen. Op initiatief van [eiseres] is de overgang van het ziekenhuis naar huis niet door de transferafdeling van het ziekenhuis geregeld. [eiseres] heeft na haar thuiskomst op 1 september 2010 de stichting gebeld en gevraagd of haar zorg kon worden verleend. Gedurende de avond van 1 september 2010 tot omstreeks half 12 de volgende dag is geen zorg verleend.

2.4.[eiseres] heeft op 7 september 2010 een klacht ingediend bij de Klachtencommissie van Eykenburg (hierna: de klachtencommissie). Bij brief van 20 oktober 2010 heeft de klachtencommissie onder andere als haar uitspraak medegedeeld: 'alles overwegende komt de klachtencommissie tot het oordeel dat de klacht van mevrouw [eiseres] gegrond is.' En: 'de vraag of mevrouw [eiseres] materiële schade heeft geleden is door de klachtencommissie niet vast te stellen of te onderbouwen'.

2.5.Naar aanleiding de uitspraak van de klachtencommissie heeft de stichting [eiseres] bericht dat zij bereid is om de daadwerkelijk door [eiseres] geleden materiële schade te vergoeden. Uiteindelijk heeft de stichting van de gevraagde € 2.500,-- aan schadevergoeding € 400,-- vergoed.

2.6.[eiseres] heeft vervolgens geklaagd bij de Geschillencommissie Zorginstellingen (hierna: de geschillencommissie). In deze procedure heeft [eiseres] zich (kort gezegd) op het standpunt gesteld dat zij niet akkoord is met de opstelling van de klachtencommissie en dat zij een vergoeding eist voor de door haar ervaren huisvredebreuk, waarbij zij het totaal van haar materiële en immateriële schade begroot op € 2.500,--. De geschillencommissie heeft op 4 oktober 2011 het geschil ter zitting behandeld. [eiseres] was met afbericht niet aanwezig of vertegenwoordigd.

2.7.Bij beslissing van 4 oktober 2011, aan partijen toegezonden op 29 november 2011, heeft de geschillencommissie bij wege van bindend advies het door [eiseres] gevorderde afgewezen. Deze beslissing zal hierna worden aangeduid als: het bindend advies.

3.Het geschil

in conventie

3.1.[eiseres] vordert - samengevat -

a. een vernietiging van de uitspraak van de geschillencommissie en een verklaring voor recht dat deze uitspraak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is; b. veroordeling van de stichting tot betaling van € 2.500,--, vermeerderd met rente en proceskosten.

3.2.De stichting voert verweer.

3.3.Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.De stichting vordert - samengevat -

a. veroordeling van [eiseres] tot betaling van € 400,--, vermeerderd met rente - deze vordering betreft reputatieschade -;

b. veroordeling van [eiseres] tot betaling van € 1.368,88,--, vermeerderd met rente - deze vordering betreft de kosten van een mediatraining -;

c. een bevel aan [eiseres] zich niet (opnieuw) publiekelijk, eenzijdig negatief over de stichting uit te laten, op straffe van een dwangsom;

d. veroordeling van [eiseres] tot betaling van € 6.920,18, vermeerderd met rente - deze vordering betreft advocaatkosten tot 1 maart 2012;

e. veroordeling van [eiseres] tot betaling van de advocaatkosten vanaf 1 maart 2012,

f. een verklaring voor recht dat voor zover er in conventie een bedrag aan schadevergoeding wordt toegewezen, dit bedrag kan worden verrekend met de in reconventie toegewezen bedragen, alles kosten rechtens.

3.5.[eiseres] heeft niet van conclusie van antwoord in reconventie gediend, zij heeft haar verweer mondeling uiteengezet ter gelegenheid van de comparitie van partijen.

3.6.Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie

4.1.Het geschil tussen partijen spitst zich toe op het bindend advies van de geschillencommissie. Hiervan vordert [eiseres] vernietiging. Niet in geschil is het onder 2.4 weergegeven oordeel van de klachtencommissie van Eykenburg. Evenmin is in geschil dat er geen verband bestaat tussen de procedure voor de klachtencommissie en de geschillencommissie. Dat betekent dat die onderdelen van de dagvaarding die zien op de procedure voor en de beslissing van de klachtencommissie geen bespreking behoeven.

4.2.Gelet op artikel 7:900 leden 1 en 2 BW moet het bindend advies worden aangemerkt als een beslissing als bedoeld in artikel 7:904 BW. Uit het eerste lid van dat artikel volgt dat het bindend advies (slechts) vernietigbaar is indien gebondenheid van [eiseres] daaraan, in verband met de inhoud of de wijze van totstandkoming daarvan, in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Uitgangspunt bij het hanteren van vorenbedoelde maatstaf is dat een bindend advies door de rechter slechts marginaal kan worden getoetst; de beslissing is slechts dan aantastbaar indien de beslissende persoon, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, in redelijkheid niet tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Van een hoger beroep is geen sprake. Gebondenheid is regel en strijd met de redelijkheid en billijkheid vormt een uitzondering. Daarbij dient te gelden dat enkel ernstige gebreken in de beslissing aanleiding kunnen vormen tot vernietiging (vergelijk onder meer Hoge Raad 22 december 2009, NJ 2010, 18).

4.3.Het voorgaande in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende aanleiding bestaat voor vernietiging van het bindend advies. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

4.4.Niet is gesteld of gebleken dat de geschillencommissie essentiële vormen heeft veronachtzaamd. De rechtbank begrijpt de stellingen van [eiseres] als volgt. Volgens [eiseres] is de beslissing van de geschillencommissie in strijd met de redelijkheid en billijkheid omdat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de zorgovereenkomst, die zodanig is dat het niet redelijk is dat haar niet het gevorderde bedrag van € 2.500,-- wordt uitbetaald. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat sprake is van een resultaatsverbintenis en dat de geschillencommissie ten onrechte een inspanningsverbintenis heeft aangenomen. Voorts stelt [eiseres] dat de geschillencommissie ten onrechte niet in haar beoordeling heeft betrokken dat twee medewerkers van de stichting op 30 juli 2010 haar woning zijn binnengedrongen (aangeduid als "de huisvredebreuk").

4.5.Deze klachten van [eiseres] betreffen voornamelijk de waardering door de geschillencommissie van de door haar bij die commissie neergelegde klacht. Nu de onderhavige procedure niet het karakter heeft van een hoger beroep kan de rechtbank in die waardering alleen treden indien de geschillencommissie evidente fouten heeft gemaakt of haar oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Van evidente fouten is geen sprake. Terecht heeft de geschillencommissie geoordeeld dat sprake is van een inspanningsverbintenis waar het de zorovereenkomst betreft. De motivering van de geschillencommissie kan haar oordeel dat niet kan worden geconstateerd dat de zorgaanbieder zich onvoldoende heeft ingespannen dragen. Voor het verwijt dat de geschillencommissie "de huisvredebreuk" niet in haar oordeel heeft betrokken bestaat geen grond. Op pagina 2 van het bindend advies is het standpunt van [eiseres] ter zake juist opgenomen. De geschillencommissie heeft vervolgens bij haar oordeel betrokken dat [eiseres] de medewerkers niet heeft gesommeerd haar woning te verlaten en dat na het binnentreden van de woning is gepraat over de zorgovereenkomst. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft [eiseres] over een sommatie niet gesproken en bevestigd dat is gesproken over haar klachten met betrekking tot de uitvoering van de zorgovereenkomst, waarbij dat gesprek ongeveer een uur heeft geduurd. Het oordeel van de geschillencommissie is op dit punt dus juist. De motivering van de geschillencommissie kan haar oordeel dragen.

Dat de beslissing van de geschillencommissie op enig punt in strijd komt met goede zeden of openbare orde (artikel 7:902 BW) is niet gesteld en ook niet gebleken.

4.6.Uit het voorgaande volgt dat geen van de bezwaren van [eiseres] doel treft. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat niet kan worden gezegd dat gebondenheid aan de beslissing in verband met de inhoud of de wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Gezien het voorgaande behoeft hetgeen de stichting heeft aangevoerd over het financiële nadeel dat zij lijdt als zij de beslissing moet nakomen, geen bespreking.

4.7.De slotsom is dat er geen aanleiding is voor vernietiging van de beslissing van de geschillencommissie en dat de vordering van [eiseres] in conventie niet toewijsbaar is. Bij deze uitkomst past dat [eiseres], als de in het ongelijk gestelde partij, wordt veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van de stichting worden begroot op € 575,-- aan verschotten en € 768,-- aan salaris advocaat (2 punten x tarief € 384,--). Aan bewijslevering komt de rechtbank niet toe.

In reconventie

4.8.[eiseres] heeft de reconventionele vordering onder a. gemotiveerd betwist. De rechtbank acht het wel aannemelijk dat uitlatingen van [eiseres] in de Posthoorn geen positief beeld hebben gegeven van de werkzaamheden van de stichting, maar de stichting heeft tegenover de gemotiveerde betwisting van [eiseres] de vordering onvoldoende geconcretiseerd. De stichting geeft aan dat zij verschillende aanmeldingen door potentiële bewoners en/of gebruikers van zorg is misgelopen, maar zij specificeert dat niet nader. Zo is niet gesteld of gebleken dat cliënten die al contact hadden over zorgverlening door de stichting zich door de uitlatingen van [eiseres] hebben teruggetrokken. Ook is het gevorderde schadebedrag onvoldoende onderbouwd. De vordering onder a. dient te worden afgewezen.

4.9.[eiseres] heeft de reconventionele vordering onder b. ook gemotiveerd betwist. Haar verweer slaagt. Van een organisatie als de stichting mag worden verwacht dat haar bestuurder in staat is de media voldoende vakkundig te woord te staan, ook onder omstandigheden als hier in geding. Dat extra training nodig was betekent dat de benodigde basis kennelijk ontbrak, maar dat kan niet als een gevolg van het handelen van [eiseres] te harer lasten worden gebracht.

4.10.[eiseres] heeft de reconventionele vordering onder c. niet betwist. De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat [eiseres] over hetgeen is voorgevallen nogmaals de publiciteit zoekt, hetgeen meebrengt dat de stichting een redelijk belang heeft bij het gevorderde, zodat dit toewijsbaar is. De rechtbank zal bij de toewijzing van dit deel van het gevorderde wel een nadere beperking aanbrengen. Ook zal de dwangsom, waartegen geen verweer is gevoerd, worden beperkt en gemaximeerd.

4.11.Het gevorderde onder d. en e. vindt zijn grondslag in door de stichting gesteld misbruik van procesrecht. De rechtbank kan zich niet geheel aan de indruk onttrekken dat [eiseres] de onderhavige procedure heeft ingesteld uit onvrede met de beslissing van de geschillencommissie en dat zij deze beschouwt als een hoger beroep, waarvoor de procedure niet in het leven is geroepen. Die indruk wordt versterkt waar de advocaat van [eiseres] ter comparitie heeft verklaard dat het haar erom ging dat haar cliënte "haar zegje kon doen". Voorts betreft het processueel belang een zeer beperkt belang, het verschil tussen de door de stichting vergoede schade en de gevorderde vergoeding bedraagt slechts € 2.100,--. Anderzijds voorziet de wet in de mogelijkheid voor partijen die aan een bindend advies gebonden zijn dat bindend advies ter beoordeling aan de rechtbank voor te leggen. Dat [eiseres] van deze mogelijkheid gebruik heeft willen maken kan haar niet worden tegengeworpen. Bovendien kan het verschil tussen de toegekende en de gevorderde schadevergoeding voor [eiseres], die op basis van een toevoeging procedeert, wel degelijk relevant zijn en moet de forfaitaire proceskostenveroordeling voldoende worden geacht als vergoeding voor de kosten van de stichting. Dit alles bij elkaar genomen acht de rechtbank onvoldoende grond aanwezig voor het oordeel dat [eiseres] misbruik heeft gemaakt van haar processuele rechten. Dit deel van het gevorderde dient ook te worden afgewezen.

4.12.Nu een deel van het gevorderde in reconventie wordt toegewezen bestaat aanleiding [eiseres] in de kosten hiervan te veroordelen. Deze worden voor de stichting tot op heden begroot op € 192,-- (1/5 punt tarief € 384,--). Aan het bewijsaanbod komt de rechtbank niet toe.

In conventie en in reconventie

4.13.De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld. Daarbij zal de termijn voor vrijwillige voldoening aan het vonnis worden gesteld op 14 dagen gelet op de financiële positie van [eiseres]. Voorts zullen eenmaal nakosten worden toegewezen in conventie, waarbij rekening wordt gehouden met de proceskosten in reconventie.

5.De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.wijst de vorderingen af,

5.2.veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van de stichting tot op heden begroot op € 575,00 aan verschotten en € 768,-- aan salaris advocaat,

5.3.veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 205,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.5.beveelt [eiseres] zich niet (opnieuw) publiekelijk, eenzijdig negatief over Eykenburg uit te laten over de materie die in dit geding aan de orde is geweest, zulks op straffe van een dwangsom ter grootte van € 50,-- per voorval, met een maximum van € 1.000,--,

5.6.veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van de stichting tot op heden begroot op € 192,--,

5.7.verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.M. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2012.