Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX5840

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-08-2012
Datum publicatie
28-08-2012
Zaaknummer
AWB 12/25455, 12/25786, 12/25787, 12/25788, 12/25790, 12/25792 en 12/25795
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000. Eisers, allen van gestelde Somalische nationaliteit, is tezamen met nog 20 anderen verplicht met ingang van 2 augustus 2012 te verblijven in de gemeente Aalden. Eisers hebben onder meer gesteld dat zij een asielverzoek hebben gedaan als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, van Richtlijn 2005/85/EG (de Procedurerichtlijn) en dat als gevolg daarvan de maatregel niet aan hen mocht worden opgelegd. De rechtbank acht echter niet aannemelijk dat zij een dergelijk asielverzoek hebben gedaan. Beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 12/25455

AWB 12/25786

AWB 12/25787

AWB 12/25788

AWB 12/25790

AWB 12/25792

AWB 12/25795

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2012

inzake respectievelijk

[eiser 1], geboren op [datum] 1989,

[eiser 2], geboren op [datum] 1986,

[eiser 3], geboren op [datum] 1979,

[eiser 4], geboren op [datum] 1990,

[eiser 5], geboren op [datum] 1982,

[eiser 6], geboren op [datum] 1982,

[eiser 7], geboren op [datum] 1986,

allen van gestelde Somalische nationaliteit,

allen verblijvende te Aalden,

hierna gezamenlijk te noemen eisers,

gemachtigde mr. T. Pondaag,

tegen

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. P. van Zijl.

<b>Procesverloop</b>

Bij besluiten van 2 augustus 2012 heeft verweerder ten aanzien van eisers toepassing gegeven aan artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eisers is daarbij opgedragen met ingang van 2 augustus 2012 te verblijven in de gemeente Aalden.

Eisers hebben tegen deze besluiten beroep ingesteld.

De beroepen zijn gevoegd behandeld op de zitting van 21 augustus 2012, waar eiser [eiser 3] is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, alsmede door mr. L.B. Vellenga-van Nieuwkerk. De overige eisers zijn verschenen bij gemachtigde, bijgestaan door mr. Vellenga voornoemd. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

<b>Overwegingen</b>

1. De rechtbank stelt voorop dat de thans ter beoordeling voorliggende maatregelen, blijkens de niet voor misverstand vatbare bewoordingen ervan, uitsluitend ertoe strekken dat eisers zich dienen op te houden in de gemeente Echt. De maatregelen hebben geen bredere reikwijdte, in het bijzonder strekken deze niet tot oplegging van een meldplicht aan eisers. Hetgeen eisers anderszins hebben aangevoerd, in het bijzonder over (de onrechtmatigheid van) een aan hen opgelegde meldplicht en over het bestaan van recht op opvang, valt buiten de omvang van dit geding en behoeft daarom geen bespreking.

2. Voorts hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank, anders dan verweerder ter zitting aan de orde heeft gesteld, procesbelang bij de door hen ingestelde beroepen. Deze beroepen hebben immers betrekking op een maatregel welke van kracht is en hen in hun bewegingsvrijheid beperkt. Dat indien de maatregelen, al dan niet als gevolg van gegrondverklaring van de beroepen, niet meer van kracht zouden zijn dit zou meebrengen dat aan eisers tevens geen opvang meer zou worden verstrekt, wat van die stelling verder zij, maakt niet dat eisers geen procesbelang hebben. Ook overigens zijn geen beletselen gebleken voor de ontvankelijkheid van de beroepen.

3. De rechtbank is voorts van oordeel, anders dan eisers hebben gesteld, dat niet aannemelijk is geworden dat eisers een asielverzoek hebben ingediend als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, van Richtlijn 2005/85/EG (de Procedurerichtlijn). De verklaring van eisers zoals opgenomen in de verslagen van de met een aantal van eisers gehouden vertrekgesprekken dat zij niet kunnen of willen terugkeren naar Somalië omdat het daar voor hen te onveilig is kan, meewegend de context waarin deze verklaring is afgelegd (te weten nadat een of meerdere aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel zijn afgewezen wordt thans een gesprek gevoerd over de terugkeer naar het land van herkomst), niet worden beschouwd als een dergelijk asielverzoek. Dit geldt temeer nu verweerder heeft betwist dat van een asielverzoek sprake is. Ook de mededeling van (onder meer) de gemachtigde van eisers tijdens een gesprek met de IND op 1 augustus 2012 dat eisers gezien de veiligheidssituatie in Somalië en de recente jurisprudentie niet kunnen terugkeren naar Somalië en dat eisers bescherming behoeven kan niet als een asielverzoek in de hier bedoelde zin worden aangemerkt. Van gemachtigde, beroepsmatig rechtsbijstandverlener, mag worden verwacht dat als zij namens eisers een asielverzoek wenst te doen, zij dit ondubbelzinnig kenbaar maakt. De stellingen van eisers voortbouwend op hun stelling dat zij een asielverzoek hebben gedaan kunnen hen dan ook niet baten nu deze stellingen een deugdelijke grondslag ontberen. Gelet op het voorgaande en nu voorts niet gesteld of overigens aannemelijk is geworden dat eisers anderszins een verblijfsrecht in Nederland hebben, heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eisers niet hebben voldaan aan de op hen rustende rechtsplicht Nederland eigener beweging te verlaten. Dat thans geen zicht op uitzetting naar Somalië bestaat doet daaraan niet af.

4. Echter, ook als ervan zou moeten worden uitgegaan dat eisers een asielverzoek hebben gedaan, kan deze stelling niet zonder meer leiden tot de conclusie dat verweerder niet bevoegd was tot oplegging van de bestreden maatregelen. Alsdan zouden eisers op grond van het bepaalde in artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000 rechtmatig verblijf in Nederland kunnen hebben. Echter, ook in dat geval is verweerder blijkens de formulering van artikel 56, eerste lid, van de Vw 2000 bevoegd tot oplegging van een maatregel als in dat artikel bedoeld. De rechtbank deelt niet de stelling van eisers dat uit de tekst van de maatregelen valt af te leiden dat de maatregel is opgelegd op grond van het bepaalde in artikel 56, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. De tekst van de maatregelen biedt hiervoor onvoldoende aanknopingspunten.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voorts op het standpunt mogen stellen dat eisers niet beschikken over voldoende middelen van bestaan. De (geldelijke) voorzieningen welke eisers thans van overheidswege worden verstrekt kunnen niet als dergelijke middelen van bestaan worden aangemerkt. De rechtbank wijst er daarbij op dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in bewaringszaken sprake dient te zijn van zelfstandig verkregen middelen van bestaan. De rechtbank ziet geen aanleiding om in een geval als het onderhavige, waarbij maatregelen op grond van artikel 56 van de Vw 2000 aan de orde zijn, tot een ander oordeel te komen. Het criterium is hier evenals doorgaans in beroepen betreffende de vreemdelingenbewaring of het belang van de openbare orde de oplegging van de desbetreffende maatregel vordert.

6. Voorts heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank verweerder mogen stellen dat eisers niet beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats. Dat eisers thans worden opgevangen in een asielzoekerscentrum (AZC) maakt, anders dan eisers menen, dat zij beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats in de hier bedoelde zin. Voorts ligt ter beoordeling voor de situatie ten tijde van de oplegging van de maatregel, en op dat moment verbleven eisers niet in een AZC, terwijl voorts niet is gesteld of anderszins aannemelijk is geworden dat zij toen anderszins beschikten over een vaste woon- of verblijfplaats.

7. Reeds de gronden dat eisers niet beschikken over voldoende middelen van bestaan en niet beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats, met de daarop in de maatregelen gegeven toelichting dat daardoor het gevaar bestaat dat eisers zich aan hun uitzetting zullen onttrekken, tezamen genomen, mochten verweerder tot het standpunt brengen dat het belang van de openbare orde de oplegging van de maatregelen aan eisers vordert. Hetgeen eisers hebben aangevoerd over het doen van een asielverzoek en het hebben van recht op verblijf in Nederland kan hen ook hierom niet baten.

8. Voor zover eisers voorts hebben willen betogen dat verweerder aan hen niet de bestreden maatregel heeft mogen opleggen nu het zicht op uitzetting naar Somalië ontbreekt en op eisers gelet daarop voorts niet de rechtsplicht rust om Nederland eigener beweging te verlaten overweegt de rechtbank als volgt. Het bestaan van zicht op uitzetting naar het land van herkomst is bij maatregelen van toezicht als de onderhavige niet vereist. De rechtbank vermag voorts niet in te zien waarom de stelling van eisers dat op hen niet de rechtsplicht rust om Nederland eigener beweging te verlaten ook indien deze stelling juist zou zijn maakt dat verweerder niet tot oplegging van de onderhavige maatregelen van toezicht heeft mogen overgaan.

9. Andere beroepsgronden zijn niet aangevoerd. De rechtbank ziet voorts voor zover de rechtmatigheid van de maatregelen aan haar ambtshalve oordeel is onderworpen geen grond om de maatregelen onrechtmatig te achten. De beroepen zullen daarom ongegrond worden verklaard.

10. De rechtbank ziet geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken.

11. Gelet op de ongegrondverklaring van de beroepen, zal de rechtbank voorts, onder verwijzing naar artikel 8:73, eerste lid, van de Awb, de verzoeken tot schadevergoeding afwijzen.

12. Beslist wordt als volgt.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst de verzoeken tot schadevergoeding af.

Aldus gedaan door mr. T. van de Woestijne als rechter in tegenwoordigheid van W.G.M. de Boer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2012.

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

<HR ALIGN="left" WIDTH="50%">

<i>Ingevolge artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000 staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.</i>

Afschriften verzonden: