Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX5862

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-08-2012
Datum publicatie
28-08-2012
Zaaknummer
09-757230-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak. De rechtbank komt tot de conslusie dat niet kan worden vastgesteld wat er op 25 januari 2012 precies is gebeurd rond de dood van het slachtoffer en of daarbij door verdachte fysiek is gehandeld, in die zin dat zij het slachtoffer, terwijl hij een mes in zijn handen had, heeft geduwd. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat zich een ander scenario heeft voorgedaan, waaronder de mogelijkheid dat het slachtoffer zichzelf in de buik heeft gestoken. De rechtbank merkt voorts op dat indien wordt uitgegaan van het door de officier van justitie geschetste scenario waarin verdachte slachtoffer zou hebben geduwd, daarmee nog niet is vastgesteld of het duwen door verdachte inderdaad heeft geleid tot de (uiteindelijk) fatale steekverwonding bij het slachtoffer. Aldus kan niet met een zodanige mate van zekerheid worden vastgesteld dat het intreden van zijn dood is te wijten aan de schuld van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/757230-12

Datum uitspraak: 28 augustus 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] ([land]) op [datum] 1978,

adres: [adres],

die als vrouw door het leven gaat en zich [X] laat noemen.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ten terechtzittingen van 24 april 2012, 10 juli 2012 (pro forma) en 14 augustus 2012 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.A.E. van Noort en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. R. Heemskerk, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

De moeder van het slachtoffer, mevrouw [moeder van slachtoffer], heeft ter terechtzitting gebruik gemaakt van het spreekrecht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 januari 2012 te 's-Gravenhage opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer]van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, die [slachtoffer] met

een mes, althans een soortgelijk (scherp) voorwerp in de buik, althans het lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 289 Wetboek van Strafrecht

subsidiair

hij op of omstreeks 25 januari 2012 te 's-Gravenhage, opzettelijk mishandelend [slachtoffer](meermalen) (met kracht) heeft geduwd, terwijl die [slachtoffer] een mes in zijn hand(en) had en/of dat mes met de punt op zijn, [slachtoffer]s, buik had gezet, althans had gericht op zijn, [slachtoffer]s, buik, waardoor voornoemde [slachtoffer] steekletsel in de buik opliep, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

art 300, derde lid, Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair

hij op of omstreeks 25 januari 2012 te 's-Gravenhage, roekeloos, in elk geval grovelijk, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam, [slachtoffer](meermalen) (met kracht) heeft geduwd, terwijl die [slachtoffer] een mes in zijn hand(en) had en/of dat mes met de punt op zijn, [slachtoffer]s, buik had gezet, althans had gericht op zijn, [slachtoffer]s, buik, waardoor voornoemde [slachtoffer] ten val is gekomen, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat voornoemde [slachtoffer] steekletsel in de buik opliep, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

art 307 Wetboek van Strafrecht

3. Bewijsoverwegingen.

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt vrijgesproken van hetgeen haar onder primair en subsidiair als poging doodslag en mishandeling ten laste is gelegd. Wel heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren de als meer subsidiair ten laste gelegde dood door schuld en dat verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 167 dagen, met aftrek van de tijd die zij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotities integrale vrijspraak bepleit van hetgeen verdachte onder primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste is gelegd.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt allereerst dat zij - met de officier van justitie en de raadsman - van oordeel is dat er geen wettig en overtuigend bewijs is om te komen tot een bewezenverklaring ten aanzien van het onder primair en subsidiair ten laste gelegde, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Evenmin kan worden vastgesteld, dat verdachte met het duwen van het slachtoffer (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van pijn of lichamelijk letsel, en op het gevolg dat het slachtoffer daaraan zou overlijden.

De vraag die de rechtbank voor een bewezenverklaring van de onder meer subsidiair ten laste gelegde 'dood door schuld' moet beantwoorden is of de dood van het slachtoffer, [slachtoffer]([slachtoffer]), aan de schuld van verdachte is te wijten, omdat zij een fout heeft gemaakt, dan wel aanmerkelijk onzorgvuldig is geweest. Voor de beantwoording van deze vraag is het van belang om vast te stellen wat er zich op de avond van 25 januari 2012 precies heeft voorgedaan in de woning aan de [adres] te Den Haag.

De rechtbank heeft kunnen vaststellen dat verdachte vroeg in de avond ruzie had met haar partner [slachtoffer], het latere slachtoffer. Daarbij werd over en weer geschreeuwd en heeft verdachte gedreigd de politie te bellen. Om 18.34 uur belde verdachte in paniek haar vriendin [A]([A]). Verdachte vertelt [A] in dit gesprek dat [slachtoffer], na de mededeling van verdachte dat zij de politie zal gaan bellen, dreigt verdachte en zichzelf neer te steken. Voorts vertelt verdachte aan [A] dat [slachtoffer] een mes op zijn buik heeft gericht.

De enige directe getuige, te weten verdachte zelf, is diverse malen verhoord en ontkent dat zij [slachtoffer], terwijl hij een mes in zijn handen had, heeft geduwd. Zij verklaart kort gezegd dat zij vanuit de slaapkamer tegen [slachtoffer] - die met het mes op zijn buik gericht in de hal bij de wasmachine stond - heeft gezegd dat hij het mes moest laten vallen. Toen hij dit weigerde, heeft verdachte iets gezegd in de trant van 'je doet maar'. Verdachte heeft zich vervolgens teruggetrokken in de slaapkamer om haar tas in te pakken. Zij heeft niet gezien dat [slachtoffer] zichzelf met het mes heeft gestoken. Eerst toen [slachtoffer] de slaapkamer binnenkwam en tegen verdachte zei dat hij zichzelf met het mes had gestoken, zag verdachte een verwonding op zijn buik. Omdat het een klein sneetje was dat nauwelijks bloedde en omdat [slachtoffer] zich tijdens ruzies wel vaker aanstelde, realiseerde verdachte zich in eerste instantie niet dat het slachtoffer levensbedreigend gewond was geraakt.

De officier van justitie komt in zijn requisitoir tot de conclusie dat verdachte verantwoordelijk is voor de dood van [slachtoffer] omdat zij hem, terwijl hij een mes in zijn handen had, heeft geduwd waardoor het mes in het lichaam van [slachtoffer] terecht is gekomen. De officier van justitie heeft zich in zijn betoog met name gebaseerd op de verklaringen van getuige [A], met wie verdachte voorafgaand en na het ten laste gelegde meerdere malen telefonisch contact heeft gehad. De verklaring van [A] vindt steun in de verklaring van een andere vriendin van verdachte, [B]([B]), met wie verdachte eveneens kort na het ten laste gelegde telefonisch contact heeft gehad en die verklaart over het vechten tussen verdachte en [slachtoffer], aldus de officier van justitie.

[A] is meerdere keren door de politie gehoord en zij is daarnaast op 1 juni 2012 op verzoek van de verdediging nader door de rechter-commissaris gehoord.

[A] verklaart dat zij verdachte heeft horen zeggen dat zij ([A]) geen politie moest bellen, omdat verdachte [slachtoffer] had geduwd en zij dan de schuld zou krijgen. [A] bevestigt in haar verhoor tegenover de verbalisant dat zij verdachte heeft horen zeggen dat zij, verdachte, [slachtoffer] geduwd heeft en zij voegt hier desgevraagd aan toe dat verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] door dit duwen is gestoken. In haar verhoor op 28 februari 2012 verklaart [A] dat zij verdachte heeft horen zeggen "ik heb hem geduwd en het mes ging naar binnen". In haar verhoor bij de rechter-commissaris nuanceert [A] haar verklaring, in die zin dat zij verklaart dat zij verdachte heeft horen zeggen dat zij [slachtoffer] had geduwd en dat hij zichzelf had gestoken.

Uit de verhoren van [A] komt voorts naar voren dat verdachte in de telefoongesprekken de Spaanse woorden "yo lo empuje" heeft gebruikt. [A] heeft deze woorden aldus begrepen dat verdachte [slachtoffer] fysiek heeft 'geduwd'.

Verdachte heeft hierover verklaard dat zij met de woorden "yo lo empuje" heeft bedoeld te zeggen dat zij [slachtoffer] in psychologische zin heeft geduwd, namelijk dat zij hem "ertoe heeft aangezet" zichzelf te steken. Zij had immers tegen [slachtoffer] iets gezegd in de trant van "je doet maar".

Zowel van de zijde van de officier van justitie als van de zijde van de verdediging zijn rapporten overgelegd van respectievelijk een taaldeskundige van [naam onderzoeksinstelling] en een beëdigd vertaler Spaans, drs. [naam vertaler]. Zij hebben zich beiden uitgelaten over de interpretatie van het Spaanse woord ‘empujar’. De onderzoeker van [naam onderzoeksinstelling] heeft – onder andere via Google – slechts weinig voorbeelden gevonden waar het woord ‘empujar’ als ‘er toe aanzetten’ wordt gebruikt, en in die voorbeelden wordt dan bijna steeds het voorvoegsel ‘a’ gebruikt. In de door [A] gegeven zinsnede was geen sprake van het voorvoegsel ‘a’. Daarom wordt door [naam onderzoeksinstelling] hoogst onwaarschijnlijk geacht dat verdachte het woord ‘empujar’ in de zin van ‘er toe aanzetten’ heeft gebruikt. In de rapportage van [naam vertaler] wordt – eveneens aan de hand van een frequentieonderzoek op Google – gesteld dat het wél gebruikelijk is dat het woord ‘empujar’ in de zin van ‘er toe aanzetten’ wordt gebruikt. Deze deskundige laat zich niet expliciet uit over het gebruik van een voorvoegsel, maar in de gegeven voorbeelden gaat het woord ‘empujar’ wel steeds vergezeld van het voorvoegsel ‘a’.

De rechtbank kan aan de hand van het bovenstaande niet uitsluiten dat verdachte het woord "empujar" in de door haar bedoelde overdrachtelijke zin heeft gebruikt. Een dergelijk gebruik wordt door de rapportages niet eenduidig uitgesloten. De rechtbank acht niet uitgesloten dat verdachte door de paniek en hectiek van de situatie moeilijk te begrijpen was, waarbij de verstaanbaarheid nog werd verminderd doordat het gesprek via de telefoon verliep, en er daardoor aan de zijde van [A] en [B] sprake is geweest van een misverstand, in die zin dat de bewoordingen van verdachte verkeerd zijn geïnterpreteerd.

Tactisch onderzoek naar (bloed)sporen in de woning heeft geen aanwijzingen opgeleverd om aan te nemen dat er een worsteling heeft plaatsgevonden waarbij er door verdachte zou zijn geduwd. Voorts heeft technisch onderzoek naar de sporen op het mes geen bruikbaar bewijsmateriaal opgeleverd. De resultaten uit het rapport van de patholoog naar aanleiding van de sectie op het lichaam van het slachtoffer hebben evenmin geleid tot een weerlegging van de verklaring van verdachte, dan wel een bevestiging van de door de officier van justitie geschetste toedracht.

Het bovenstaande leidt tot de gevolgtrekking dat de rechtbank niet kan vaststellen wat er op 25 januari 2012 precies is gebeurd rond de dood van [slachtoffer] en of daarbij door verdachte fysiek is gehandeld, in die zin dat zij [slachtoffer], terwijl hij een mes in zijn handen had, heeft geduwd. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat zich een ander scenario heeft voorgedaan, waaronder de mogelijkheid dat het slachtoffer zichzelf in de buik heeft gestoken. De rechtbank merkt voorts op dat indien wordt uitgegaan van het door de officier van justitie geschetste scenario waarin verdachte [slachtoffer] zou hebben geduwd, daarmee nog niet is vastgesteld of het duwen door verdachte inderdaad heeft geleid tot de (uiteindelijk) fatale steekverwonding bij [slachtoffer]. Aldus kan niet met een zodanige mate van zekerheid worden vastgesteld dat het intreden van zijn dood is te wijten aan de schuld van verdachte.

De rechtbank acht dan ook - anders dan de officier van justitie en met de raadsman van verdachte - de onder meer subsidiair ten laste gelegde 'dood door schuld' niet bewezen, zodat verdachte ook hiervan moet worden vrijgesproken.

4. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P. Poustochkine, voorzitter,

mrs. E.E. Schotte en T.L. Fernig-Rocour, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E. Noorlander, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 augustus 2012.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.