Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX6228

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
31-08-2012
Zaaknummer
411379 - HA ZA 12-113
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Repatriëring van tbs-er (ongewenst verklaarde vreemdeling) onrechtmatig van de Staat tegenover door tbs-er bedreigde ex-echtgenote en zoon? Onvolledige of onjuiste informatie verstrekt aan het hof dat in beroep oordeelde over verlenging van tbs, onrechtmatig?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 411379 / HA ZA 12-113

Vonnis van 1 augustus 2012 bij vervroeging

in de zaak van

1. [A1],

wonende te [woonplaats],

2. [A2] (thans na naamswijziging: [A2]),

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. R.J.C. Bindels te Amsterdam,

tegen

de publieke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(MINISTERIE VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna mevrouw [A1], de heer [A2], (tezamen:) [A] c.s. en de Staat genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van [A] c.s. van 11 januari 2012, met producties;

- de conclusie van antwoord van de Staat, met producties,

- het tussenvonnis van 16 mei 2012, waarin een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 9 juli 2012.

1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [B] (verder: [B ]) is met eisers (zijn toenmalige echtgenote en zijn zoon) in 1990 van Kosovo naar Nederland verhuisd. Nadat hij eerder in Kosovo een levensdelict had gepleegd heeft [B ] in Nederland in 1993 andermaal een levensdelict gepleegd, waarvoor hij in 1994 is veroordeeld tot gevangenisstraf en tbs.

2.2. [B ] is in het kader van de tbs opgenomen in diverse tbs-klinieken. Uiteindelijk is hij terechtgekomen in de longstay-afdeling van Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) Veldzicht (hierna: Veldzicht).

2.3. Op 1 april 2008 is aan [A] c.s. namens Veldzicht kenbaar gemaakt dat ernaar gestreefd werd [B ] te repatriëren naar Kosovo. De reden hiervoor was dat [B ] - in Nederland tot ongewenste vreemdeling verklaard - nooit in aanmerking zou komen voor verloven en derhalve nooit in Nederland zou kunnen resocialiseren, zodat de enige optie in Nederland een kostbare levenslange behandeling in een tbs-instelling was.

2.4. De "Aanwijzing TBS bij vreemdelingen" (een aanwijzing in de zin van artikel 130 lid 4 Wet RO) die van kracht was in 2008, luidde, voor zover relevant als volgt:

"(...)

Ter beschikking gestelde (hierna: TBS-gestelde) vreemdelingen van wie vaststaat of aannemelijk is dat zij op grond van de Vreemdelingenwet uit Nederland zullen worden verwijderd nadat zij de gevangenisstraf hebben uitgezeten en/of de TBS-maatregel hebben ondergaan, stellen de TBS-klinieken vaak voor grote problemen, met name in de behandelingssfeer. De vreemdelingenstatus oefent in hoge mate invloed uit op de behandelingsmogelijkheden van de betrokken patiënt, terwijl in veel gevallen ook de taal-en cultuurbarrière een factor is die zeer remmend werkt. Een essentieel onderdeel van de behandeling is het geleidelijk toekennen van bewegingsvrijheid (voor zover verantwoord). De verlofmogelijkheden zijn echter voor deze categorie patiënten beperkt zo niet nihil omdat de vluchtgevaarlijkheid in verband met de (nog onzekere) verblijfsstatus in zijn algemeenheid ernstig dient te worden genomen en het verlofbeleid bovendien gericht is op resocialisatie in de Nederlandse samenleving. Aan vreemdelingen van wie definitief vaststaat dat zij Nederland na het einde van de maatregel dienen te verlaten wordt om die reden in het geheel geen verlof verleend, een en ander conform het verlofkader TBS-gestelden. Mede hierdoor loopt de behandeling na kortere of langere tijd vast.

(...)

Wanneer de TBS-maatregel wel wordt opgelegd, zal door IND/DJI in samenspraak met DGIAV/BIRS en het OM worden bevorderd dat TBS-gestelden die geen rechtmatig verblijf (meer) in Nederland hebben op verantwoorde wijze worden overgedragen naar het land van herkomst. In de meeste gevallen zal het om uitzetting gaan na (tussentijdse) beëindiging van de TBS-maatregel. In een enkel geval is ook de overdracht van de executie van de TBS-maatregel zelf realiseerbaar. De WOTS (Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen, rb.) biedt hiervoor naar Nederlands recht de basis. De nationale wetgeving van de betreffende Staat dient aan overname van de executie niet in de weg te staan. Als het verzoek op een verdrag kan worden gegrond, zal de minister de bepalingen van dit verdrag in acht nemen. (...)"

2.5. In een brief van de staatssecretaris van Justitie van 25 maart 2008, gericht aan de Tweede Kamer, schreef de staatssecretaris over "illegalen in de tbs" onder meer het navolgende:

"De primaire doelstelling van de tbs is de beveiliging van de samenleving. De tbs wordt opgelegd aan personen die lijdend aan een psychische stoornis een ernstig delict hebben gepleegd. Behandeling van de stoornis is noodzakelijk om het recidivegevaar terug te brengen. Niet de rechtmatigheid van het verblijf is bepalend voor de oplegging van de tbs, maar de stoornis en het delictgevaar. Ik kies er nadrukkelijk voor de mogelijkheid van de tbs te behouden voor illegale vreemdelingen.

Ook bij de afweging of de tbs-gestelde ongewenste vreemdeling moet worden uitgezet, staat veiligheid centraal. Niet alleen de veiligheid van de Nederlandse samenleving maar ook die van het land waarnaar wordt uitgezet. Uitzetting vindt alleen plaats indien dit op een verantwoorde wijze kan geschieden. Indien verantwoorde uitzetting van een tbs-gestelde niet mogelijk is, kan plaatsing in de longstay geïndiceerd zijn. Dit verhoudt zich met de primaire doelstelling van de tbs, de beveiliging van de samenleving."

Een vergelijkbare verklaring was vervat in de brief die dezelfde staatssecretaris aan de Tweede Kamer, ter begeleiding van het aan de kamer aangeboden onderzoeksrapport "Ongewenst verklaarde vreemdelingen in de tbs", zond op 24 juni 2008.

2.6. In opdracht van het Wetenschappelijke Onderzoek- en Documentatie Centrum van het Ministerie van Justitie heeft Regioplan Beleidsonderzoek in maart 2008 een rapport uitgebracht onder de titel "Ongewenst verklaarde vreemdeling in de TBS". Het rapport behelst een evaluatie van de tbs-voorziening voor ongewenst verklaarde vreemdelingen.

Op bladzijde 32 van het rapport merken de onderzoekers, over repatriëring van de tbs-gestelde anders dan op basis van de WOTS, onder meer het navolgende op:

"Wat een passende voorziening is, verschilt sterk tussen landen en de situatie van de tbs-gestelde. Bij nog aanwezige delictgevaarlijkheid moet er een opvang met beveiliging zijn. Voor een tbs-gestelde met een psychotische stoornis die psychiatrische opvang nodig heeft, is een plek in een FPC of een soortgelijke voorziening nodig. In geval het om een goed ingestelde psychotische tbs-gestelde gaat die niet meer delictgevaarlijk is, is de aanwezigheid van medicijnen, ambulante begeleiding door een hulpverlener en opvang door familie mogelijk voldoende."

2.7. In het multidisciplinair rapport van 20 augustus 2007 waarin psycholoog Geurkink en psychiater Offermans advies uitbrachten over de wenselijkheid van verlenging van de tbs van [B ] is op bladzijde 23 vermeld:

"Op grond van bovenstaande overwegingen achten de rapporteurs het wenselijk en noodzakelijk dat de pogingen om betr. naar adequate psychiatrische voorzieningen in Kosovo gerepatrieerd te krijgen met alle mogelijk(e) inzet gecontinueerd zullen worden, waarbij zoveel als mogelijk betr.'s aldaar verblijvende familieleden bij dit proces betrokken dienen te worden. Essentieel zal voorts zijn dat betr. zijn antipsychotische medicatie continueert, daar het staken hiervan op korte termijn nl. tot een terugval in een bloeiend psychotisch beeld zal kunnen leiden waardoor opnieuw sprake zal zijn van een verhoogd recidivegevaar. Er zijn thans contacten tussen FPC Veldzicht en betr.'s familieleden om de mogelijkheden van een terugkeer van betr. naar Kosovo te verwezenlijken, waarbij vooral van belang lijkt dat er een psychiater aldaar gevonden wordt die daadwerkelijk bereid zal zijn om zijn schouders onder de zaak van betr. te zetten."

2.8. Aan Kosovo kon de executie van tbs niet op grond van de WOTS worden overgedragen.

2.9. Veldzicht heeft de repatriëring van [B ] voorbereid en met derden afspraken gemaakt over zijn opvang in Kosovo.

2.10. Op 14 april 2008 heeft het gerechtshof te Arnhem (hierna: hof), op een door [B ] ingesteld beroep, een beslissing van de rechtbank te Middelburg van 16 oktober 2007 vernietigd en in hoger beroep de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling van [B ] met de duur van een jaar, alsnog afgewezen. De beslissing luidt, voor zover relevant, als volgt:

"(...)

Betrokkene is in Nederland tot ongewenst vreemdeling verklaard. Gelet op die status wordt in de praktijk van de tenuitvoerlegging van de maatregel door de Minister van Justitie geen machtiging tot het verlenen van enige vorm van verlof verleend. Dit brengt mee dat het voortduren van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging in Nederland voor betrokkene in die zin uitzichtloos zal zijn, dat resocialisatie in Nederland niet mogelijk zal zijn. De kliniek (Veldzicht, rb.) heeft zich derhalve ingespannen om een terugkeerregeling voor betrokkene naar Kosovo te realiseren, zodat betrokkene aldaar zal kunnen resocialiseren.

Ter terechtzitting van het hof is gebleken dat bij terugkeer van betrokkene naar Kosovo, psychiater Berisha bereid is betrokkene te behandelen en te monitoren. Betrokkene zal zelfstandig gaan wonen in [stad], onder toezicht en begeleiding van zijn familie. Overdag zal betrokkene naar een dagactiviteitencentrum gaan dat is gericht op de resocialisatie en integratie van betrokkene in de maatschappij. Aldaar staat betrokkene onder begeleiding van een verpleegkundige en een psychiater. De familie van betrokkene is bereid de vereiste medicatie voor betrokkene te bekostigen. Betrokkene heeft aangegeven dat hij naar Kosovo wenst terug te keren, zich zal inzetten voor de behandeling aldaar en de adviezen van psychiater Berisha zal opvolgen. Getuige-deskundige De Vries heeft ter terechtzitting aangegeven dat het recidiverisico zodanig is teruggebracht dat de terugkeer naar Kosovo met de daarbij horende begeleiding verantwoord wordt geacht.

Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat sprake is van een passende voorziening voor betrokkene in Kosovo die met voldoende waarborgen is omkleed. Het hof is er voldoende van overtuigd dat de zorg in Kosovo, zoals deze hiervoor is besproken, toereikend is.

(...)"

2.11. [B ] is feitelijk op 15 mei 2008 gerepatrieerd.

2.12. [A] c.s. zijn, nadat [B ] is gerepatrieerd, verhuisd naar een geheim te houden adres in Nederland.

De Staat heeft een bijdrage in de verhuiskosten voldaan van € 3.000,-.

2.13. Naar aanleiding van kritische beschouwingen in het programma Netwerk, ultimo 2009, over de repatriëring van [B ], zijn twee onderzoeksrapporten uitgebracht: het "Onderzoeksrapport repatriëring patiënt I." dat in februari 2010 is uitgebracht in opdracht van de algemeen directeur van Veldzicht, en het rapport "FPC Veldzicht - Repatriëring tbs-gestelde 2008", met als subtitel: "Inspectierapport, Incidentenonderzoek", van mei 2010, welk rapport is uitgebracht door de Inspectie voor de Sanctietoepassing (IST) met een bijdrage van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ).

De conclusie (onderdeel 3.5) van het rapport van de IST luidt als volgt:

"Alles overziend is de repatriëring van I. naar Kosovo inhoudelijk goed voorbereid en uitgevoerd. Er is sprake geweest van adequate risicotaxatie en van een daarop aansluitend risicomanagement. Veldzicht heeft zich zeer ingespannen om in een weinig stabiel land als Kosovo toch passende psychiatrische zorg te regelen. De geplande en uiteindelijk gerealiseerde opvang en begeleiding in Kosovo voldeden aan de door de kliniek gestelde veiligheidseisen.

Buitengewoon lastig was dat de aanvankelijk beoogde psychiater die I. in Kosovo zou begeleiden, zich vlak voor de beslissing van het gerechtshof in Arnhem tot beëindiging van de tbs van I. terugtrok. Ook al is er naderhand een passende vervanging tot stand gekomen, de kliniek had deze ontwikkeling moeten melden aan de rechterlijke macht. Nu heeft het gerechtshof zich in zijn arrest ten onrechte gebaseerd op het behandelplan van de oorspronkelijke psychiater.

Naar de mening van de Inspecties is er nog tweede omissie geweest. De ex-vrouw en de zoon van I. hebben bij een kliniekmedewerker vertrouwelijk melding gemaakt van bedreigingen door I. De betrokken medewerker heeft deze informatie op dringend verzoek van betrokkenen niet verder binnen de kliniek gedeeld. De Inspecties vinden dit onjuist. De betreffende informatie had een belangrijke rol moeten kunnen spelen bij het risicomanagement van I. Dat is nu niet gebeurd."

3. Het geschil

3.1. [A] c.s. vorderen bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad (behoudens een veroordeling in de proceskosten) samengevat:

* een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens eisers door de tbs van de tbs-gestelde [B ] in mei 2008 op te (laten) heffen en [B ] uit de FPC Veldzicht kliniek te laten vertrekken, althans onrechtmatig heeft gehandeld jegens eisers door onvoldoende toezicht uit te oefenen op, althans onverantwoorde beslissingen te nemen ten aanzien van de repatriëring van [B ] (in Kosovo);

* veroordeling van de Staat tot betaling van immateriële schadevergoeding ten bedrage van € 12.500,- aan ieder van eisers en een materiële schadevergoeding van € 8.000,-, (in verband met verhuiskosten en andere veiligheidsmaatregelen en de schade wegens studievertraging van de heer [A2]) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2008 tot de dag der algehele voldoening.

3.2. [A] c.s. leggen aan hun vordering, kort weergegeven, het volgende ten grondslag.

Zij zijn van mening dat Veldzicht - waarvoor de Staat verantwoordelijk is - in strijd met de wettelijke beleidskaders, en uiterst onzorgvuldig heeft gehandeld jegens de veiligheid van de Nederlandse en internationale samenleving in het algemeen en eisers in het bijzonder, door de tbs van [B ], die behoort tot de "zware tbs-gevallen", in Nederland te beëindigen en hem naar Kosovo te repatriëren. [A] c.s. wijzen met name op de volgende omstandigheden:

* voor [B ] is tijdens zijn verblijf in de Van Mesdagkliniek tot twee keer toe een aanvraag gedaan voor plaatsing op een longstay-afdeling, gezien het voortdurende gevaar dat [B ] vormde;

* psychiater Didden, gezant van het Rode Kruis, tevens directeur van de Kosovo Health Foudation, achtte het onverantwoord dat [B ] werd gerepatrieerd en in Kosovo zou leven in een onbeschermde situatie zonder enige begeleiding;

* de destijds door Veldzicht benaderde psychiater in Kosovo, Bujar Berisha, heeft - nadat hij zich aanvankelijk bereid had verklaard [B ] in Kosovo onder zijn hoede te nemen - later te kennen gegeven dat [B ] naar zijn mening niet door een privé kliniek in Kosovo begeleid zou kunnen worden;

* de Afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken (AIRS) van het ministerie van justitie heeft, gevraagd naar de mogelijkheden om [B ] verantwoord terug te laten keren naar Kosovo, verklaard niet in staat te zijn tot een GGz-opname in Kosovo, wegens het ontbreken van centraal gezag;

* naar de mening van de directeur van het Community Based Mental Health Center in Kosovo, [ directeur ], kon behandeling van [B ] niet op verantwoorde wijze plaatsvinden;

* maatschappelijk werker [C] van Veldzicht, die zeer nauw betrokken was bij de repatriëring van [B ], was ervan op de hoogte dat [B ] zich, ook tijdens zijn verblijf in Veldzicht, schuldig bleef maken aan ernstige bedreigingen en intimidaties aan het adres van [A] c.s., terwijl [C] die wetenschap ten onrechte voor zich heeft gehouden;

* [B ] was al dadelijk na zijn repatriëring spoorloos;

* er zijn voor [B ] geen medicijnen in Kosovo beschikbaar.

[A] c.s. menen dat Veldzicht in redelijkheid niet tot de gefundeerde verwachting kon komen dat het recidivegevaar van [B ] zodanig beperkt was dat het vrijlaten van [B ] uit de tbs-instelling met het oog op de veiligheid van (onder meer) eisers verantwoord was. De afspraken die gemaakt zouden zijn over de opvang van [B ] in Kosovo sporen niet met het beleid van het ministerie van justitie en van een passende oplossing kan pertinent niet worden gesproken.

Veldzicht heeft het hof onzorgvuldig en onjuist voorgelicht, en heeft het hof essentiële informatie onthouden.

Voor zover op grond van voormelde omstandigheden niet volgehouden zou kunnen worden dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld, baseren [A] c.s. hun vordering op het égalité-beginsel.

3.3. De Staat verweert zich tegen de vordering en voert, samengevat, het navolgende aan.

[A] c.s. hebben aan de maatschappelijk werker van [C], voorafgaand aan de behandeling van het hoger beroep door het hof, kenbaar gemaakt dat zij zich onverminderd door [B ] bedreigd voelden, maar [C] is door hen nadrukkelijk gevraagd zijn beroepsgeheim in acht te nemen. [B ] heeft mevrouw [A1] al vanaf het begin van het huwelijk in Kosovo bedreigd en mishandeld, en dat is voortgegaan in Nederland, zelfs tijdens de detentie van [B ] vanaf 1994.

Door de aangezochte psychiater Berisha, die met [B ] in Kosovo een intakegesprek heeft gevoerd, is gezorgd voor een goede instelling op medicatie. Berisha heeft de medische behandeling overgedragen aan een andere psychiater, terwijl in het medisch centrum van [gemeente] is begonnen met de behandeling van [B ].

Het hof zou geen ander oordeel hebben geveld - en derhalve ook dan de tbs niet hebben verlengd - indien de na de uitspraak van het hof bekend geworden informatie aan het hof zou zijn voorgelegd. Waar het, zo voert de Staat aan, om gaat is dat de (uiteindelijk) gemaakte behandelafspraken inhoudelijk adequaat waren en er geen grond was aan de naleving ervan te twijfelen.

[A] c.s. kunnen zich er niet op beroepen dat repatriëring, die geen gevaar met zich bracht voor de Nederlandse samenleving, tegenover hen onrechtmatig was; dat stuit af op het relativiteitsvereiste.

De Staat kan niet worden verweten onvoldoende toezicht te hebben gehouden na de repatriëring. Hoewel Veldzicht wel met enige regelmaat contact heeft met [B ], is het niet langer de verantwoordelijkheid van de Staat toe te zien op de inhoud van de behandeling van [B ], na zijn repatriëring.

Nu de verbale bedreigingen er waren voordat [B ] gerepatrieerd werd, kan niet worden volgehouden dat er (juridisch) causaal verband bestaat met het handelen van de Staat. De opgevoerde schadeposten staan in een te ver verwijderd verband tot de verweten repatriëring. Immateriële schade is niet door de Staat, maar door [B ] toegebracht.

Er is geen grond voor vergoeding van onevenredige schade. Het gaat hier namelijk geenszins om "ingecalculeerde schade", die in het bijzonder [A] c.s. treft; de Staat heeft schade nu juist niet gewild of bedoeld.

4. De beoordeling

4.1. [A] c.s. verwijten de Staat - die onbetwist verantwoordelijk is voor de gedragingen van Veldzicht - onrechtmatig te hebben gehandeld jegens hen doordat Veldzicht de beëindiging van de tbs van [B ] heeft geëntameerd en het hof onvolledige althans onjuiste informatie heeft verstrekt voorafgaand aan zijn uitspraak in hoger beroep in 2008. Naar de mening van [A] c.s. zou het hof niet tot zijn onder 2.10. deels geciteerde uitspraak zijn gekomen als Veldzicht het hof juist zou hebben geïnformeerd. [A] c.s. benadrukken dat zij niet de uitspraak van het hof wraken, en dus ook niet jegens de Staat ageren wegens onrechtmatige rechtspraak, maar dat hun pijlen zich vooral richten op het optreden van Veldzicht, voorafgaand aan de uitspraak van het hof.

4.2. Naar het oordeel van de rechtbank kan de vordering van [A] c.s. echter niet gedragen worden door het in 4.1. bedoelde verwijt aan Veldzicht. Zelfs al zou de Staat onzorgvuldig hebben gehandeld doordat voor de beoordeling van de tbs-verlenging relevante informatie aan het hof is onthouden, of achterhaalde informatie niet is gecorrigeerd voordat het hof tot zijn uitspraak kwam, dan kan in dit handelen van de Staat nog geen onrechtmatige gedraging jegens [A] c.s. gelegen zijn. Het nalaten complete en juiste informatie te verstrekken door de Staat in de procedure voor het hof is immers op zichzelf niet als onzorgvuldig te beschouwen tegenover derden zoals [A] c.s., die om hun moverende redenen vrees hebben voor consequenties van de beëindiging van de tbs en die zich door het permanente verblijf van [B ] in een tbs-instelling veilig voelden omdat zij zich beschermd wisten tegen denkbare gewelddadige gedragingen van [B ]. Daarbij moet bedacht worden dat [B ] in 1994 tbs is opgelegd voor een delict dat niet (mede) gericht was tegen (de lichamelijke integriteit van) [A] c.s. De bedreigingen die [B ], volgens de stellingen van [A] c.s., ook al vóór de oplegging van de maatregel van tbs heeft geuit jegens [A] c.s., hebben dan ook bij de oplegging van tbs geen, en zeker geen doorslaggevende, rol gespeeld. Tegen deze achtergrond moet worden vastgesteld dat, zou al sprake zijn van de schending van de zorgvuldigheidsnorm door de Staat in de procedure voor het hof, [A] c.s. niet behoren tot degenen die aanspraak kunnen maken op bescherming van hun belangen door de naleving van deze zorgvuldigheidsnorm.

4.3. Het voorgaande betekent overigens niet dat [A] c.s. in het geheel geen bescherming ondervinden bij (het entameren van) de beëindiging van tbs door de Staat. De Staat zou immers onrechtmatig handelen indien hij (op de voet van HR 28 mei 2004, LJN AO1296) niet tot repatriëring had mogen besluiten in verband met het nog steeds bestaande en onaanvaardbare risico dat [B ] door zijn stoornis gevaar voor de persoon of de goederen (in dit geval) van [A] c.s. zou kunnen opleveren. In dat geval kan van onzorgvuldigheid worden gesproken die moet leiden tot aansprakelijkheid van de Staat jegens [A] c.s. voor de schade waarvan zij in dit geding vergoeding vorderen. Daarbij is de maatstaf dat enerzijds geen zekerheid kan worden verlangd dat repatriëring van [B ] geen enkel gevaar met zich zal brengen en anderzijds een redelijk gefundeerde verwachting behoort te bestaan dat dit gevaar zodanig beperkt is dat repatriëring verantwoord is.

Bij de beantwoording van de vraag of de Staat deze norm heeft geschonden zal in ogenschouw genomen moeten worden welke voorzieningen de Staat, gezien het hem bekende gevaar, heeft getroffen voor de opvang van [B ] na de opheffing van zijn tbs, in het licht van het nog aanwezig geachte risico van het plegen van ernstige strafbare feiten door [B ].

De rechtbank leest in de stellingen van [A] c.s. tevens een beroep op de hier door de rechtbank bedoelde zorgvuldigheidsnorm, zodat de rechtbank zal beoordelen of die norm door de Staat geschonden is.

4.4. De eerste vraag die nu beantwoording behoeft is of de Staat ervan op de hoogte was dat [A] c.s. ernstig werden bedreigd door [B ], voordat de beëindiging van zijn tbs door Veldzicht in gang werd gezet. [A] c.s. hebben gesteld dat in ieder geval maatschappelijk werker [C] van Veldzicht ermee bekend was dat [B ] tijdens zijn verblijf in Veldzicht ernstige bedreigingen uitte die [A] c.s. uiterst serieus namen. [C], heeft - ook ter comparitie - bevestigd dat hij daarvan op de hoogte was, maar heeft daarvan geen melding gemaakt in Veldzicht, omdat [A] c.s. er bij hem op aangedrongen zouden hebben dat niet te doen, waarbij verwezen zou zijn naar zijn beroepsgeheim. [A] c.s. daarentegen stellen dat zij van [C] wel hebben geëist dat hij voorafgaand aan de zitting bij het hof niet met [B ] over de door hem geuite bedreigingen zou spreken, maar dat van hem niet werd verlangd dat hij daarover tegenover anderen zou zwijgen.

4.5. De rechtbank kan, gelet op de tegenstrijdige standpunten van de betrokkenen, vooralsnog niet beoordelen hoe de gang van zaken is geweest. Bij de beoordeling van de vraag of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld in de zin zoals bedoeld in 4.3. zal er in het navolgende veronderstellenderwijze vanuit worden gegaan dat de kennis van maatschappelijk werker [C] aan de Staat kan worden toegerekend, dan wel de Staat geacht moet worden zelf op de hoogte te zijn geweest van de ernstige bedreigingen die [B ] jegens zijn ex-echtgenote en zijn zoon heeft geuit.

4.6. De rechtbank stelt voorop dat de keuze van de Staat om [B ] te repatriëren steun vond in het onder 2.7. genoemde multidisciplinair rapport van 20 augustus 2007 van psycholoog Geurkink en psychiater Offermans. Zij oordeelden de behandeling op de wijze zoals die toen plaatsvond niet erg zinvol, omdat er sprake was van een impasse en [B ] feitelijk nauwelijks behandeld werd. De deskundigen spraken zich met klem uit voor repatriëring, zoals blijkt in de onder 2.7. geciteerde passage uit hun rapport. Van belang achtten zij dat bij repatriëring de medicatie en psychiatrische zorg in Kosovo zouden worden voortgezet. De beide deskundigen hebben daarbij klaarblijkelijk in ogenschouw genomen dat recidivegevaar nog niet volledig geweken was, maar wel van een verminderde delictgevaarlijkheid gesproken kon worden (zie blz. 23 van het advies).

4.7. De Staat heeft duidelijk gemaakt dat Veldzicht zich, in lijn met het advies van Geurkink en Offermans, heeft ingespannen voor adequate voorzieningen voor [B ] in Kosovo. Het relaas van de Staat vindt bevestiging in het - deels onder 2.13. geciteerde - rapport van de IST en de IGZ. Daarin is onder meer de gang van zaken rond psychiater Berisha beschreven, die ter zitting van het hof had verklaard over zijn rol na repatriëring van [B ], maar daags nadien liet weten bij nader inzien niet te willen meewerken aan de opvang van [B ] in Kosovo. Zoals de IST en de IGZ in het rapport beschrijven, heeft Veldzicht Berisha nadien - dat wil zeggen nadat het hof de tbs niet had verlengd - alsnog bereid gevonden [B ] voor zover noodzakelijk onder zijn hoede te nemen en heeft Berisha [B ] opgevangen en hem ingesteld op medicatie. Nadien is de behandeling overgedragen aan een andere arts. [B ] is onder behandeling gekomen van het medisch centrum in [gemeente], zijn woonplaats. Veldzicht heeft al voordat de tbs werd beëindigd overleg gevoerd met de familie over de noodzakelijke opvang van [B ]. Ook na repatriëring heeft Veldzicht bij familie van [B ] meermaals de wenselijkheid van begeleiding en de noodzaak van inname van zijn medicatie door [B ], benadrukt. Na aanvankelijk geregelde contacten met [B ] heeft Veldzicht nu nog met enige regelmaat telefonisch contact met [B ], waarbij [B ] een opgewonden maar coherente indruk maakt.

4.8. Uit het voorgaande moet de conclusie worden getrokken dat de Staat, gegeven de omstandigheden waarin overdracht van de executie van de tbs op grond van de WOTS niet mogelijk was en een opname in een geestelijke gezondheidszorg (GGz)-instelling in Kosovo niet haalbaar bleek, voorzieningen heeft getroffen die in overeenstemming zijn met het advies van de deskundigen Geurkink en Offermans. Daarbij moet rekening worden gehouden met het feit dat de Staat een zekere mate van vrijheid heeft bij het maken van keuzen in het kader van een dergelijke repatriëring. Alleen indien de Staat in redelijkheid niet tot de gemaakte keuzen voor de opvang van de gerepatrieerde heeft kunnen komen, zou van onrechtmatig handelen jegens [A] c.s. sprake kunnen zijn. Dat is hier niet het geval.

De omstandigheid dat de Staat, ook naar de mening van de IST en de IGZ, twee omissies heeft begaan (ten eerste het verzuim van de Staat aan het hof te melden dat psychiater Berisha zich na de zitting van het hof had teruggetrokken en voorts het verzuim om mededelingen over de bedreigingen aan het adres van [A] c.s. in het besluitvormingsproces in te brengen) doet aan dit oordeel niet af. Datzelfde geldt voor het feit dat psychiater Didden, directeur van Kosovo Health Foundation, er een andere mening op nahield, en de repatriëring van [B ] onverantwoord achtte. De Staat kon in redelijkheid tot een ander oordeel komen, gegeven de maatregelen die de Staat in het kader van de repatriëring van [B ] heeft getroffen.

De omstandigheid dat de door Veldzicht geraadpleegde afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken (AIRS) Veldzicht had laten weten niet in staat te zijn zorg te dragen voor een GGz-opname, legt geen gewicht in de schaal. Voor de Staat was nu juist, bij het creëren van de hiervoor in ogenschouw genomen voorzieningen in het kader van de repatriëring, de omstandigheid dat een dergelijke opname niet realiseerbaar was, uitgangspunt. Dat [B ] gedurende twee weken spoorloos zou zijn geweest heeft de Staat betwist, maar hoeft - indien juist - niet af te doen aan de door de Staat in Kosovo georganiseerde zorg. De stelling van [A] c.s. dat er in Kosovo geen medicijnen voor [B ] beschikbaar zouden zijn hebben zij niet onderbouwd en is niet te rijmen met de berichten die de Staat - onweersproken - heeft ontvangen uit Kosovo.

4.9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Staat de (bekend veronderstelde) belangen van [A] c.s. niet, en zeker niet in onaanvaardbare mate, veronachtzaamd bij de keuze voor repatriëring van [B ]. Hoewel [B ] sedert zijn repatriëring een grote vrijheid van bewegen heeft en niet geheel valt uit te sluiten dat hij in staat is zich buiten de landsgrenzen van Kosovo te begeven, volgt uit het vorenstaande dat Veldzicht het nodige heeft ondernomen om voor [B ] een stabiele situatie in zijn thuisland te creëren, met psychiatrische ondersteuning, hulp van zijn familie en (toezicht op het gebruik van) medicatie. Hoewel dat [A] c.s. niet de garantie geeft dat [B ] nimmer in staat zal zijn buiten de landsgrenzen van Kosovo een geweldsdelict te begaan, moet worden geconcludeerd dat de Staat een, in de veronderstelde wetenschap van de bedreigingen van [A] c.s., aanvaardbare oplossing heeft gekozen.

4.10. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de Staat, ook niet de hiervoor onder 4.3. beschreven zorgvuldigheidsnorm jegens [A] c.s. heeft geschonden.

4.11. [A] c.s. hebben aan hun vorderingen nog ten grondslag gelegd dat - indien van onrechtmatig handelen jegens hen geen sprake is - hun vordering toewijsbaar zou moeten zijn op grond van het zogenaamde égalité-beginsel (ook wel genoemd: het beginsel van de onevenredige schade), doordat hier sprake is van het toebrengen van onevenredige schade bij een op zichzelf rechtmatige overheidshandeling.

De rechtbank volgt [A] c.s. daarin niet. In het voorgaande ligt besloten dat de Staat met de repatriëring van [B ] niet een stap heeft gezet waarbij belangen van [A] c.s. welbewust zijn opgeofferd aan een betrokken algemeen belang dat met repatriëring van [B ] gediend was.

Slotsom

4.12. De slotsom luidt dat de vorderingen van [A] c.s. moeten worden afgewezen. Als in het ongelijk gestelde partijen zullen zij worden veroordeeld in de kosten. Die kosten bedragen aan de zijde van de Staat € 550,- wegens griffierecht en 2 punten tarief III á € 579,-, totaal € 1.708,- voor salaris advocaat.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. veroordeelt [A] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 1.708,-;

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.M. van Dijk, mr. W.A. Jacobs en mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2012.