Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX6251

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-08-2012
Datum publicatie
31-08-2012
Zaaknummer
420303FARK12-4065
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Benoeming bijzonder curator

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2012-0052

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 12-4065

Zaaknummer: 420303

Datum beschikking: 9 augustus 2012

Benoeming bijzondere curator

Beschikking op het op 31 mei 2012 ingekomen verzoekschrift van:

[de vader],

de vader,

wonende te [woonplaats vader],

advocaat: mr. Th.Th.M.L. Boersema te Maassluis.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M.R.P. Hoppenbrouwers

en

[de minderjarige],

de minderjarige,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder het verzoekschrift.

De minderjarige [de minderjarige], heeft zich bij brief d.d. 12 juni 2012 schriftelijk uitgelaten over het verzoek.

Op 5 juli 2012 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaten van partijen.

Na de terechtzitting heeft de rechtbank ontvangen de brieven d.d. 5 resp. 9 juli 2012 van de zijde van de vader.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot benoeming van een bijzondere curator om de minderjarige [de minderjarige], in rechte en buiten rechte te vertegenwoordigen.

De moeder heeft ter terechtzitting verweer gevoerd, welk verweer hierna - voor zover nodig - zal worden besproken.

Feiten

- Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest tot [datum echtscheiding] 2003.

- Uit dit huwelijk is het volgende thans nog minderjarige kind geboren:

- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

- De minderjarige heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.

- De moeder is alleen met het ouderlijk gezag over de minderjarige belast.

Beoordeling

Gelet op artikel 3, vierde lid, van de Wet griffierechten burgerlijke zaken is verzoeker griffierecht verschuldigd vanaf de indiening van het verzoekschrift en dient hij ervoor te zorgen dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de behandeling plaatsvindt dan wel ter griffie is gestort. De vader heeft het verschuldigde griffierecht niet tijdig voldaan.

De advocaat van de vader heeft gesteld geen nota voor het griffierecht te hebben ontvangen, behoudens op 9 juli 2012 een eerste aanmaning, en heeft het verschuldigde griffierecht ten bedrage van € 73,-- op 6 juli 2012 alsnog betaald.

De rechtbank stelt voorop dat de ontvangst van het verzoekschrift schriftelijk is bevestigd, het griffierecht van rechtswege is verschuldigd en het aan de vader was om zorg te dragen voor tijdige betaling. Naar het oordeel van de rechtbank is geen plaats voor toepassing van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 282a, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dat de factuur van de rechtbank de advocaat mogelijk niet heeft bereikt, ontslaat de vader niet van zijn verplichting het griffierecht tijdig te voldoen. Deze omstandigheid komt immers voor risico van de vader, aangezien zijn advocaat geacht wordt bekend te zijn met de hier geldende wettelijke regels en de kantoorvoering aldus in te richten dat die regels kunnen worden nageleefd. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 april 2011, LJN: BQ7561.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vader niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank ziet echter aanleiding om ten overvloede ook overwegingen aan de inhoud van de zaak te wijden.

Artikel 1:250 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt - kort gezegd en voor zover hier van belang - dat de rechter een bijzondere curator kan benoemen wanneer in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van een minderjarige de belangen van de met het gezag belaste ouder(s) in strijd zijn met die van de minderjarige, en hij die benoeming in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht. Daarbij neemt de rechter in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 1:250 BW bepaalt dat de rechtbank zowel ambtshalve als op verzoek van een belanghebbende een bijzondere curator kan benoemen. Om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt, moet de betrokkene rechtstreeks in zijn of haar rechten en plichten worden geraakt. De rechtbank overweegt dat, anders dan door de moeder is betoogd, de vader in het onderhavige geval is aan te merken als belanghebbende nu hij, ook als niet gezaghebbende ouder, in beginsel recht heeft op omgang met en informatie over de minderjarige, tenzij bij rechterlijke uitspraak anders wordt bepaald.

Voor zover het verzoek ziet op benoeming van een bijzondere curator teneinde een omgangsregeling vast te stellen, overweegt de rechtbank als volgt.

De minderjarige heeft schriftelijk aan de rechtbank meegedeeld dat hij geheel niets met zijn vader te maken wil hebben. De advocaat van de moeder stelt dat de minderjarige heel afwijzend is ten opzichte van contact met zijn vader.

Wat ook zij van de stelling van de vader dat de moeder debet is aan het standpunt van de minderjarige, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de minderjarige thans geen contact met zijn vader wil. Gelet op de leeftijd van de minderjarige alsmede de stelligheid waarmee hij zijn standpunt in een brief aan de rechtbank tot uiting heeft gebracht, is de rechtbank van oordeel dat het vaststellen van een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige thans niet in het belang van de minderjarige is. Nu ook de moeder als enige gezagsouder geen omgangsregeling wenst, is geen sprake van een belangenstrijd tussen de minderjarige en zijn gezagsouder zoals bedoeld in artikel 1:250 BW.

Voor zover het verzoek van de vader ziet op het benoemen van een bijzondere curator teneinde een informatieregeling vast te stellen, overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat de door de vader gewenste informatieregeling op dit moment niet in het belang van de minderjarige is. Ter zitting is gebleken dat bij de moeder nog steeds grote angst voor de familie van de vader bestaat en dat zij bang is dat de vader en zijn familie de door haar te verstrekken informatie zullen gebruiken om haar te vinden. De rechtbank overweegt dat wat ook zij van de vraag of deze angst gerechtvaardigd is, de spanningen die een door de rechtbank op te leggen informatieregeling bij de moeder zal opwekken een dergelijke negatieve invloed zullen hebben op de voor zijn verzorging en opvoeding van zijn moeder afhankelijke minderjarige, dat die informatieregeling daarmee niet in het belang van de minderjarige is. Daarmee is ook in zoverre geen sprake van een belangenstrijd als bedoeld in artikel 1:250 BW.

Nu de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van een belangenstrijd tussen de minderjarige en de moeder, de enige gezagsouder, biedt artikel 1:250 BW geen grond om over te gaan tot benoeming van een bijzondere curator. Dit betekent dat ook in het geval de rechtbank de vader wel ontvankelijk zou hebben verklaard, het verzoek zouden zijn afgewezen.

De rechtbank zal beslissen als na te melden.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, bijgestaan door D. van den Born als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 augustus 2012.