Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX6161

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-08-2012
Datum publicatie
30-08-2012
Zaaknummer
09/757571-12
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ4352, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Handel en bezit van drugs. Salduz-verweer verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid geboden het recht op rechtsbijstand te verwezenlijken. Geen sprake van enig vormverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/208

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/757571-12

Datum uitspraak: 30 augustus 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1956 te [geboorteplaats],

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Midden Holland, Huis van Bewaring De Geniepoort" te Alphen aan den Rijn.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 16 augustus 2012.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. van der Zwan en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. P.B. Spaargaren, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 6 maart 2011 tot en met 07 mei 2012 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende methadon, in ieder geval (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 10 lid 4 Opiumwet

2.

hij op of omstreeks 08 mei 2012 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4,6 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of 196 (te weten 66 en/of 130), althans enig aantal, pillen methadon, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende methadon en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of methadon en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 10 lid 3 Opiumwet

3. Bewijsoverwegingen

3.1 Inleiding

De woning van verdachte was geruime tijd bij de politie bekend als een zogenaamd overlastpand waar verdovende middelen werden gebruikt. Bovendien waren er signalen - van buurtbewoners en ondernemers en uit de bevindingen van wijkagenten - dat er vanuit die woning ook verdovende middelen werden verkocht. In verband met de aanpak van drugsgerelateerde overlast en criminaliteit heeft de politie gericht onderzoek verricht met betrekking tot de woning van verdachte. Dit onderzoek heeft op 8 mei 2012 geresulteerd in het binnentreden van de woning en de aanhouding van verdachte. Verdachte erkent het bezit van drugs, maar ontkent de handel daarin.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte met betrekking tot beide ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld, met uitzondering van het 'medeplegen'.

3.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 1. Voorts heeft hij betoogd dat verdachte ten aanzien van beide feiten in elk geval van het medeplegen moet worden vrijgesproken.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging1

Salduz-verweer: het verhoor van verdachte bij de politie

Met betrekking tot het betoog van de raadsman van verdachte dat de verklaring die door verdachte bij de politie is afgelegd dient te worden uitgesloten van bewijs, nu verdachte voorafgaand aan dat verhoor niet in de gelegenheid is geweest met een advocaat te spreken, overweegt de rechtbank dat zij de raadsman - en de officier van justitie - hierin niet volgt.

In dit verband moet worden vooropgesteld dat de aangehouden verdachte vóór aanvang van het eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat. Behoudens in het geval dat hij uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in elk geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen, zal hem binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid moeten worden geboden dat recht te verwezenlijken. Indien een aangehouden verdachte die gelegenheid niet of niet binnen een redelijke termijn is geboden, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Sv.

Binnen de ressorten Amsterdam, Arnhem en Den Haag zijn in het kader van de piketregeling zogenaamde 'Salduz-afspraken' gemaakt, welke zijn gepubliceerd door de Raad voor de Rechtsbijstand. Deze afspraken houden - onder meer - in dat de piketcentrale in beginsel operationeel is van 7.00 uur tot 20.00 uur, hetgeen meebrengt dat zaken in beginsel binnen dat tijdsbestek aan de advocatuur worden gemeld. De raadsman dient vervolgens binnen twee uur nadat de melding aan de piketcentrale heeft plaatsgevonden op het politiebureau aanwezig te zijn in verband met de verzochte rechtsbijstand.

In het onderhavige geval is de piketcentrale op 8 mei 2012 om 21.29 uur ingelicht over de wens van de verdachte om een advocaat te raadplegen. Het verhoor van verdachte is vervolgens aangevangen op 9 mei 2012 om 9.20 uur en beëindigd om 11.20 uur.2 Op grond van de hiervoor genoemde Salduz-afspraken in verband met de piketregeling zou zich, in verband met de bijstand aan verdachte, uiterlijk op 9 mei 2012 om 9.00 uur een advocaat op het politiebureau hebben moeten melden.

De rechtbank is van oordeel dat het aanvangen van het verhoor 20 minuten na het verstrijken van de termijn waarbinnen zich een advocaat had moeten melden in beginsel niet onredelijk is. Nu door de raadsman geen (bijzondere) omstandigheden zijn aangevoerd die tot een ander oordeel moeten leiden, is verdachte naar het oordeel van de rechtbank binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid geboden het recht op rechtsbijstand te verwezenlijken. Dit een en ander geldt te meer nu niet is gebleken dat zich in de loop van het verhoor - dat duurde tot 11.20 uur - alsnog een advocaat voor bijstand aan verdachte heeft gemeld.

Van enig vormverzuim is gelet op het voorgaande geen sprake, zodat de door verdachte afgelegde verklaring aan het bewijs kan bijdragen.

Handel en bezit

In de loop van het onderzoek naar de gang van zaken in en rond de woning van verdachte zijn verscheidene personen aangehouden die ten tijde van hun aanhouding - direct na het verlaten van de woning van verdachte - in het bezit waren van heroïne of cocaïne en die hebben verklaard in de woning van verdachte van hem heroïne en/ of cocaïne te hebben gekocht.3 In de hierop volgende verhoren is verdachte meer dan eens op een foto herkend als zijnde de verkoper van de drugs.4 Verdachte heeft in verband met de veronderstelde handel in verdovende middelen ter terechtzitting verklaard dat hij van anderen geld kreeg om drugs te halen, omdat - naar de kern genomen - hij beschikte over de juiste kanalen voor een 'goede deal'. Verdachte haalde de verdovende middelen en mocht vervolgens, als tegenprestatie, gratis meegebruiken. Verdachte heeft - ter zitting - voorts verklaard dat hij ook regelmatig beschikte over pillen methadon, maar dat hij die (uitsluitend) zelf gebruikte.

De regelmatige aanloop van (kennelijke) drugsgebruikers bij de woning van verdachte heeft er op 8 mei 2012 toe geleid dat de politie de woning is binnengetreden. Hierbij is verdachte aangehouden en zijn verschillende goederen in beslag genomen5, waarvan verschillende monsters voor onderzoek aan het NFI zijn aangeboden. Uit het rapport van het NFI van 22 juni 2012 volgt dat de in beslag genomen middelen heroïne, cocaïne en methadon bevatten.6 Het monster (van een brokje van 4,6 gram) dat bij verdachte zelf is aangetroffen7 bleek heroïne te bevatten.8

De rechtbank is, tegen de achtergrond van de hiervoor geschetste omstandigheden, van oordeel dat zowel het handelen in heroïne en cocaïne door verdachte als het bezit van heroïne, cocaïne en methadon op 8 mei 2012 wettig en overtuigend bewezen is. Verdachte heeft met zijn handelswijze mogelijk geen geld verdiend, maar hij heeft hier wel degelijk voordeel uit getrokken. Verdachte mocht immers - als tegenprestatie voor het halen en verstrekken van de drugs - meedelen in het gebruik daarvan en kon aldus in zijn eigen behoefte voorzien.

De rechtbank acht, met de officier van justitie en de verdediging, ten aanzien van beide tenlastegelegde feiten het medeplegen niet bewezen en zal verdachte daarom hiervan vrijspreken.

De periode

Uit de verklaringen van de personen die hebben verklaard dat zij bij verdachte drugs kochten, volgt dat zij dat in ieder geval reeds deden in de eerste maanden van 2012. De verklaring van [D] lijkt op dit punt af te wijken van de overige verklaringen, maar de rechtbank is - anders dan de officier van justitie - van oordeel dat deze verklaring onvoldoende is voor de overtuiging dat al sinds maart 2011 sprake is geweest van drugshandel. Uit zijn verklaring volgt dat [D] zijn cocaïne altijd bij verdachte kocht, dat hij dat 2 à 3 keer heeft gedaan en dat hij 1 à 2 keer per maand cocaïne gebruikt9. Tegen die achtergrond is de mededeling van [D] dat hij 'iets langer dan een jaartje' bij verdachte kocht onvoldoende overtuigend. De rechtbank zal daarom uitgaan van 1 januari 2012 als begindatum.

3.5 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 7 mei 2012 te 's-Gravenhage, meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

en

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 7 mei 2012 te 's-Gravenhage meermalen telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende methadon, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 8 mei 2012 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4,6 gram heroïne (diacetylmorfine) en 196 (te weten 66 en/ of 130) pillen methadon en een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk onder aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voorts heeft hij de oplegging van bijzondere voorwaarden gevorderd als geadviseerd in het reclasseringsrapport van 23 juli 2012.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft verzocht om aan verdachte een deels onvoorwaardelijke en deels voorwaardelijke gevangenisstraf op de te leggen waarvan de duur van het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft gedurende een langere periode in zijn woning gehandeld in verdovende middelen, door voor andere gebruikers drugs - heroïne of cocaïne - te halen en deze aan hen te verstrekken. Hij heeft hen in voorkomende gevallen ook gelegenheid geboden tot het gebruiken van (die) verdovende middelen in zijn woning. Hierdoor ontstond een regelmatige toeloop van (hard)drugsgebruikers in de woning van verdachte. Dergelijke feiten veroorzaken overlast en dragen bij aan gevoelens van onveiligheid, met name bij bewoners en ondernemers in de directe omgeving van die woning. Dit valt verdachte zwaar aan te rekenen.

De rechtbank houdt overigens rekening met het feit dat het door verdachte genoten voordeel dat hij door zijn handelen behaalde, in ieder geval grotendeels bestond uit het kunnen voorzien in zijn eigen middelenbehoefte en dat geen sprake was van (groot) geldelijk gewin.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op een uittreksel justitiële documentatie d.d. 10 mei 2012 betreffende verdachte, waaruit volgt dat hij niet eerder voor vergelijkbare strafbare feiten is veroordeeld.

De rechtbank heeft ten slotte acht geslagen op het reclasseringsadvies ten behoeve van de terechtzitting d.d. 23 juli 2012. Hierin is - onder meer - vermeld dat verdachte na detentie in beginsel terecht kan bij Woodstock, een opvang voor verslaafde ouderen, en dat verdachte open staat voor begeleiding door de reclassering. Ter terechtzitting heeft verdachte bevestigd open te staan voor de hier bedoelde woonvorm alsook voor begeleiding door de reclassering.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden. Die duur is minder lang dan gevorderd door de officier van justitie, onder meer omdat de rechtbank ten aanzien van de drugshandel een kortere periode bewezen acht dan tenlastegelegd.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 14d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en

- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van ACHT MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot DRIE MAANDEN niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarden:

- dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft en

- dat verdachte zich - na ontslag uit detentie - zo spoedig mogelijk (doch uiterlijk binnen drie werkdagen na dat ontslag) meldt bij GGZ Reclassering Palier op het adres Johanna Westerdijkplein 109, 2521 EN te Den Haag en

- dat verdachte zich ook na die eerste melding daar blijft melden zo frequent als GGZ Reclassering Palier nodig acht, zulks in ieder geval gedurende de periode waarop verdachte op de wachtlijst van de woonvoorziening Woodstock staat totdat hij daar is geplaatst;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Rabbie, voorzitter,

mrs. M.L. Harmsen en R.G.C. Veneman, rechters,

in tegenwoordigheid van L. van Staden, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 augustus 2012.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van het proces-verbaal met het nummer PL1513 2012046073, van de regiopolitie Haaglanden, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 235).

2 Zie proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 9 mei 2012, pag. 210-215.

3 Proces-verbaal aanhouding d.d. 10 februari 2012, proces-verbaal verhoor verdachte ([A]) d.d. 8 februari 2012, proces-verbaal d.d. 25 februari 2012 en NFI rapport Identificatie van drugs en precursoren d.d. 21 maart 2012, p. 65-75; processen-verbaal van aanhouding d.d. 29 februari 2012 en 7 maart 2012, processen-verbaal van verhoor verdachte ([B]) d.d. 26 februari 2012 en 7 maart 2012, pag. 76-85; proces-verbaal van aanhouding d.d. 5 maart 2012, proces-verbaal van verhoor verdachte ([C]) d.d. 5 maart 2012, pag. 86-89; proces-verbaal van aanhouding d.d. 7 maart 2012, proces-verbaal verhoor verdachte ([D]) d.d. 7 maart 2012, pag. 90-96, proces-verbaal van aanhouding d.d. 7 maart 2012, proces-verbaal verhoor verdachte ([E]) d.d. 7 maart 2012, pag. 97-104.

4 Proces-verbaal verhoor verdachte ([D]) d.d. 7 maart 2012, pag. 95 en proces-verbaal verhoor verdachte ([E]) d.d. 7 maart 2012, pag. 102.

5 Proces-verbaal d.d. 9 mei 2012 pag. 5 en proces-verbaal d.d. 8 mei 2012 pag. 161-162.

6 NFI rapport identificatie van drugs en precursoren d.d. 12 mei 2012, pag. 230-232.

7 Proces-verbaal d.d. 9 mei 2012, pag. 217-218.

8 NFI rapport identificatie van drugs en precursoren d.d. 12 mei 2012, pag. 230-232.

9 Proces-verbaal van verhoor d.d. 7 maart 2012, pag. 93-95.