Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX4928

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-08-2012
Datum publicatie
17-08-2012
Zaaknummer
AWB 10/39266
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wjziging verblijfsdoel 'verblijf bij echtgenoot' in 'voortgezet verblijf', inburgeringsplicht i.s.m. associatierecht EU-Turkije, gezinslid van Turkse werknemer met dubbele nationaliteit, zelfstandig verblijfsrecht o.g.v. artikel 7 van Besluit 1/80.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Nevenlocatie Middelburg

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/39266

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[naam],

eiseres,

gemachtigde mr. P.R. Klaver, advocaat te Bergen op Zoom,

tegen

de Minister voor Immigratie, integratie en Asiel,

daaronder mede begrepen diens rechtsvoorgangers,

verweerder,

gemachtigde mr. N. Hamzaoui, medewerkster bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen verweerders besluit van 20 oktober 2010 (hierna: het bestreden besluit).

Het beroep is ter zitting behandeld op 16 maart 2011. Eiseres is verschenen bij haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Bij beslissing van 5 april 2011 is het onderzoek heropend in verband met het arrest Ruiz Zambrano van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 8 maart 2011 (C-34/09, www.curia.eu).

Na toestemming van partijen om het beroep buiten zitting af te doen heeft de rechtbank op 8 juli 2011 het onderzoek gesloten. De termijn voor het doen van de uitspraak is eenmaal verlengd.

Bij beslissing van 18 augustus 2011 heeft de rechtbank het onderzoek opnieuw heropend

in verband met de uitspraak van 16 augustus 2011 (LJN: BR4959) van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) betreffende de inburgeringsplicht voor Turkse staatsburgers in Nederland.

Na toestemming van partijen om het beroep buiten zitting af te doen heeft de rechtbank op 4 juni 2012 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder beperkingen verleend, verband houdend met het doel waarvoor verblijf is toegestaan. Daarbij is bepaald dat aan de vergunning voorschriften kunnen worden verbonden.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000 kan bedoelde aanvraag worden afgewezen indien de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven.

Ingevolge artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000

(hierna: Vb 2000) kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die drie jaar in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming met een persoon met een niet-tijdelijk verblijfsrecht.

Ingevolge artikel 3.80a, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 wordt een aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, in een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf afgewezen, indien de aanvraag is ingediend door een vreemdeling als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Vw 2000 die het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13 van de Wet inburgering (hierna: Wi), niet heeft behaald.

Ingevolge artikel 3.80a, tweede lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 is het eerste lid niet van toepassing, indien de vreemdeling beschikt over een document als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onder b tot en met l, en tweede lid, van het Besluit inburgering, dan wel voldoet aan een van de criteria, genoemd in artikel 2.5, onder a tot en met c, van dat besluit.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wi is niet inburgeringsplichtig de persoon aan wie (anderszins) op grond van bepalingen van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties geen inburgeringsplicht als bedoeld in artikel 7 van de Wi kan worden opgelegd.

Het associatierecht van de Europese Unie (hierna: EU) met Turkije is neergelegd in de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap (hierna: EEG) en Turkije, op 12 september 1963 te Ankara ondertekend door de Turkse Republiek enerzijds en door de lidstaten van de EEG en de EEG anderzijds, en namens de EEG gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij Besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963, Pb. 1964, 217, blz. 3685, (hierna: Associatie-overeenkomst), in het Aanvullend Protocol, op 23 november 1970 te Brussel ondertekend en namens de EEG gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij Verordening (EEG) nr. 2760/72 van de Raad van 19 december 1972, Pb L 293, blz. 1, (hierna: Aanvullend Protocol), en in besluiten van de Associatieraad EEG-Turkije waaronder Besluit 1/80 van 19 september 1980 (hierna: Besluit 1/80).

Ingevolge artikel 9 van het Associatieovereenkomst erkennen de overeenkomstsluitende partijen dat binnen de werkingssfeer van de overeenkomst, en onverminderd de bijzondere bepalingen die krachtens artikel 8 zouden kunnen worden vastgesteld, elke discriminatie uit hoofde van nationaliteit is verboden, overeenkomstig het in artikel 7 van het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap vermelde beginsel.

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol voeren de overeenkomstsluitende partijen onderling geen nieuwe beperkingen in met betrekking tot de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten (standstill-bepaling).

Ingevolge artikel 59 van het Aanvullend Protocol mag op de onder dit protocol vallende gebieden de behandeling van Turkije niet gunstiger zijn dan die welke de lidstaten elkaar toekennen krachtens het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap.

Artikel 6, eerste lid, van Besluit 1/80 luidt als volgt:

Behoudens het bepaalde in artikel 7 betreffende de vrije toegang tot arbeid van de gezinsleden, heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een Lid-Staat behoort:

– na een jaar legale arbeid in die Lid-Staat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft;

– na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de Lid-Staten van de Gemeenschap te verlenen voorrang, in die Lid-Staat het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die Lid-Staat;

– na vier jaar legale arbeid in die Lid-Staat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze.”

Artikel 7 van Besluit 1/80 luidt als volgt:

Gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer, die toestemming hebben gekregen om zich bij hem te voegen:

– hebben het recht om – onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang – te reageren op een arbeidsaanbod, wanneer zij sedert ten minste drie jaar aldaar legaal wonen;

– hebben er vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te hunner keuze wanneer zij sedert ten minste vijf jaar aldaar legaal wonen.

Kinderen van Turkse werknemers die in het gastland een beroepsopleiding hebben voltooid, kunnen, ongeacht hoe lang zij in de betreffende lidstaat wonen, in die lidstaat op ieder arbeidsaanbod reageren, op voorwaarde dat één van de ouders gedurende ten minste drie jaar legaal in de betrokken lidstaat heeft gewerkt.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van Besluit 1/80 passen de lidstaten van de Gemeenschap op de Turkse werknemers die tot hun legale arbeidsmarkt behoren een stelsel toe dat wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie uit hoofde van de nationaliteit ten opzichte van communautaire werknemers, voor wat betreft de lonen en verdere arbeidsvoorwaarden.

Ingevolge artikel 13 van Besluit 1/80 mogen de lidstaten van de Gemeenschap en Turkije geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn (standstill-bepaling).

2. Eiseres is geboren op [1977] en bezit de Turkse nationaliteit. Zij is op 30 juli 2002 Nederland binnengekomen. Op 24 december 2002 is eiseres is in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij echtgenoot [naam 2]’, welke laatstelijk is verlengd tot 27 november 2011.

[naam 2] bezit de Turkse en de Nederlandse nationaliteit en heeft in Nederland arbeid in loondienst verricht. Staande het huwelijk zijn op 13 november 2006 twee dochters geboren, [naam 3] [naam 4]. Beide kinderen bezitten zowel de Turkse als de Nederlandse nationaliteit. Vanaf 17 mei 2010 wonen eiseres en haar (ex) echtgenoot niet meer op hetzelfde adres samen en is een echtscheidingsprocedure opgestart.

Op 21 mei 2010 heeft eiseres wijziging van het verblijfsdoel van haar vergunning aangevraagd onder de beperking ‘voortgezet verblijf’. Bij besluit van 30 juni 2010 heeft verweerder de aanvraag onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ afgewezen. Tevens heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiseres onder de beperking ‘verblijf bij echtgenoot [naam 2] met ingang van 17 mei 2010 ingetrokken. Tegen de afwijzing van de aanvraag onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ heeft eiseres een bezwaarschrift ingediend. Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard.

3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor vergunningverlening onder het verblijfsdoel ‘voortgezet verblijf’, omdat zij geen inburgeringsexamen heeft behaald. Eiseres komt niet aanmerking voor vrijstelling van het inburgeringsexamen, omdat zijn geen rechten kan ontlenen aan de Associatie-overeenkomst, het Aanvullend Protocol en het Besluit 1/80.

Eiseres heeft niet met objectief verifieerbare stukken aangetoond dat zij meer dan een jaar legale arbeid in Nederland heeft verricht, zodat artikel 6 van Besluit 1/80 niet op haar van toepassing is. Eiseres kan evenmin rechten ontlenen aan artikel 7 van Besluit 1/80, omdat haar (ex) echtgenoot op het moment dat eiseres tot Nederland werd toegelaten en gedurende de eerste drie jaar samenwoning de Nederlandse nationaliteit bezat. Dat haar (ex) echtgenoot eveneens de Turkse nationaliteit bezit doet daar niet aan af. Het doel van Besluit 1/80 is immers om de banden tussen de EG en Turkije te versterken door middel van stimuleren van verkeer van Turkse werknemers. Dit doel wordt niet gediend als de verblijfsgever (tevens) Nederlander is.

Een beroep op de standstill-bepaling heeft evenmin kans van slagen omdat ook EU-burgers, die onder dezelfde beperking verblijfsrecht wensen, aan het inburgeringsvereiste moeten voldoen. Volgens artikel 59 van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst hoeft een vreemdeling met Turkse nationaliteit niet te worden bevoordeeld boven een EU-onderdaan. Daarnaast is de koppeling tussen het behalen van het inburgeringsexamen en het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van voortgezet verblijf per 1 januari 2010 van kracht. Eiseres heeft haar aanvraag na 1 januari 2010 ingediend, zodat het inburgeringvereiste onverkort van toepassing is op eiseres.

Verder is er geen schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), omdat er niet gebleken is van een objectieve belemmering om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen.

4. Eiseres heeft gesteld dat het sinds 1 januari 2010 geldende inburgeringsbeleid niet op haar kan worden toegepast, omdat zij al op 24 december 2002 tot Nederland is toegelaten. Daarnaast heeft eiseres aangevoerd dat zij in aanmerking komt voor vrijstelling van het inburgeringsexamen, omdat zij rechten kan ontlenen aan de Associatieovereenkomst, het Aanvullend Protocol en het Besluit 1/80. Zij is Turks staatsburger en verblijft sinds juli 2002 in Nederland. Zij heeft zelf in Nederland gewerkt en een zelfstandig verblijfsrecht verworven als gezinslid van een Turkse werknemer op grond van artikel 7 van Besluit 1/80. Gelet hierop is eiseres is van mening dat zij recht heeft op voortgezet verblijf. Eiseres heeft verwezen naar arresten van het Hof van 18 december 2008 (C-337/07, JV 2009/43, LJN:BG9362) en 22 december 2010 (C-303/08, JV 2011/ 69, LJN: BP0398) en de noten onder deze arresten van prof. mr. C.A. Groenendijk.

Daarnaast stelt eiseres dat er sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM. Het is in het belang van haar kinderen dat zij en haar kinderen in Nederland kunnen verblijven, omdat er familieleven is met de vader. Eiseres heeft in het kader van haar echtscheiding een ouderschapsplan en een echtscheidingsconvenant overgelegd, waarin een alimentatieregeling en een omgangsregeling zijn opgenomen. Het familieleven kan volgens eiseres niet in Turkije worden uitgeoefend.

5. Ter zitting op 16 maart 2011 heeft eiseres een beroep gedaan op het voornoemde arrest Ruiz Zambrano van het Hof van 8 maart 2011. Eiseres heeft gesteld dat dit arrest gevolgen heeft voor haar zaak omdat zij ook twee kinderen heeft die de Nederlandse nationaliteit bezitten.

6. Verweerder heeft zich bij fax van 14 april 2011 primair op het standpunt gesteld dat het in strijd is met de goede procesorde om eerst ter zitting de beroepsgronden van het Hof aan te vullen door te verwijzen naar het arrest Ruiz Zambrano. Subsidiair stelt verweerder dat het beroep op voornoemd arrest niet kan leiden tot verblijfsaanvaarding van eiseres. Verweerder heeft in dit kader verwezen naar de op 31 maart 2011 verstuurde brief aan de Tweede Kamer (kenmerk 5690802/11) waarin verweerder aangeeft wat de reikwijdte van het arrest is.

7. Eiseres heeft zich bij brief van 20 april 2011 op het standpunt gesteld dat verweerder een te beperkte reikwijdte geeft aan het arrest Ruiz Zambrano. Het is voor de kinderen essentieel dat eiseres in Nederland kan verblijven om voor hen te verzorgen. De kinderen zullen met het vertrek van eiseres in de feitelijke onmogelijkheid komen te verkeren om de belangrijkste aan hun status van burger van de Unie ontleende rechten uit te oefenen.

8. Naar aanleiding van de voornoemde uitspraak van 16 augustus 2011 van de Raad betreffende de inburgeringsplicht voor Turkse staatsburgers in Nederland heeft verweerder op 31 augustus 2011 gesteld dat in die zaak, anders dan bij eiseres het geval is, wel sprake was van een arbeidsverleden en herintegratie in de arbeidsmarkt. Eiseres heeft niet ingevolge artikel 6 van Besluit 1/80 één jaar legale arbeid verricht. De omstandigheid dat de (ex) echtgenoot van eiseres (tevens) Nederlander is, maakt dat eiseres niet onder de reikwijdte van artikel 7 van Besluit 1/80 valt. Gelet hierop wordt niet toegekomen aan de vraag of het inburgeringsvereiste in strijd is met de standstill bepaling van Besluit 1/80.

9. Eiseres heeft op 16 september 2011 gesteld dat zij in Nederland in 2004 en 2005 heeft gewerkt voor uitzendbureau Action, zodat zij wel degelijk rechten kan ontlenen aan artikel 6 van Besluit 1/80.

De rechtbank overweegt het volgende.

10. De koppeling tussen het behalen van het inburgeringsexamen en het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van voortgezet verblijf is per 1 januari 2010 van kracht. Nu eiseres haar aanvraag op 21 mei 2010 heeft ingediend is het inburgeringvereiste op haar aanvraag van toepassing. Dat eiseres vanaf 24 december 2002 in Nederland is toegelaten maakt het vorenstaande niet anders. Dat eiseres de intentie heeft om een inburgeringcursus te gaan volgen kan evenmin tot een ander oordeel leiden.

11. Vervolgens staat ter beoordeling of eiseres rechten kan ontlenen aan Besluit 1/80 en of de invoering van de inburgeringsplicht met de daaraan verbonden gevolgen een nieuwe beperking van uit het associatierecht voortvloeiende rechten vormt die in strijd is met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol en artikel 13 van Besluit 1/80.

12. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres niet heeft onderbouwd dat zij één jaar legale arbeid in Nederland heeft verricht. Uit de overgelegde intentieverklaring van uitzendbureau Action volgt immers dat de administratie maar een bepaald aantal jaren wordt bewaard, zodat niet meer getraceerd kan worden of eiseres in 2004/2005 werkzaam is geweest voor uitzendbureau Action. Gelet hierop kan eiseres geen beroep doen op artikel 6 van Besluit 1/80.

13. Ten aanzien van het beroep op artikel 7 van Besluit 1/80 overweegt de rechtbank dat het Hof in zijn arrest van 29 maart 2012 (C-7/10 en C-9/19) heeft overwogen dat artikel 7 van Besluit 1/80 in die zin moet worden uitgelegd dat gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer zich nog steeds op deze bepaling kunnen beroepen wanneer die werknemer, onder behoud van de Turkse nationaliteit, de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst heeft verkregen.

Gelet hierop heeft verweerder in het bestreden ten onrechte gesteld dat de omstandigheid dat de (ex) echtgenoot van eiseres (tevens) Nederlander is, maakt dat eiseres niet onder de reikwijdte van artikel 7 van Besluit 1/80 valt.

Nu eiseres van 24 december 2002 tot en met 17 mei 2010 als gezinslid bij haar (ex) echtgenoot heeft gewoond en deze (ex) echtgenoot, naar onbetwist door eiseres is gesteld, arbeid in loondienst heeft verricht, heeft eiseres op grond van artikel 7 van Besluit 1/80 een zelfstandig verblijfsrecht verworven gekoppeld aan het recht op vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te harer keuze.

Daarnaast heeft de Raad in de voornoemde uitspraak van 16 augustus 2011 ten aanzien van de inburgeringsplicht en het associatierecht in rechtsoverweging 7.1.10 het volgende overwogen: “ De Raad komt aldus tot het oordeel dat uit de rechtspraak van het Hof geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat de in de Wi neergelegde inburgeringsplicht voor Turkse staatsburgers die een beroep kunnen doen op artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol dan wel op de artikelen 6, 7 of 13 van Besluit 1/80, in strijd is met die artikelen (in elk geval) voor zover het de onder 7.1.7 en 7.1.8 weergegeven gevolgen van de inburgeringsplicht betreft. Dat de inburgeringsplicht (ook) voor Turkse staatsburgers positieve effecten kan hebben voor hun integratie in de Nederlandse samenleving, kan niet leiden tot het oordeel dat de uit het associatierecht voor de lidstaten van de EU voortvloeiende juridische verplichtingen niet meer gelden.”

14. Uit het vorenstaande volgt dat eiseres op grond van artikel 5, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wi niet inburgeringsplichtig is. Het beroep is aldus gegrond, omdat het bestreden besluit is genomen in strijd met deze bepaling.

15. Gelet hierop vernietigt de rechtbank het bestreden besluit en zal de rechtbank in het kader van finale geschillenbeslechting zelf in de zaak voorzien, onder herroeping van het primaire besluit van 30 juni 2010. Zij overweegt daartoe dat de door verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde weigeringsgrond ten onrechte is gehanteerd en dat van andere weigeringsgronden niet is gebleken. Onder die omstandigheden rest voor verweerder geen andere mogelijkheid dan wijziging van het verblijfsdoel van “verblijf bij echtgenoot [naam 2]” in “voortgezet verblijf” met ingang van 17 mei 2010 en dienovereenkomstige vergunningverlening.

16. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten worden vastgesteld op € 874,- (een punt voor het beroepschrift, een punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

17. Aan de overige beroepsgronden komt de rechtbank verder niet toe.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

herroept het besluit van 30 juni 2010 tot afwijzing van de gevraagde wijziging van de beperking in “voortgezet verblijf”;

bepaalt dat verweerder eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent onder de beperking “voortgezet verblijf” met als ingangsdatum 17 mei 2010, en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

gelast dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, ten bedrage van € 150,- (hondervijftig euro) vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 874,- (achthonderdvierenzeventig euro), te betalen door verweerder aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P. van Alphen, in tegenwoordigheid van mr. J. A.B. Koens, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2012.

Afschrift verzonden op: 2 augustus 2012