Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX5683

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-07-2012
Datum publicatie
24-08-2012
Zaaknummer
420480 / HA RK 12-290 Wrakingnummer 2012/35
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking van bestuursrechter in herzieningsprocedure. Weigering om (tweede) afschriften van procesdossier te verstrekken en inzageduur te herzien. De weigering is een processuele beslissing die in het algemeen geen grond voor wraking oplevert. Hierbij merkt de wrakingskamer op dat er voor de rechter geen aanleiding was te denken dat verzoekster in haar procesvoering werd belemmerd, nu van de zijde van verzoekster niet was aangevoerd dat zij niet meer over de procesdossiers beschikte. Voorts merkt de wrakingskamer nog op dat de wijze waarop de communicatie tussen de rechtbank en de gemachtigde in de onderhavige herzienings-procedure is verlopen, minder gelukkig is te noemen. Het had enerzijds op de weg van de gemachtigde gelegen om de rechtbank in te lichten over het feit dat hij en zijn cliënte niet meer over de volledige procesdossiers beschikten en toe te lichten waarom een inzageduur van één uur in dit geval te kort was. Dit heeft hij nu pas in het wrakingsverzoek toegelicht. Anderzijds had van de rechtbank mogen worden verwacht dat zij, ook al lag het formeel op de weg van de gemachtigde om zijn verzoek te onderbouwen, meer had opengestaan voor zijn kennelijke bezwaren tegen de korte inzageduur. Aldus had dit wrakingsverzoek wellicht voorkomen kunnen worden. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2012/35

rekestnummer: 420480/ HA RK 12-290

procedurenummers: AWB 11/8520, AWB 11/8522, AWB 11/8524

datum beslissing: 9 juli 2012

BESLISSING

op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak van:

[verzoekster] B.V.

gevestigd te [vestigingsplaats],

verzoekster,

gemachtigde: mr. A. van Diermen;

strekkende tot wraking van:

mr. H.P.M. Meskers,

senior rechter in de rechtbank te 's-Gravenhage, sector bestuursrecht

1. De voorgeschiedenis en het procesverloop.

Namens verzoekster heeft mr. Van Diermen (verder te noemen: de gemachtigde) bij de rechtbank 's-Gravenhage, sector bestuursrecht, een verzoek - gedateerd 3 november 2011 - om herziening althans vervallenverklaring van drie uitspraken van de rechtbank 's-Gravenhage ingediend, welke uitspraken op 3 april 2003, 13 november 2007 en 27 augustus 2008 zijn gegeven. In dit herzieningsverzoek heeft de gemachtigde namens verzoekster verzocht om toezending van de procesdossiers waarop genoemde uitspraken betrekking hebben.

Bij schrijven van 14 april 2012 heeft de gemachtigde het verzoek om toezending van de procesdossiers herhaald.

De griffier van de rechtbank heeft bij schrijven van 18 april 2012 de gemachtigde bericht dat aan dit verzoek geen gevolg kan worden gegeven en dat de gemachtigde de dossiers kan inzien op de rechtbank.

Bij brief van 1 mei 2012 is door de griffier van de rechtbank namens de bestuursrechter mr. M.P. de Valk aan de gemachtigde bericht, voor zover van belang:

"Destijds, in de beroepsfase, zijn reeds afschriften van de dossiers aan partijen (dus ook aan u) verschaft. De rechtbank verstrekt in de regel geen tweede afschrift. Wel kunt u inzage krijgen in genoemde dossiers. Gedurende de inzage dient een van onze medewerkers u daarbij te vergezellen. Mede hierom dient de inzage in duur beperkt te zijn. Gelet op het feit dat de dossiers reeds bij u bekend zijn, kan zonder nadere motivering waarom meer tijd nodig zal zijn, slechts bewilligd worden in een inzageduur van één uur."

De gemachtigde is bij brief van 1 mei 2012 door de griffier van de rechtbank uitgenodigd voor de behandeling van de herzieningsverzoeken op de zitting van 15 juni 2012, waarbij is medegedeeld dat mr. Meskers de herzieningsverzoeken behandelt.

Bij brief van 15 mei 2012 heeft de gemachtigde verzocht om de dossiers alsnog integraal aan de gemachtigde toe te zenden.

Bij brief van 22 mei 2012 is door de griffier van de rechtbank namens mr. Meskers bericht, voor zover van belang:

"Hierbij deel ik u mee dat uw brief van 15 mei jongstleden geen aanleiding geeft om, zoals u verzoekt, de beslissing om geen (tweede) afschriften van de stukken te verstrekken en een inzageduur van één uur toe te staan, te herzien."

Bij brief van 25 mei 2012 heeft de gemachtigde de wraking van mr. Meskers verzocht.

2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek.

Op 25 juni 2012 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Namens verzoekster is de gemachtigde verschenen, die het wrakingsverzoek aan de hand van een schriftelijke toelichting heeft toegelicht. Mr. Meskers heeft de wrakingskamer bericht dat hij niet bij de behandeling van het wrakingsverzoek aanwezig zal zijn.

Namens het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Midden-Delfland is - hoewel daartoe door de griffier van de wrakingskamer uitgenodigd - niemand verschenen.

3. Het standpunt van verzoekster.

De gemachtigde stelt zich - verkort en zakelijk weergegeven - op het standpunt dat mr. Meskers door geen afschriften van de procesdossiers aan de gemachtigde te verstrekken en slechts in aanwezigheid van een toezichthouder inzage gedurende één uur van de procesdossiers aan de gemachtigde toe te staan, het recht van de gemachtigde om volledig kennis te kunnen nemen van de processtukken niet heeft nageleefd. Daarmee heeft hij de gelijkheid van partijen geschonden en daarom kan hij niet meer als onpartijdig worden aangemerkt.

Aldus heeft mr. Meskers ervan blijk gegeven geen affiniteit te bezitten met processuele waarborgen, terwijl de beoordeling van verzoeken om herziening en vervallenverklaring meer nog dan in gewone procedures, een bijzondere affiniteit met processuele waarborgen vereist.

4. Het standpunt van mr. Meskers.

Mr. Meskers heeft in zijn schriftelijke reactie van 11 juni 2012 op het wrakingsverzoek te kennen gegeven dat hij niet in de wraking berust. Daartoe voert hij - verkort en zakelijk weergegeven - aan dat de gelijkheid van partijen niet is geschonden, aangezien verzoekster reeds in het bezit was gesteld van de stukken en haar de gelegenheid is geboden de rechtbankdossiers in te zien. Naar zijn mening kan, gezien de reden die is gegeven voor de weigering de stukken nogmaals toe te sturen en verzoekster een langere inzageduur te gunnen, niet worden gezegd dat zijn beslissing zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring kan worden gegeven dan dat die voortvloeit uit vooringenomenheid. Indien verzoekster meent dat de processuele beslissing van 22 mei 2012 onjuist is en fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces waarborgen evident zijn geschonden, kan zij bij een eventuele afwijzing van haar herzieningsverzoeken, met het verzoek aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het appelverbod te doorbreken, de juistheid van deze beslissing in hoger beroep aan de orde stellen.

5. De beoordeling.

5.1 Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.2 Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

5.3 De weigering van mr. Meskers om afschriften van de procesdossiers aan de gemachtigde te verstrekken is een processuele beslissing. In het algemeen levert een processuele beslissing, geen grond voor wraking op, tenzij er omstandigheden zijn die grond geven te vrezen dat het een rechter aan onpartijdigheid ontbreekt of waardoor de schijn van vooringenomenheid jegens verzoeker is gewekt. Naar het oordeel van de wrakingskamer zijn dergelijke omstandigheden gesteld noch aannemelijk geworden. Hierbij merkt de wrakingskamer op dat er voor de rechter geen aanleiding was te denken dat verzoekster in haar procesvoering werd belemmerd, nu van de zijde van verzoekster niet was aangevoerd dat zij niet meer over de procesdossiers beschikte.

5.4 De wrakingskamer merkt in dit verband voorts nog het volgende op.

Voorop moet worden gesteld dat het middel van wraking niet kan worden benut om de juistheid van een processuele beslissing aan de orde te stellen. Echter, de wijze waarop de communicatie tussen de rechtbank en de gemachtigde in de onderhavige herzienings-procedure is verlopen, is in dit geval minder gelukkig te noemen. De wrakingskamer is van oordeel dat het enerzijds op de weg van de gemachtigde had gelegen om de rechtbank in te lichten over het feit dat hij en zijn cliënte niet meer over de volledige procesdossiers beschikten en toe te lichten waarom een inzageduur van één uur in dit geval te kort was. Dit heeft hij nu pas in het wrakingsverzoek toegelicht. Anderzijds had van de rechtbank mogen worden verwacht dat zij, ook al lag het formeel op de weg van de gemachtigde om zijn verzoek te onderbouwen, meer had opengestaan voor zijn kennelijke bezwaren tegen de korte inzageduur. Aldus had dit wrakingsverzoek wellicht voorkomen kunnen worden.

5.5 Het voorgaande leidt ertoe dat het wrakingsverzoek zal worden afgewezen.

6. De beslissing.

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:

• de verzoekster p/a haar gemachtigde mr. A. van Diermen;

• het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Delfland;

• mr. H.P.M. Meskers.

Deze beslissing is gegeven door mrs. I.D. Bellaart, F.J. Verbeek en A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Gest als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2012.