Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX6055

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-08-2012
Datum publicatie
29-08-2012
Zaaknummer
421004 / HA RK 12-320 Wrakingnummer 2012/39
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking van politierechter. Aan het wrakingsverzoek is ten grondslag gelegd dat de politierechter heeft geweigerd voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de strafzaak een beslissing te nemen op het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verzoeker. Hiermee is de politierechter volgens verzoeker vooruitgelopen op haar eindoordeel en heeft verzoeker geen eerlijk proces gekregen. Bij fax is een aanvullende wrakingsgrond ingediend. Aangevoerd wordt dat de politierechter zich in haar mondelinge vonnis in de zaak tegen de medeverdachte van verzoeker uitdrukkelijk heeft uitgelaten over de rechtmatigheid van de opsporing alsmede over de schuld van verzoeker. Zij heeft daardoor blijk gegeven van vooringenomenheid ten aanzien van de rechtmatigheid van het onderzoek en van de schuld van verzoeker. De wrakingskamer overweegt dat de afwijzende beslissing van de politierechter op het verzoek om voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de strafzaak eerst een beslissing te nemen op het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis dient te worden aangemerkt als een processuele beslissing. Een dergelijke beslissing kan geen grond voor wraking vormen. Voorts is er naar het oordeel van de wrakingskamer geen sprake geweest van rechtsweigering. Met betrekking tot de aanvullende wrakingsgrond overweegt de wrakingskamer dat voor de verdachte in de overwegingen in het vonnis tegen de medeverdachte van verzoeker geen objectieve rechtvaardiging valt te vinden voor de vrees dat de politierechter vooringenomen was. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2012/39

zaak-/rekestnummer: 421004/ HA RK 12-320

parketnr: 09/900564-11

datum beschikking: 9 augustus 2012

BESLISSING

op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 513 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak van:

[verzoeker],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

raadsman: mr. B.M. Beg, advocaat te Amsterdam,

strekkende tot wraking van:

Mr. R.G. DE LANGE-TEGELAAR,

politierechter in de rechtbank te 's-Gravenhage,

hierna te noemen de politierechter.

1. De voorgeschiedenis en het procesverloop

Op 8 juni 2012 is de strafzaak tegen verzoeker door de politierechter behandeld. Tijdens deze behandeling heeft verzoeker de politierechter gewraakt. De wrakingskamer heeft de volgende stukken ontvangen:

- faxen van mr. Beg van 10, 20 en 21 juni 2012;

- schriftelijke reacties van de politierechter van 15 juni 2012, 26 juni 2012 en 2 juli 2012.

2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 6 augustus 2012 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Mr. Beg is verschenen. Hij heeft het wrakingsverzoek toegelicht. Zijn pleitaantekeningen heeft hij na de zitting per e-mail aan de griffier toegezonden. De officier van justitie is in kennis gesteld van de datum van de behandeling van het wrakingsverzoek, maar niet verschenen. De politierechter heeft haar standpunt met betrekking tot het wrakingsverzoek schriftelijk kenbaar gemaakt.

3. Het standpunt van verzoeker

3.1. Aan het wrakingsverzoek is - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. De politierechter heeft geweigerd voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de strafzaak een beslissing te nemen op het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verzoeker. Hiermee is de politierechter vooruitgelopen op haar eindoordeel en heeft verzoeker geen eerlijk proces gekregen. Er is sprake van rechtsweigering, aldus mr. Beg.

3.2. Bij fax van 10 juni 2012 heeft mr. Beg een aanvullende wrakingsgrond ingediend. Hij voert aan dat de politierechter zich in haar mondelinge vonnis in de zaak tegen de medeverdachte van verzoeker uitdrukkelijk heeft uitgelaten over de rechtmatigheid van de opsporing alsmede over de schuld van verzoeker. Zij heeft daardoor blijk gegeven van vooringenomenheid ten aanzien van de rechtmatigheid van het onderzoek en van de schuld van verzoeker.

4. Het standpunt van de politierechter

4.1. De politierechter voert aan dat haar beslissing om niet meteen bij de aanvang van de zitting een beslissing te nemen op het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis, een inhoudelijke beslissing is die ter zitting gemotiveerd is gegeven. De juistheid van die beslissing is niet aan het oordeel van de wrakingskamer onderworpen. Door de voorlopige hechtenis niet direct op te heffen is zij geenszins vooruitgelopen op haar eindoordeel.

4.2. Met betrekking tot de aanvullende wrakingsgrond merkt de politierechter op dat de behandeling van de zaak tegen de medeverdachte van verzoeker heeft plaatsgevonden nadat het onderhavige wrakingsverzoek was gedaan en de behandeling van de zaak tegen verzoeker was geschorst. De aanvullende wrakingsgrond kan reeds daarom niet mede redegevend zijn voor het wrakingsverzoek.

5. De beoordeling

5.1. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.2. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

5.3. De wrakingskamer overweegt dat de afwijzende beslissing van de politierechter op het verzoek van mr. Beg om voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen verzoeker eerst een beslissing te nemen op het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis dient te worden aangemerkt als een processuele beslissing. Een dergelijke beslissing kan geen grond voor wraking vormen. Voorts is er naar het oordeel van de wrakingskamer geen sprake geweest van rechtsweigering. De politierechter heeft immers te kennen gegeven eerst de zaak inhoudelijk te willen behandelen en bij einduitspraak te zullen beslissen op het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis. Deze gang van zaken is in overeenstemming met de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering (Sv), in het bijzonder art. 72, derde lid.

5.4. Met betrekking tot de aanvullende wrakingsgrond overweegt de wrakingskamer het volgende. Anders dan uit het betoog van de raadsman volgt, valt voor de verdachte in de overwegingen in het vonnis tegen de medeverdachte van verzoeker geen objectieve rechtvaardiging te vinden voor de vrees dat de politierechter vooringenomen was. Die overwegingen toch betekenen niet dat daarmee wordt vooruitgelopen op de beoordeling in deze zaak van het verwijt dat aan de verdachte wordt gemaakt ter zake van het voorhanden hebben, al dan niet in enige deelnemingsvorm, van verdovende middelen. Het is immers de normale, wettelijke taak van de rechter die heeft te beslissen omtrent de in artikel 348 en 350 Sv bedoelde vragen, daarbij uitsluitend te oordelen op de grondslag van het aan de verdachte ten laste gelegde en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting dienaangaande in de zaak van de verdachte, en daarbij hetgeen hij heeft beslist in andere zaken, van andere verdachten, buiten beschouwing te laten.

Bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren om te oordelen dat een bij de verdachte bestaande vrees als onder 5.2 bedoeld objectief gerechtvaardigd is, zijn niet gelegen in de door de raadsman aangevoerde en in de anderszins aannemelijk geworden omstandigheden. Het oordeel aangaande de verdachte dat in het eerdere vonnis is verwoord, is niet dermate specifiek en/of op zodanige wijze gemotiveerd, dat anders moet worden geoordeeld.

Dat de politierechter de opsporing zoals deze heeft plaatsgevonden ten aanzien van de medeverdachte van verzoeker rechtmatig heeft geacht is geen grond om aan te nemen dat de politierechter nu reeds op grond van dat oordeel ook de opsporing ten aanzien van verzoeker rechtmatig zal achten. Ook de omstandigheid dat de politierechter de medeverdachte van verzoeker alleen verantwoordelijk heeft gehouden voor de in het portier van de auto aangetroffen hoeveelheid drugs en niet voor de in de middenconsole aangetroffen drugs is geen grond om te concluderen dat de politierechter de inhoud van de middenconsole aan verzoeker toerekent en nu reeds een standpunt heeft ingenomen over de schuld van verzoeker.

5.5. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat er geen grond is om te vrezen dat het de politierechter aan onpartijdigheid ontbreekt noch is ten aanzien van haar de schijn van partijdigheid gewekt. Het verzoek tot wraking zal daarom worden afgewezen.

6. De beslissing.

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- beveelt dat een afschrift van deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:

- de verzoeker p/a zijn raadsman mr. B.M. Beg;

- de politierechter mr. R.G. de Lange -Tegelaar;

- de officier van justitie mr. M.A. Visser.

Aldus ter terechtzitting van deze rechtbank uitgesproken op 9 augustus 2012 door

mrs. E. Timmermans, E. Rabbie en F.J. Verbeek in tegenwoordigheid van J. Kriense Lokker als griffier.