Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX5040

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-08-2012
Datum publicatie
20-08-2012
Zaaknummer
09/925049-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mishandeling van een agent door hem een kopstoot te geven. Niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en subsidiair, 2 primair en subsidiair en 3 primair is ten laste gelegd. Daarvan wordt hij vrijgesproken. Verdachte vormt een gevaar voor de algemene veiligheid van personen. De rechtbank volgt het advies van de deskundigen en is van oordeel dat verdachte dient te worden geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/925049-12

Datum uitspraak: 20 augustus 2012

(Verkort vonnis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum te Amsterdam.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 20 april 2012, 16 juli 2012 en 6 augustus 2012.

De verdachte is niet ter terechtzitting verschenen. De raadsman van de verdachte, mr. J.H.E. Wanrooij, advocaat te 's-Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er hebben zich benadeelde partijen gevoegd.

De officier van justitie mr. F.A. Kuipers heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 3 primair ten laste gelegde wordt vrijgesproken en dat aan verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair en 3 subsidiair ten laste gelegde wordt opgelegd de maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [X], [Y] en [Z].

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van:

- een bedrag groot € 5.000,-, subsidiair 60 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [X];

- een bedrag groot € 700,-, subsidiair 14 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [Y];

- een bedrag groot € 400,-, subsidiair 8 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [Z].

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 10 januari 2012 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon , te weten [X] (aspirant van politie) van het leven te beroven, opzettelijk met een of meerdere mes(sen), althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans één maal heeft gestoken in het gezicht en/of de nek en/of de arm en/of de pols, althans in het lichaam van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [X], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 januari 2012 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [X], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een of meerdere mes(sen), althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans één maal heeft gestoken in het gezicht en/of de nek en/of de arm en/of de pols, althans in het lichaam van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [X], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 10 januari 2012 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon , te weten [Y] (hoofdagent van politie) van het leven te beroven, opzettelijk met een of meerdere mes(sen), althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans één maal heeft gestoken in het gezicht en/of de nek, althans in het lichaam van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [Y], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 januari 2012 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [Y] (hoofdagent van politie), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een of meerdere mes(sen), althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans één maal heeft gestoken in het gezicht en/of de nek, althans in het lichaam van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [Y], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 10 januari 2012 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [Z] (senior medewerker bij politie Haaglanden), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [Z] een kopstoot tegen/op diens oog heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 januari 2012 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon (te weten [Z], senior medewerker politie Haaglanden), een kopstoot tegen/op diens oog heeft gegeven, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Verweren van de raadsman.

De raadsman heeft aangevoerd dat de bekennende verklaring van verdachte bij de politie en de rechter-commissaris dat hij met een mes heeft gestoken, niet als bewijs mag worden gebezigd, nu verdachte tegenover de raadsman heeft ontkend met een mes te hebben gestoken.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. Verdachte heeft zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris, na overleg met zijn raadsman, een gedetailleerde en gemotiveerde verklaring afgelegd over waarom en hoe hij met een mes heeft gestoken. De rechtbank ziet geen enkel aanknopingspunt om aan deze bekennende verklaring van verdachte te twijfelen. Dit betekent dat in het geval van een bewezenverklaring niets aan het gebruik van deze verklaring voor het bewijs in de weg zou staan.

De raadsman heeft - naar de rechtbank begrijpt - heropening van het onderzoek ter terechtzitting verzocht, teneinde alsnog een reconstructie te laten plaatsvinden, nu niet uit te sluiten valt dat de verwondingen van de verbalisanten niet door een mes maar door een val tegen de trap(leuning), dan wel de muur in het trappenhuis zijn veroorzaakt. Een reconstructie kan hieromtrent meer duidelijkheid verschaffen.

De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman af, nu de rechtbank - gelet op de bekennende verklaring van de verdachte dat hij met een mes heeft gestoken en gelet op de verklaring van de desbetreffende verbalisanten - de noodzaak daartoe niet ziet.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en subsidiair, 2 primair en subsidiair en 3 primair is ten laste gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.

Ten aanzien van de feiten 1 primair en subsidiair

Op grond van de inhoud van het dossier staat vast dat verdachte met een mes richting verbalisant [X] heeft gestoken. Dit wordt ook door verdachte bekend. Naar het oordeel van de rechtbank is echter onvoldoende duidelijk gebleken dat [X] in de nek is geraakt door het mes, zoals tenlastegelegd. Immers, voor een dergelijke verwonding is geen steun te vinden in de medische verklaring met betrekking tot het door [X] opgelopen letsel. Evenmin kan dit worden afgeleid uit de zich in het dossier bevindende foto's van zijn verwondingen en de verklaringen van de andere verbalisanten over het letsel dat zij bij hem hebben gezien. Dat betekent dat verdachte, voorzover hem is tenlastegelegd dat hij [X] in zijn nek heeft gestoken, moet worden vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. De officier van justitie heeft op dit punt overigens ook vrijspraak gevorderd.

Wat wel vaststaat is dat [X] door het mes onder meer op zijn linkerwang onder zijn oog is geraakt, waardoor hij een snijwond heeft opgelopen.

De rechtbank ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of - in het licht van het in feit 1 primair ten laste gelegde - door bedoelde verwonding met een mes de aanmerkelijke kans op de dood van [X] is ontstaan. Hoewel duidelijk is dat de verwonding met een mes in het gezicht van [X] een behoorlijk en naar letsel betreft, kan naar het oordeel van de rechtbank uit de ter beschikking staande medische gegevens niet zonder meer geconcludeerd worden dat er ook sprake was van een aanmerkelijke kans dat [X] door het handelen van verdachte zou komen te overlijden. Nadere informatie die dit oordeel in onderhavige zaak anders zouden kunnen doen luiden, ontbreekt in het dossier. Reeds daarom zal de rechtbank verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde vrijspreken.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank het navolgende. Door het handelen van verdachte heeft [X] een forse snijwond op zijn gezicht opgelopen. Deze wond moest in het ziekenhuis gehecht worden. Tengevolge van die verwonding en het daardoor noodzakelijke medische ingrijpen heeft [X] een duidelijk zichtbaar, blijvend litteken van behoorlijke omvang op zijn gezicht overgehouden. De rechtbank kwalificeert het door [X] opgelopen letsel als zwaar lichamelijk letsel. Nu aan verdachte onder 1 subsidiair slechts een poging tot zware mishandeling is ten laste gelegd terwijl hier evenwel sprake is van een voltooid delict, kan de rechtbank niet anders dan verdachte ook van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde vrijspreken.

Ten aanzien van de feiten 2 primair en subsidiair

Naar het oordeel van de rechtbank is uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen onvoldoende gebleken dat verbalisant [Y] met een mes in haar nek is gestoken. Uit geen enkele verklaring, ook niet uit de verklaring van [Y] zelf, kan dit onomstotelijk worden vastgesteld. [X], [W] noch [Y] hebben gezien dat verdachte (reeds) een mes in zijn hand had op het moment dat hij [Y] sloeg/duwde. Weliswaar blijkt uit de zich in het dossier bevindende medische informatie betreffende [Y] dat bij haar een verwonding in de nek is geconstateerd, maar die verwonding wordt omschreven als een schaafwond en niet als een snij- of steekwond. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Ten aanzien van feit 3 primair

De rechtbank is - met de officier van justitie en de raadsman - van oordeel dat het onder 3 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Zij zal de verdachte ook daarvan vrijspreken.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, te weten dat verdachte:

3.

op 10 januari 2012 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon, te weten [Z], senior medewerker politie Haaglanden, een kopstoot tegen/op diens oog heeft gegeven, waardoor deze pijn heeft ondervonden

Bewijsoverweging.

De raadsman heeft vrijspraak van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde bepleit, nu verdachte geen opzet had aangever [Z] te mishandelen. Verdachte is volledig ontoerekeningsvatbaar en dacht en mocht denken dat [Z] hem wilde ontvoeren.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. Opzet wordt door een psychische stoornis slechts uitgesloten indien er sprake is van een verdachte die van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan is verstoken (vgl. onder meer HR 14 december 2004, LJN AR3226, en HR 9 december 2008, LJN BD2775). Indien wordt aangenomen dat dit inzicht geheel ontbreekt, is er volgens de Hoge Raad geen sprake van opzet. Een dergelijke toestand doet zich echter niet snel voor, nu in de meeste gevallen wel enig besef of enig benul kan worden aangenomen. Ook in deze zaak geldt dat op grond van de eigen verklaring van verdachte niet kan worden geconcludeerd dat het hem ten tijde van het ten laste gelegde aan enig besef of enig benul ontbrak. Dat verdachte zich vanwege zijn psychotische toestand - waarover hieronder meer - meende te bevinden in een situatie waarin het hem vrijstond geweld tegen [Z] te gebruiken, neemt niet weg dat hij in ieder geval voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van pijn door het geven van een kopstoot aan voornoemde politieambtenaar. De rechtbank acht het onder 3 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, aangezien er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte overweegt de rechtbank het navolgende.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van Y. Aouja, psychiater, onder supervisie van drs. B.E.A. van der Hoorn, psychiater, van 6 juni 2012. De rapporteur concludeert dat verdachte lijdt aan een psychotisch beeld in het kader van schizofrenie van het paranoïde type. Ten tijde van het ten laste gelegde verkeerde hij in een paranoïd-psychotische toestand. Zijn gedragskeuzes en gedragingen op het moment van het ten laste gelegde vloeiden volledig voort uit zijn stoornis. De rapporteur concludeert dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is ten aanzien van het ten laste gelegde.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van drs. S.M.J. van Zeijl, GZ-psycholoog, van 5 juni 2012.

Ook deze rapporteur concludeert dat er bij verdachte sprake is van ziekelijke stoornissen, namelijk een psychotische stoornis NAO en cannabisafhankelijkheid.

De geconstateerde stoornissen waren aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. Zijn psychotische ontregeling heeft zijn gedragskeuzes in ernstige mate beperkt. Het gedrag van verdachte kan volledig worden verklaard vanuit zijn paranoïde psychotische belevingen. De rapporteur concludeert, gelijk zijn mederapporteur, dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht ten aanzien van het ten laste gelegde.

De rechtbank volgt de conclusies van de gedragsdeskundigen en maakt deze tot de hare. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het bewezen verklaarde feit niet aan verdachte kan worden toegerekend wegens de ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Verdachte zal op grond daarvan worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De op te leggen maatregel.

Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een politieagent door hem een kopstoot te geven.

Op 10 januari 2012 kwamen twee agenten, in het gezelschap van een stagiaire, bij verdachte thuis om hem een boete te betekenen. Verdachte ging toen op een zeer agressieve wijze tekeer tegen de agenten. Verdachte heeft met een mes een agent verwond en ook een andere agent heeft verwondingen opgelopen. Na een hevige worsteling kon verdachte worden aangehouden. Na zijn aanhouding heeft hij een andere agent een kopstoot gegeven.

Hiermee heeft hij inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van deze agent. De rechtbank rekent verdachte dit feit zwaar aan, temeer nu deze mishandeling is begaan tegen een politieagent die een publieke functie vervult. Dergelijke feiten dragen voorts bij aan gevoelens van onveiligheid en maatschappelijke onrust.

De rechtbank heeft acht geslagen op het verdachte betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 januari 2012, waaruit blijkt dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld is geweest.

Op grond van de aard van het bewezenverklaarde feit, de bovengenoemde omstandigheden waaronder het feit is begaan en de inhoud van de over verdachte uitgebracht rapportages is de rechtbank van oordeel dat verdachte een gevaar vormt voor de algemene veiligheid van personen.

Bovengenoemde rapporteurs concluderen dat de kans op recidive groot is wanneer verdachte geen adequate behandeling krijgt, zeker nu verdachte ook regelmatig cannabis en alcohol gebruikt. Deze middelen hebben een negatieve invloed op zijn stoornis. De rapporterende psychiater acht het ook zorgelijk dat verdachte over weinig ziektebesef beschikt en ten tijde van het onderzoek de antipsychotische medicatie weigerde. Het advies van de rapporteurs luidt om verdachte te plaatsen in een psychiatrisch ziekenhuis.

De rechtbank volgt het advies van de deskundigen en is van oordeel dat verdachte dient te worden geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar.

De vordering van de benadeelde partij [X].

[X] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 5.000,-.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit waarop de vordering betrekking heeft, is vrijgesproken.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [Y].

[Y] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 700,-.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit waarop de vordering betrekking heeft, is vrijgesproken.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [Z].

[Z] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 400,-.

De rechtbank acht deze vordering, voor zover deze betrekking heeft op een bedrag van € 150,-, als vergoeding ter zake van immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar, nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 150,-.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 10 januari 2012 is ontstaan.

De rechtbank zal voor het overige deel van de vordering, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu het bewezenverklaarde feit niet aan verdachte kan worden toegerekend wegens de ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens en hij op grond daarvan wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, kan door de rechtbank aan verdachte geen schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr worden opgelegd (vgl. HR 12 oktober 2004, LJN: AO3233, alsmede HR 31 januari 2006, LJN: AU7080).

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen:

- 37 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en subsidiair, 2 primair en subsidiair en 3 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

mishandeling

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

verklaart verdachte niet strafbaar;

ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging;

gelast de plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor de termijn van één jaar;

bepaalt dat de benadeelde partij [X] niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, begroot op nihil;

bepaalt dat de benadeelde partij [Y] niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, begroot op nihil;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [Z] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [Z], een bedrag van € 150,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 10 januari 2012 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.H.Th. de Boer, voorzitter,

mrs M. Rootring en M.M. Meessen, rechters,

in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 augustus 2012.

Mr. Rootring is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.