Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX5666

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
24-08-2012
Zaaknummer
AWB 10/6167 GEMWT en AWB 113035 GEMWT
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:2103, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Reparatieplan bood i.c. geen concreet zicht op legalisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Reg.nrs.: AWB 10/6167 GEMWT en AWB 113035 GEMWT

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 augustus 2012 in de zaak tussen

[A] e.a., allen wonende te Bodegraven, gemachtigde mr. C.J.R. van Binsbergen,

en

[B], h.o.d.n. [C], gevestigd te Bodegraven, gemachtigde [D],

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk, verweerder, gemachtigde mr. E.A. Wentink-Quelle.

Derde partij: [E], wonende te Bodegraven, belanghebbende, gemachtigde mr. J. Schoneveld.

I PROCESVERLOOP

De gedingen zijn ingezet met een beroepschrift van [A] e.a. van 30 augustus 2010, zaaknummer AWB 10/6167.

[E] heeft bij brief van 6 december 2010 zijn zienswijze op het beroep van [A] e.a. gegeven.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

[C] heeft bij brief van 17 januari 2011 zijn zienswijze op het beroep van [A] e.a. gegeven.

Dit beroep is op 11 april 2011 ter zitting behandeld. Eisers sub 1 zijn verschenen, bijgestaan door mr. C.J.R. van Binsbergen, advocaat te Alphen aan den Rijn. [C] is verschenen, bijgestaan door gemachtigde [D]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door B.A. Drost-Westland, bijgestaan door mr. E.A. Wentink-Quelle, advocaat te Ouderkerk aan de Amstel. [E] is verschenen, bijgestaan door mr. J. Schoneveld, advocaat te Zoetermeer.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en onder meer bepaald dat een bezwaarschrift van [C] van 29 december 2010 als beroepschrift moet worden aangemerkt, zaaknummer AWB 11/3035. Tevens heeft de rechtbank bepaald dat verweerder op 12 mei 2011 in plaats van een beslissing op bezwaar een beslissing neemt die als aanvullend verweerschrift wordt geduid, waarop partijen mogen reageren, waarna de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) over het bestemmingsplan "Reparatieherziening Buitengebied Bodegraven" (verder: het reparatieplan) wordt afgewacht, en waarop partijen eveneens mogen reageren.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend in de zaak AWB 11/3035.

De overige partijen hebben aanvullende gronden, zienswijzen en nadere stukken in geding gebracht.

Op verzoek van partijen is de behandeling van de beroepen aangehouden.

De beroepen zijn op 6 juli 2012 opnieuw ter zitting behandeld. Namens [A] e.a. zijn verschenen [F] en [G], bijgestaan door mr. C.J.R. van Binsbergen en mr. L.C.J. Dekkers, advocaten te Alphen aan den Rijn. [C] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde [D]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door Th. L. van Deursen en B.A. Drost-Westland, bijgestaan door mr. E.A. Wentink-Quelle, advocaat te Ouderkerk aan de Amstel. [E] is verschenen, bijgestaan door mr. B.W. de Groot, advocaat te Zoetermeer.

II OVERWEGINGEN

Relevante feiten en omstandigheden

1.1 Op de percelen Meije [a] en [b] (hierna: het perceel) was in het verleden een pluimveehouderij gevestigd. In het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw is de loonspuiterij van [E] ter plaatse gevestigd, waarvoor verweerder bij besluit van 6 april 2005 vijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) heeft verleend. [E] is eigenaar van het perceel en de daarop aanwezige bebouwing. De bebouwing bestaat uit de woning van [E] en verschillende bedrijfsgebouwen. Daarin is onder meer de loonspuiterij van [E] gevestigd. De rest van deze bedrijfsruimten is verhuurd aan derden, onder wie [C]. [C] is sinds 2000 ter plaatse gevestigd, smelt ter plaatse schapenvet en verwerkt dit tot hondenvoer.

1.2. [A] e.a. zijn omwonenden van het perceel.

1.3. Bij besluit van 17 mei 2010 heeft verweerder het verzoek van [A] e.a. van 25 maart 2010 om handhavend op te treden tegen bouw- en activiteiten op het perceel Meije [a] te Bodegraven, afgewezen. Dit verzoek had betrekking op bedrijfsactiviteiten van de huurders van [E] en op de overkapping (serre) die [E] aan zijn woning heeft aangebouwd.

1.4. Bij besluit van 25 augustus 2010 (bestreden besluit I) heeft verweerder, gedeeltelijk in afwijking van het advies van de Commissie bezwaar- en beroepschriften van 28 juli 2010, het hiertegen door [A] e.a. gemaakte bezwaar gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard voor zover ingediend door de andere eisers dan [G] en zijn echtgenote [H] met betrekking tot de serre en voor het overige ongegrond verklaard.

1.5. Tegen dit besluit hebben [A] e.a. beroep ingesteld, AWB 10/6167. Zij hebben tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

1.6. Bij uitspraak van 28 oktober 2010 (registratienummer AWB 10/6172 GEMWT) heeft de voorzieningenrechter verweerder op straffe van een dwangsom opgedragen om binnen vier weken na het verzenden daarvan een concrete beslissing tot handhaving als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

1.7. Verweerder en [C] hebben verzocht om de getroffen voorlopige voorziening op te heffen. Bij mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 november 2010 (registratienummer AWB 10/8103 GEMWT) zijn deze verzoeken afgewezen.

1.8. Bij besluit van 25 november 2010 (bestreden besluit II) heeft verweerder, ter uitvoering van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 oktober 2010, [C] gelast een einde te maken aan de met het bestemmingsplan strijdige situatie in de door [E] gehuurde bedrijfsruimte in het bedrijfsverzamelgebouw op het perceel Meije [a] te Bodegraven. Hiertoe is [C] een last onder dwangsom opgelegd van € 2.000,- per week met een maximum van € 20.000,-- indien de bedrijfsactiviteiten, bestaande uit het produceren van hondensnacks door middel van het smelten van schapenvet en daarmee verband houdende activiteiten na 25 mei 2011 nog worden uitgevoerd.

1.9. Zowel [A] e.a. als [C] hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. [A] e.a. hebben tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 12 januari 2011 (registratienummer AWB 10/8628 GEMWT) heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen.

1.10. Partijen hebben gedurende 2011 en begin 2012 gesprekken gevoerd teneinde tot een oplossing te komen, zonder succes.

Processueel

2.1. Bestreden besluit II is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 oktober 2010, naar aanleiding van een verzoek tot voorlopige voorziening in het kader van een verzoek tot handhavend optreden van [A] e.a. dat heeft geleid tot bestreden besluit I. Daarom moet bestreden besluit II worden aangemerkt als een wijzigingsbesluit als bedoeld in artikel 6:18 Awb ten opzichte van bestreden besluit I. Het beroep van [A] e.a. (AWB 10/6167) is ingevolge artikel 6:19 Awb van rechtswege tevens gericht tegen bestreden besluit II. Het bezwaarschrift dat zij tegen bestreden besluit II hebben ingediend bij verweerder is dan ook aangemerkt als een aanvullend beroepschrift.

Het bezwaar dat [C] tegen bestreden besluit II heeft ingediend moet gelet op artikel 6:19 Awb in samenhang met artikel 6:15 Awb als een beroepschrift worden aangemerkt (AWB 11/3035).

2.2. Het voorgaande betekent dat bestreden besluit I thans inhoudelijk nog bevat de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar van [A] e.a. met uitzondering van [G] en [H] tegen de weigering handhavend op te treden tegen de serre, de handhaving van die weigering voor zover dat bezwaar is ingesteld namens dat echtpaar en de handhaving van de weigering handhavend op treden tegen de activiteiten op het perceel behoudens die van [E] en [C].

2.3. Het bestreden besluit II bevat de last onder dwangsom die is opgelegd aan [C].

2.4. [E] is als eigenaar/verhuurder belanghebbende bij beide beroepen.

[A] e.a. zijn belanghebbenden bij het beroep van [C].

[C] is belanghebbende bij het beroep van [A] e.a..

Planologie

3.1. Niet in geschil is dat ter plaatse twee bestemmingsplannen gelden, te weten het Uitbreidingsplan Bodegraven 1943, dat in 1944 in werking is getreden, en het bestemmingsplan Meije 1965, dat in 1966 in werking is getreden. Onduidelijk is gebleven welke gedeelten van het perceel precies onder welk van beide plannen vallen. Ter zitting is gebleken dat de beschikbare plankaarten te vaag zijn om dat vast te stellen. Vast staat echter dat volgens beide bestemmingsplannen op het perceel een agrarische bestemming rust en dat de bedrijfsactiviteiten op het perceel daarmee in strijd zijn, afgezien van de loonspuiterij van [E] waarvoor, zoals reeds vermeld, een vrijstelling is verleend.

3.2. Beide bestemmingsplannen zijn oorspronkelijk uitbreidingsplannen op grond van de Woningwet 1901. Geen van beide bestemmingsplannen bevatte gebruiksbepalingen tot 3 januari 2003. Op die datum is in werking getreden het bestemmingsplan "Bodegraven parapluherziening", dat aan vijftien op dat tijdstip geldende bestemmingsplannen alsnog gebruiksbepalingen toevoegt (verder: de parapluherziening).

3.3. Aan het bestemmingsplan "uitbreidingsplan Bodegraven 1943" is, voor zover relevant, toegevoegd artikel 5, eerste lid, dat een verbod bevat gronden en gebouwen te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, de doeleindenomschrijving en de overige voorschriften.

3.4. Tevens is artikel 6 toegevoegd, dat voor zover relevant als volgt luidt:

"a. Het gebruik van grond en opstallen, strijdig met het plan op het tijdstip van het van rechtskracht worden daarvan, mag worden gehandhaafd."

3.5. Aan het bestemmingsplan "Meije 1965" is, voor zover relevant, toegevoegd artikel 17A, eerste lid, dat een verbod bevat gronden en gebouwen te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, de doeleindenomschrijving en de overige voorschriften.

Tevens is artikel 18A toegevoegd, dat voor zover relevant als volgt luidt:

"a. Het gebruik van grond en opstallen, strijdig met het plan op het tijdstip van het van rechtskracht worden daarvan, mag worden gehandhaafd."

3.6.1. Ten tijde van de bestreden besluiten was voor het perceel het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld, dat bij besluit van 5 juli 2005 door gedeputeerde staten van Zuid-Holland is goedgekeurd. De bestemmingen en planvoorschriften voor onder meer het perceel zijn bij uitspraak van 20 september 2006 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) vernietigd. De raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk heeft vervolgens bij besluit van 1 oktober 2009 het bestemmingsplan "Reparatieherziening Buitengebied Bodegraven" verder: het reparatieplan, vastgesteld.

3.6.2. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" zoals dat na de reparatieherziening kwam te luiden, waren de gronden op de kaart aangewezen voor "Bedrijfsdoeleinden (B)" - onder verwijzing naar de Staat van Bedrijfsactiviteiten - voor zover relevant bestemd voor:

y. ter plaatse van de subbestemming Bvg: een bedrijfsverzamelgebouw ten behoeve van diverse bedrijfsactiviteiten behorende tot categorie 2;

aa. ter plaatse van de subbestemming Bvg: een bedrijfsverzamelgebouw ten behoeve van in totaal 54 bedrijfsmatige en/of hobbymatige activiteiten behorende tot categorie 2;

met dien verstande dat detailhandel en zelfstandige kantoren niet zijn toegestaan, met uitzondering van detailhandel als genoemd in de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

3.6.3. Ingevolge artikel 4, zevende lid, van de planvoorschriften was verweerder bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het eerste lid, voor vestiging van niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten opgenomen bedrijfsactiviteiten voor de beoogde plaats van vestiging, mits is aangetoond dat deze bedrijfsactiviteit(en) voldoet/voldoen aan de selectiecriteria die voor de voorgenomen plaats van vestiging bij de samenstelling van de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn gehanteerd.

3.6.4. Ingevolge artikel 23, vierde lid, van de planvoorschriften was verweerder bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 4 teneinde bedrijven toe te laten die voorkomen in een naasthogere categorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot de ingevolge artikel 4 toegelaten categorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

3.7. Bij uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling van 25 maart 2010, LJN: BL9603, is het reparatieplan geschorst naar aanleiding van onder meer een daartoe strekkend verzoek van [A] e.a..

3.8. Bij uitspraak van 7 september 2011 heeft de Afdeling, voor zover relevant, de bestemmingen die bij het reparatieplan aan het perceel zijn toegekend, vernietigd, tezamen met de daarop betrekking hebbende planregels, onder gegrondverklaring van onder meer het beroep van [A] e.a. tegen dit plan.

3.9. Na de bestreden besluiten heeft de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk het bestemmingsplan "Meije [a]-[b]" in ontwerp ter inzage gelegd.

Beoordeling

De serre

4.1. Bij bestreden besluit I heeft verweerder de weigering handhavend op te treden tegen de serre van [E] gehandhaafd. [A] e.a. hebben zich gemotiveerd tegen dit onderdeel van bestreden besluit I gekeerd.

4.1.1. Niet in geschil is dat de serre bouwvergunningplichtig (sinds 1 oktober 2010: omgevingsvergunningplichtig) is. Evenmin is in geschil dat een vergunning is aangevraagd noch verleend.

4.1.2. Daarmee staat vast dat de serre in strijd met artikel 40, eerste lid, onder a, Woningwet (Wow) respectievelijk artikel 2.1, eerste lid, onder a, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is opgericht en in strijd met artikel 40, eerste lid, onder b, Wow respectievelijk artikel 2.3a Wabo in stand is respectievelijk wordt gelaten.

4.1.3. [E] heeft erkend de overtreder te zijn.

4.1.4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2011, LJN: BQ7427.

4.1.5. Verweerder heeft de weigering handhavend op te treden tegen de serre in het besluit van 17 mei 2010 en de handhaving daarvan bij bestreden besluit I gemotiveerd met een beroep op concreet zicht op legalisering. [E] heeft hetzelfde standpunt ingenomen. Dit standpunt steunde ten tijde van bestreden besluit I op het reparatieplan, dat verlening van een bouwvergunning voor de serre mogelijk maakte. Een aanvraag voor een legaliserende vergunning is door [E] niet ingediend, in afwachting van het onherroepelijk worden van het reparatieplan.

4.1.6. [A] e.a. hebben bestreden dat het reparatieplan concreet zicht op legalisering bood. Deze beroepsgrond treft doel. Uit overweging 2.7.3. van de uitspraak van de Afdeling van 7 september 2011 blijkt dat het positief bestemmen van de serre strijdig is met de (provinciale) Nota Regels voor Ruimte, omdat daardoor een nog grotere overschrijding optreedt van het maximaal toegestane bouwvolume dan zonder de serre al het geval is. Verder heeft de Afdeling geoordeeld dat een nog meer gesloten bebouwingsfront bij de percelen van [A] e.a. ontstaat en dat het aannemelijk is dat zij nadeel daarvan ondervinden. In het licht van deze kenbare strijd met de provinciale Nota Regels voor Ruimte en in aanmerking genomen dat de Voorzitter van de Afdeling reeds ten tijde van het primaire besluit van 17 mei 2010 het reparatieplan had geschorst, ziet de rechtbank hierin reden voor het oordeel dat in dit geval, anders dan in de regel, het reparatieplan geen concreet zicht op legalisering bood.

4.1.7. De omstandigheid dat [E] zonder overkapping minder genot van het terras achter zijn woonhuis heeft, is geen bijzondere omstandigheid die aan handhaving in de weg kan staan.

4.1.8. Verweerder heeft daarom ten onrechte de weigering handhavend op te treden tegen de serre bij bestreden besluit I gehandhaafd onder ongegrondverklaring van het bezwaar van [G] en [H]. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit I wordt in zoverre vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb.

4.1.9. Tevens volgt uit de aangehaalde overwegingen van de Afdeling dat verweerder ten onrechte de overige eisers van [A] e.a. niet als belanghebbend bij de serre heeft aangemerkt. Voor zover het bezwaar tegen het besluit van 17 mei 2010 mede namens hen is ingesteld heeft verweerder het derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Ook in zoverre is het beroep van [A] e.a. tegen bestreden besluit I gegrond en dient dit besluit te worden vernietigd wegens strijd met artikel 1:2 Awb.

De overige bedrijfsactiviteiten

4.2. Bij bestreden besluit I heeft verweerder tevens het bezwaar ongegrond verklaard van [A] e.a. tegen de weigering handhavend op te treden tegen het gebruik van het perceel voor bedrijfsmatige doeleinden, anders dan door [E] zelf. Bij bestreden besluit II is dit besluit alleen gewijzigd voor zover het betreft de bedrijfsmatige activiteiten van [C]. [A] e.a. hebben dus nog procesbelang bij beoordeling van hun beroep tegen bestreden besluit I voor zover het de overige activiteiten op het perceel betreft.

4.2.1. [A] e.a. hebben, kort gezegd, aangevoerd overlast te ondervinden van deze activiteiten. Anders dan verweerder maken zij geen onderscheid tussen bedrijfsmatige en hobbymatige activiteiten. Naar hun opvatting zijn alle activiteiten die de huurders van [E] op het perceel ondernemen aan te merken als bedrijfsmatig, waarbij zij aanvoeren dat het perceel is aan te merken als bedrijfsverzamelgebouw en daarmee als één inrichting in de zin van artikel 1.1, eerste lid, Wet milieubeheer. Van welke huurder zij precies hinder ondervinden kunnen zij niet aangeven, omdat zij niet weten van wie bijvoorbeeld geluidhinder als gevolg van werkzaamheden aan crossauto's afkomstig is. Zij weten ook niet aan wie [E] precies de bedrijfsruimten verhuurt.

4.2.2. In het bestreden besluit I heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de activiteiten in strijd zijn met de geldende bestemmingsplannen, maar dat het reparatieplan concreet zicht biedt op legalisering, hetgeen aan handhaving in de weg staat.

4.2.3. Eerst bij brief van 1 december 2011 heeft verweerder aangevoerd dat geen sprake is van een overtreding. Hij wijst erop dat de voor het perceel geldende bestemmingsplannen oorspronkelijk geen gebruiksverboden bevatten. Het gebruiksverbod op grond van artikel 352, eerste lid, van de Bouwverordening van de gemeente Bodegraven bood daar aanvankelijk een oplossing voor, maar deze bepaling is sinds 19 januari 1988 vervallen. Pas sinds de inwerkingtreding van de parapluherziening op 3 januari 2003 kennen de beide geldende plannen een gebruiksverbod. Het gebruik van het perceel voor bedrijfsmatige doeleinden en hobbymatige doeleinden door de huurders van [E] valt volgens verweerder onder de overgangsbepalingen die deel uitmaken van deze gebruiksbepalingen.

4.2.4. De rechtbank volgt deze redenering niet. Bij de parapluherziening zijn aan in totaal 15 geldende bestemmingsplannen alsnog gebruiksvoorschriften toegevoegd. Deze voorschriften zijn bij inwerkingtreding deel gaan uitmaken van de planvoorschriften (thans: planregels) van deze 15 bestemmingsplannen. De parapluherziening bevat geen op zichzelf staande regels.

4.2.5. Dat betekent dat "het plan" in artikel 6 van het bestemmingsplan "Uitbreidingsplan Bodegraven 1943" slaat op het Uitbreidingsplan zelf. Dit bestemmingsplan heeft op 18 juli 1944 rechtskracht verkregen, zodat de peildatum voor het in artikel 6 vervatte overgangsrecht deze datum is.

Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor artikel 18A dat aan de planregels van het bestemmingsplan "Meije 1965" is toegevoegd. De peildatum voor dit overgangsrecht is 18 mei 1966.

4.2.6. Uit de summiere toelichting bij de parapluherziening blijkt niet welke bedoeling de planwetgever op dit punt heeft gehad en dus ook niet dat de planwetgever beoogde al het gebruik dat voor 3 januari 2003 in deze 15 plangebieden is gestart en dat in beginsel strijdig is met het geldende plan, te legaliseren, waar de uitleg van verweerder op neer komt. De toelichting vermeldt slechts dat het de bedoeling was van de planwetgever om het gat dat sinds 19 januari 1988 in de regelgeving bestond, te dichten. In elk geval biedt de toelichting de rechtbank geen aanknopingspunt uit te gaan van een andere uitleg dan de grammaticale. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat als de uitleg van verweerder wordt gevolgd, ook gebruik dat vóór 19 januari 1988 is aangevangen en dat strijdig was met het geldende plan in samenhang met het toen nog geldende artikel 352, eerste lid, Bouwverordening, wordt gelegaliseerd, wat geen gewenste uitkomst lijkt.

4.2.7. De rechtbank ziet verder geen aanleiding deze overgangsbepalingen exceptief te toetsen aan het rechtszekerheidsbeginsel, omdat [E] en [C] in de gelegenheid zijn geweest rechtsmiddelen aan te wenden tegen de parapluherziening.

4.2.8. Niet in geschil is dat [E], [C] noch één van de huurders van [E] op 18 juli 1944 dan wel 18 mei 1966 reeds ter plekke actief was. Gelet hierop missen de stukken die verweerder bij brief van 13 juli 2012 aan de rechtbank heeft gezonden betekenis, zodat de rechtbank hierin geen aanleiding ziet het onderzoek te heropenen.

4.2.9. Aangezien de gebruiksverboden die aan de relevante planregels zijn toegevoegd op 3 januari 2003 in werking zijn getreden, waren de activiteiten waarop het handhavingsverzoek betrekking heeft ten tijde van beide bestreden besluiten illegaal. Er is dus sprake van een overtreding, waartegen in beginsel handhavend dient te worden opgetreden.

4.2.10. Ter zitting is bevestigd dat [E] als verhuurder optreedt. Hij is daarmee degene die het perceel in strijd met de bestemmingsplannen laat gebruiken en dus overtreder. Gesteld noch gebleken is dat hij het niet in zijn macht zou hebben aan de overtreding een einde te maken.

4.2.11. In bestreden besluit I heeft verweerder de weigering handhavend op te treden gemotiveerd met een beroep op concreet zicht op legalisering, onder verwijzing naar de reparatieherziening.

4.2.12. Of de activiteiten waarom het gaat, dus afgezien van de activiteiten van [C], op grond van dit plan toegestaan zouden zijn geweest als dit plan rechtskracht zou hebben verkregen, kan niet worden beoordeeld, aangezien verweerder, naar ter zitting is gebleken, niet heeft onderzocht van welke aard en omvang de activiteiten waren die ten tijde van bestreden besluit I plaatsvonden op het perceel naast die van [E] zelf en van [C]. Evenmin heeft verweerder beoordeeld of deze activiteiten ieder op zichzelf moeten worden beoordeeld of, al dan niet samen met de loonspuiterij van [E] en met [C], als één activiteit worden beschouwd, zoals [A] e.a. betogen. In dat verband wijst de rechtbank er op dat in de gedingstukken sprake is van 52 verschillende activiteiten in een "bedrijfsverzamelgebouw".

4.2.13. Het beroep van [A] e.a. slaagt voor zover gericht tegen de weigering handhavend op te treden tegen de activiteiten op het perceel anders dan die van [E] zelf en [C]. Het bestreden besluit I wordt in zoverre vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 in samenhang met artikel 7:12, eerste lid, Awb.

De last onder dwangsom aan [C]

4.3. Bij bestreden besluit II heeft verweerder alsnog een last onder dwangsom opgelegd aan [C] om de met de geldende bestemmingsplannen strijdige activiteiten (het smelten van schapenvet voor de productie van hondenvoer) te beëindigen. In zoverre is aan het beroep van [A] e.a. tegemoetgekomen. Zij hebben hun beroep, dat van rechtswege tegen bestreden besluit II is gericht, gehandhaafd ten aanzien van de aan de last onder dwangsom verbonden begunstigingstermijn, die zij te lang vinden.

4.3.1. [C] heeft zich in beroep tegen de last onder dwangsom gekeerd. In essentie voert [C] aan dat er concreet zicht is op legalisering en dat in het zicht daarvan handhaving disproportioneel is. Tevens voert [C] aan dat van haar activiteiten geen enkele hinder wordt ondervonden.

4.3.2. De rechtbank bespreekt eerst het beroep van [C], nu dat het meest verstrekkend is.

4.3.3. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de activiteiten van [C] als een overtreding moeten worden aangemerkt. Er is immers een geldend gebruiksverbod in de bestemmingsplannen opgenomen en [C] kan geen beroep doen op overgangsrechtelijke bescherming, nu vast staat dat zij in 1944 noch 1966 ter plaatse gevestigd was. Het is ook niet in geschil dat de bedrijfsactiviteiten van [C] niet in overeenstemming zijn met de planregels.

4.3.4. Evenmin is in geschil dat [C], c.q. [B], als overtreder is aan te merken.

4.3.5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder en [C] (en overigens ook [E]) zich terecht op het standpunt stellen dat de bedrijfsactiviteiten van [C] wel passen binnen de planregels van het reparatieplan.

4.3.5.1. Naar het oordeel van de rechtbank moeten de planregels als volgt worden begrepen. Ofwel een bedrijf is, voor de beoogde plaats van vestiging, aangewezen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten - in welk geval het zonder meer - zonder ontheffing - is toegelaten op grond van artikel 4, eerste lid - ofwel een bedrijf is, voor de beoogde plaats van vestiging, niet aangewezen - in welk geval een ontheffing krachtens artikel 4, zevende lid, kan worden verleend, mits het een bedrijf betreft dat op zichzelf wel voorkomt in de Staat van bedrijfsactiviteiten, maar niet voor de betreffende locatie.

Bedrijven die niet alleen voor de beoogde plaats van vestiging niet zijn toegelaten, maar in het geheel niet in de Staat van bedrijfsactiviteiten voorkomen, kunnen slechts onder de in artikel 23, vierde lid, van de planvoorschriften genoemde voorwaarden met de in die bepaling opgenomen binnenplanse ontheffing worden toegelaten.

4.3.5.2. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat in de uitleg die [A] e.a. voorstaan, in navolging van de voorzieningenrechter in de uitspraak van 28 oktober 2010, slechts twee categorieën van gevallen te onderscheiden zouden zijn, namelijk bedrijven die wel in de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn opgenomen, en daarom zonder welke ontheffing dan ook zijn toegelaten, en bedrijven waarvoor dat niet geldt en waarvoor de ontheffingsbevoegdheid van artikel 23, vierde lid is geschreven. De in artikel vier, zevende lid opgenomen ontheffingsbevoegdheid zou in die uitleg geen zelfstandige betekenis hebben. Dit komt de rechtbank niet logisch voor.

4.3.6 Ten aanzien van de vraag of het reparatieplan wel concreet uitzicht op legalisatie kon bieden overweegt de rechtbank het volgende. Uit overweging 2.9.5. van de uitspraak van de Afdeling van 7 september 2011 blijkt dat artikel 4, zevende lid van de bestemmingsplanvoorschriften er niet toe leidt dat het verlenen van vrijstelling op die grond kan leiden tot een wijziging van de bestemming. Het reparatieplan is op dit onderdeel vernietigd, omdat het woord "selectiecriteria"in dat artikel onvoldoende bepaald werd geacht, nu dit niet nader wordt ingevuld in de planvoorschriften. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gegeven deze vernietigingsgrond, zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat dit gebrek in een aanpassing van het plan hersteld kon worden. Daarom geldt hier wel de regel dat het reparatieplan concreet zicht op legalisering bood.

4.3.7. Het vorenstaande brengt met zich mee dat [C] met toepassing van een ontheffing op grond van artikel 4, zevende lid, toegestaan had kunnen worden onder de werking van het reparatieplan, mits vast te stellen is of de bedrijfsactiviteiten van [C] voldoen aan de selectiecriteria die voor de voorgenomen plaats van vestiging bij de samenstelling van de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn gehanteerd. Verweerder heeft daarover gesteld dat dit het geval is en heeft zich daarbij gebaseerd op het advies van de Milieudienst Midden Holland maart 2008. De rechtbank volgt verweerder daarin, gelet op de maatgevende milieuaspecten. De richtafstanden voor geur en geluid bedragen 200 meter, terwijl buiten nauwelijks geur wordt waargenomen en van geluidsoverlast van de koelcompressoren nooit sprake is geweest. Geluidsbelasting, afkomstig van verkeersbewegingen en laden en lossen, is verwaarloosbaar. De milieuaspecten stof en gevaar zijn niet aan de orde.

4.3.8. De beroepsgrond van [C] dat ten tijde van bestreden besluit I zowel als ten tijde van bestreden besluit II concreet zicht op legalisering bestond, treft derhalve doel.

4.3.9. Het beroep van [C] is gegrond. Het bestreden besluit II wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb.

4.3.10. De overige beroepsgronden van [C] tegen bestreden besluit II behoeven geen bespreking meer.

4.3.11. Aan beoordeling van het beroep van [A] e.a. voor zover ingevolge artikel 6:19 Awb gericht tegen de aan bestreden besluit II verbonden begunstigingstermijn komt de rechtbank niet meer toe, nu dit besluit is vernietigd.

Slotsom ten aanzien van de beroepen

5.1. Het beroep van [A] e.a. tegen bestreden besluit I is gegrond wegens strijd met artikel 1:2 artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

5.2. Het beroep van [C] tegen bestreden besluit II is gegrond wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

5.3. Beide bestreden besluiten worden vernietigd.

Finale geschilbeslechting

6.1. In augustus 2012 zal een ontwerp van een bestemmingsplan "Meije [a]-[b]" ter inzage worden gelegd, waarin de serre positief wordt bestemd en de bedrijfsactiviteiten op het perceel mogelijk worden gemaakt. Tegen dit ontwerpbesluit kunnen zienswijzen worden ingediend. Tegen een besluit tot vaststelling van dit plan door de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk staat beroep open bij de Afdeling. Dat betekent dat voor de rechtbank onzeker is of op korte termijn een concreet zicht op legalisering kan ontstaan voor de serre en de bedoelde activiteiten. Gelet hierop ziet de rechtbank geen basis voor toepassing van artikel 8:72, derde of vierde lid, Awb.

6.2. Evenmin leent deze situatie zich voor toepassing van een bestuurlijke lus.

6.3. Verweerder dient derhalve opnieuw te beslissen op het bezwaar van [A] e.a. tegen het primaire besluit I.

Proceskosten

7.1. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van [A] e.a. waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift tegen bestreden besluit I, het indienen van een aanvullend beroepschrift tegen bestreden besluit II en het tweemaal verschijnen ter zitting) 4 punten worden toegekend.

7.2. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van [C] waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift tegen bestreden besluit II en het tweemaal verschijnen ter zitting) 3 punten worden toegekend.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep van [A] e.a. tegen bestreden besluit I gegrond;

vernietigt het bestreden besluit I;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar van [A] e.a. tegen het besluit van 17 mei 2010;

bepaalt dat verweerder aan [A] e.a. het door hen betaalde griffierecht, te weten € 150,-- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de door [A] e.a. gemaakte proceskosten tot een bedrag van

€ 1.748,--, welk bedrag aan [A] e.a. moet worden vergoed.

verklaart het beroep van [C] tegen bestreden besluit II gegrond;

vernietigt het bestreden besluit II;

bepaalt dat verweerder aan [C] het door haar betaalde griffierecht, te weten € 298,-- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de door [C] gemaakte proceskosten tot een bedrag van

€ 1.311,--. welk bedrag aan [C] moet worden vergoed.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, rechter, mr. D.A.J. Overdijk, rechter en mr. F. Arichi, rechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden naar partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.