Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX4862

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
16-08-2012
Zaaknummer
12/22648, 12/23064
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Uit de overwegingen van het Hof volgt dat artikel 13 van de Schengengrenscode niet alleen van toepassing is indien verblijf van korte duur wordt beoogd, maar van toepassing is op alle onderdanen van derde landen die een lidstaat wensen binnen te komen door een buitengrens van de Schengenruimte te overschrijden, ongeacht de duur van het voorgenomen verblijf (overwegingen 32, 34, 35 en 38). Voorts volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter uit de overwegingen 38, 39 en 40 dat zowel personen met een tijdelijke verblijfsvergunning, als de in artikel 5, vierde lid genoemde categorieën van personen èn asielzoekers, zoals verzoeker, onder het bereik van artikel 13 juncto artikel 5 van de Schengengrenscode vallen. Ofwel: wanneer een persoon behorend tot éen van de hiervoor genoemde groepen zich aan de buitengrenzen van een Schengenruimte meldt, moeten de met de grenscontrole belaste ambtenaren hem overeenkomstig artikel 13 van de Schengengrenscode de toegang tot het grondgebied weigeren, tenzij die persoon behoort tot één van de in artikel 5, vierde lid van de Schengengrenscode genoemde uitzonderingen (overweging 39) dan wel die persoon een asielzoeker is, in welk laatste geval de toegang slechts kan worden geweigerd indien die niet in strijd komt met de bepalingen ter bescherming van asielzoekers, zoals het beginsel van non-refoulement (overweging 40). Uit overweging 38 is af te leiden dat het Hof geen doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het feit dat de in artikel 5, eerste lid van de Schengengrenscode bedoelde toegangsvoorwaarden betrekking hebben op een verblijf van tenminste drie maanden per periode van zes maanden.

De conclusie luidt dat artikel 13 juncto artikel 5 van de Schengengrenscode op verzoeker van toepassing is. Verweerder heeft ten onrechte artikel 3 Vw aan de weigering van (verdere) toegang ten grondslag gelegd. De verdere toegangsweigering kon slechts worden gebaseerd op artikel 13 juncto artikel 5 van de Schengengrenscode.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening in die zin dat verzoeker door verweerder dient te worden behandeld als ware hem de verdere toegang tot Nederland verleend tot vier weken nadat op het administratief beroep is beslist.

Nu de (verdere) toegangsweigering onrechtmatig is, is bij de toepassing van de maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw geen sprake geweest van een vreemdeling aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd. Derhalve is de ambtenaar belast met grensbewaking niet bevoegd geweest de voormelde vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. De oplegging en voortduring van de opgelegde maatregel zijn derhalve onrechtmatig te achten.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 3
Vreemdelingenwet 2000 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/424

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12 / 22648 (vrijheidsontneming)

AWB 12 / 23064 (toegangsweigering)

uitspraak van de voorzieningenrechter en de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 15 augustus 2012 in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Egyptische nationaliteit, verblijvende in het Uitzetcentrum (UZC) Schiphol,

eiser, verzoeker,

(gemachtigde: mr. A.A. Vermeij, advocaat te `s-Gravenhage),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder,

(gemachtigde: mr. A.J. Hakvoort, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage).

Procesverloop

De ambtenaar belast met de grensbewaking heeft op 5 juli 2012 aan eiser op grond van artikel 3 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) de toegang tot Nederland geweigerd en bij besluit van diezelfde datum aan hem op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Eiser heeft tegen de maatregel op 16 juli 2012 beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding toe te kennen.

Verzoeker heeft op 16 juli 2012 administratief beroep ingesteld tegen de toegangsweigering.

Op 19 juli 2012 heeft verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, die ertoe strekt dat aan hem alsnog toegang tot Nederland wordt verleend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2012. Eiser/verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen te reageren op de door de gemachtigde van eiser/verzoeker ingediende nadere gronden van het beroep en het verzoek. Bij brief van 31 juli 2012, ontvangen op 1 augustus 2012, heeft verweerder gereageerd. Bij brief van 3 augustus 2012 heeft de gemachtigde van eiser/verzoeker hierop een reactie gegeven.

Vervolgens heeft de rechtbank op 8 augustus 2012 het onderzoek, met toestemming van partijen zonder het houden van een nadere zitting, gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

1. Indien tegen een besluit administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Ingevolge artikel 3, aanhef en onder a, van Verordening (EG) Nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (PB 2006 L 105; hierna: de Schengengrenscode) is deze van toepassing op iedereen die de binnen- of buitengrenzen van de lidstaten overschrijdt, onverminderd de rechten van de personen die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen.

Ingevolge artikel 3, aanhef en onder b, van de Schengengrenscode is deze van toepassing op iedereen die de binnen- of buitengrenzen van de lidstaten overschrijdt, onverminderd de rechten van vluchtelingen en personen die om internationale bescherming verzoeken, met name wat betreft non-refoulement.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Schengengrenscode gelden voor onderdanen van derde landen de in dat artikellid genoemde voorwaarden voor een verblijf van ten hoogste drie maanden per periode van zes maanden.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Schengengrenscode wordt een onderdaan van een derde land die niet aan alle in artikel 5, eerste lid, vermelde toegangsvoorwaarden voldoet, en niet tot de in artikel 5, vierde lid, genoemde categorieën personen behoort, de toegang tot het grondgebied van de lidstaten geweigerd. Dit laat de toepassing van de bijzondere bepalingen inzake asielrecht en internationale bescherming of inzake afgifte van een visum voor een verblijf van langere duur onverlet.

In artikel 3, eerste lid, Vw is bepaald dat in andere dan in de Schengengrenscode geregelde gevallen, de toegang tot Nederland wordt geweigerd aan de vreemdeling die niet voldoet aan de onder sub a tot en met d genoemde voorwaarden.

Ingevolge artikel 3, derde lid, Vw, weigeren de ambtenaren belast met de grensbewaking niet dan ingevolge een bijzondere aanwijzing van Onze Minister de toegang tot Nederland aan de vreemdeling die te kennen geeft dat hij asiel wenst.

3. Verweerder heeft eiser op grond van artikel 3 Vw de toegang geweigerd omdat eiser:

- niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding en/of in het bezit van een document voor grensoverschrijding waarin het nodige visum ontbreekt;

- niet beschikt over voldoende middelen om te voorzien zowel in de kosten van verblijf in Nederland als in die van zijn reis naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang is gewaarborgd.

4. Verzoeker voert in de eerste plaats – kort samengevat - het volgende aan. De toegangsweigering is onrechtmatig. Verzoeker heeft gelijk bij aankomst te kennen gegeven dat hij asiel wil aanvragen. Een asielzoeker die de buitengrens van het Schengengebied wil overschrijden kan slechts de toegang geweigerd worden op grond van artikel 13 juncto artikel 5 van de Schengengrenscode. Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 14 juni 2012 in de zaak C-606/10 (Anafe/Frankrijk). Hierin is uitdrukkelijk overwogen dat volgens artikel 3 van de Schengengrenscode de verordening van toepassing is op iedere derdelander die de buitengrenzen van een lidstaat overschrijdt en dat daaruit volgt dat de voorschriften inzake de weigering van toegang in artikel 13 van de Schengengrenscode gelden voor alle onderdanen van derde landen die een lidstaat wensen binnen te komen door een buitengrens van de Schengenruimte te overschrijden. Bovendien is voor de toegangsweigering in de Schengengrenscode een standaardformulier, opgenomen in bijlage V, deel B, voorgeschreven. Aangezien verzoeker ten onrechte de toegang is geweigerd op grond van artikel 3 Vw en de toegangsweigering niet is gegeven in de vorm van het door de Schengengrenscode voorgeschreven standaardformulier, is de toegangsweigering in strijd met de Schengengrenscode.

5. In zijn reactie van 31 juli 2012 heeft verweerder zich op het volgende standpunt gesteld. Verweerder wijst erop dat het Hof dit arrest heeft gewezen in verband met de vraag of artikel 13 van de Schengengrenscode van toepassing is op de terugkeer van een onderdaan van een derde land naar het grondgebied van een lidstaat, alwaar aan hem of haar een tijdelijke verblijfsvergunning is afgegeven, indien deze terugkeer kan gebeuren zonder binnenkomst op, doorreis over, of verblijf op het grondgebied van de overige lidstaten Onder verwijzing naar rechtsoverweging 38 van het arrest stelt verweerder dat de uitspraak van het Hof nadrukkelijk betrekking heeft op vreemdelingen met een -tijdelijke- verblijfsvergunning of die houder zijn van een terugkeervisum. Een verdere uitbreiding van dit arrest naar de groep asielzoekers kan naar het oordeel van verweerder in de uitspraak van het Hof niet worden gelezen. Volgens verweerder doen de rechtsoverwegingen 33 tot en met 35 van het Hof daar niet aan af. Immers in rechtsoverweging 40 herinnert het Hof er aan dat de Schengengrenscode volgens artikel 3, sub b, van toepassing is, onverminderd de rechten van vluchtelingen en personen die om internationale bescherming verzoeken, met name wat betreft non-refoulement. De controles moeten dus worden uitgevoerd onverminderd de toepassing van bepalingen ter bescherming van asielzoekers, met name wat het beginsel van non-refoulement betreft. De omstandigheid dat de Nederlandse wetgeving, in aanvulling op de rechtstreeks werkende bepalingen in de Schengengrenscode, een eigen rechtsgrondslag biedt voor de weigering van asielzoekers, dat via het derde lid van artikel 3 Vw een voorziening kent die refoulement beoogt te voorkomen, doet niet af aan het nuttig effect van deze verordening, zoals ook volgt uit de uitsprak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 23 februari 2011 met nummer 201001234/1. Integendeel, de bijzondere bepaling in artikel 3 Vw komt juist tegemoet aan de eisen die de Schengengrenscode stelt bij de weigering van vreemdelingen die te kennen geven asiel te wensen en zoals in rechtsoverweging 40 benoemd door het Hof. Dit is ook nadrukkelijk zo beoogd bij de invoering van de Schengengrenscode in het regiem van de Vw. In dit verband heeft verweerder verwezen naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Vw met het oog op de uitvoering van de Schengengrenscode, Kamerstukken II 2007/08, 31 208, nr.3 (hierna: de memorie van toelichting). Artikel 3, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met artikel 13, eerste lid, van de Schengengrenscode, is bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Vw zo uitgelegd dat daarmee beoogd is de weigering van toegang van vreemdelingen die een asielaanvraag wensen in te dienen buiten het bereik van de Schengengrenscode te houden, zodat dientengevolge een vreemdeling die een asielaanvraag wenst in te dienen de toegang tot Nederland slechts kan worden ontzegd op grond van artikel 3, derde lid, Vw. De in artikel 3, derde lid, van de Vw, bedoelde handelwijze, waarbij aan een vreemdeling die te kennen geeft dat hij asiel wenst niet dan ingevolge een bijzondere aanwijzing de toegang wordt geweigerd, beoogt deze bijzondere waarborg voor de asielzoekende vreemdeling te creëren. Verweerder merkt daarbij op dat de aanwijzing bedoeld in artikel 3, derde lid Vw, dient ter voorkoming van refoulement. Deze aanwijzing is vastgelegd in de Vreemdelingenciruculaire 2000 (Vc) in hoofdstuk C9/2.1.1.1.1 juncto C12/2.3.

6. In zijn reactie van 3 augustus 2012 heeft verzoeker zijn eerder ingenomen standpunt gehandhaafd. Volgens verzoeker volgt uit rechtsoverwegingen 33 tot en met 40 van het arrest van 14 juni 2012 onomstotelijk dat de toegangsweigering, ongeacht de duur van het door een derdelander beoogde verblijf, slechts geweigerd kan worden met toepassing van de Schengengrenscode.

7. Niet in geschil is dat verzoeker bij aankomst in Nederland ten overstaan van een medewerker van de Koninklijke Marechaussee te kennen heeft gegeven dat hij asiel wil aanvragen. Voorts staat vast dat de toegangsweigering aan eiser is gebaseerd op artikel 3 Vw.

8. De voorzieningenrechter stelt voorop deze toegangsweigering aan te merken als een weigering verzoeker de verdere toegang tot het grondgebied van Nederland te verlenen. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2011 (LJN: BT7118), met name de overwegingen 2.61, 2.62 en 2.6.3 alsmede de aan die overwegingen verbonden conclusie dat artikel 3 Vw aldus moet worden uitgelegd dat de ambtenaren belast met de grensbewaking aan een vreemdeling die te kennen heeft gegeven dat hij asiel wenst de verdere toegang, dat is de feitelijke verdere binnenkomst in het grondgebied, mogen ontzeggen. De voorzieningenrechter sluit zich hierbij aan.

9. Vervolgens dient beoordeeld te worden of verweerder de weigering om verzoeker de verdere toegang tot Nederland te verlenen, terecht heeft gebaseerd op artikel 3 Vw. Hierbij is het volgende van belang.

10. In het door verzoeker aangehaalde arrest van het Hof van 14 juni 2012 is, voor zoveer hier van belang, het volgende overwogen:

”30. Met betrekking tot de weigering van toegang bevat artikel 13, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 562/2006 de algemene regel dat een onderdaan van een derde land die niet aan alle in artikel 5, lid 1, van deze verordening vermelde toegangsvoorwaarden voldoet, en niet tot een van de in artikel 5, lid 4, genoemde categorieën van personen behoort, de toegang tot de Schengenruimte wordt geweigerd. Volgens artikel 13, lid 1, tweede volzin, laat deze bepaling de toepassing van de bijzondere bepalingen inzake asielrecht en internationale bescherming of inzake afgifte van visa voor een verblijf van langere duur onverlet.

31. Artikel 13, leden 2 tot en met 6, van verordening nr. 562/2006 regelt de verdere modaliteiten voor de weigering van toegang.

32. Anders dan ANAFE betoogt, kan artikel 13 van verordening nr. 562/2006 niet aldus worden uitgelegd dat de toegang tot de Schengenruimte aan een onderdaan van een derde land die een verblijfsdocument overlegt dat geen verblijfsvergunning in de zin van artikel 2, punt 15, van deze verordening is, enkel kan worden geweigerd wanneer om toegang wordt verzocht aan de grens van een andere lidstaat dan die welke het verblijfsdocument heeft afgegeven en met het oog op een verblijf van korte duur.

33. Volgens artikel 3 van de verordening is deze verordening namelijk van toepassing op iedereen die de binnen- of buitengrenzen van een lidstaat van de Schengenruimte overschrijdt.

34. Daaruit volgt dat de voorschriften inzake de weigering van toegang in artikel 13 van verordening nr. 562/2006 gelden voor alle onderdanen van derde landen die een lidstaat wensen binnen te komen door een buitengrens van de Schengenruimte te overschrijden.

35. Aangezien deze verordening de personencontroles aan de binnengrenzen heeft afgeschaft en de grenscontroles naar de buitengrenzen van deze ruimte heeft verschoven, zijn de bepalingen ervan inzake weigering van toegang aan de buitengrenzen in beginsel van toepassing op het grensoverschrijdende personenverkeer in zijn totaliteit, ook wanneer de buitengrenzen van de Schengenruimte van een lidstaat enkel worden overschreden met het oog op verblijf in deze lidstaat.

36. Dat een onderdaan van een derde land op grond van een door een lidstaat afgegeven tijdelijke verblijfsvergunning via een buitengrens van de Schengenruimte naar die lidstaat probeert terug te keren, zonder dat hij de bedoeling heeft toegang te verkrijgen tot die gehele ruimte, verzet zich dus niet tegen de toepassing van artikel 13 van verordening nr. 562/2006.

37. Deze uitlegging vindt steun in het feit dat artikel 13, lid 1, tweede volzin, van verordening nr. 562/32006, waarin wordt verwezen naar de mogelijkheid van toegang tot een lidstaat op grond van asielrechtelijke bepalingen of naar de afgifte van een nationaal visum voor een verblijf van langere duur, daarmee vormen noemt van toegang via de buitengrenzen van de Schengenruimte van een lidstaat met het oog op een primair en langdurig verblijf uitsluitend in deze lidstaat.

38. De duur van het verblijf is evenmin van invloed op de toepassing van artikel 13 van verordening nr. 562/2006. Deze uitlegging vindt steun in het feit dat artikel 13, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 562/2006 naar artikel 5 van deze verordening verwijst. Hoewel artikel 13 de in artikel 5, lid 1, bedoelde toegangsvoorwaarden betreft, die betrekking hebben op een verblijf van ten hoogste drie maanden per periode van zes maanden, verwijst deze bepaling immers ook naar de in artikel 5, lid 4, bedoelde categorieën van personen, te weten personen die houder zijn van een verblijfsvergunning of van een terugkeervisum. De houders van een verblijfsvergunning of van een terugkeervisum die voor langer dan drie maanden naar een lidstaat wensen terug te keren, vallen dus binnen de werkingssfeer van dit artikel 13.

39. Uit een en ander volgt dat de onderdaan van een derde land die in het bezit is van een verblijfsdocument op grond waarvan hij tijdelijk op het grondgebied van een lidstaat mag verblijven in afwachting van een beslissing aangaande zijn aanvraag tot verblijf of zijn asielverzoek en die het grondgebied verlaat van de staat waar hij een aanvraag tot verblijf of een asielverzoek heeft ingediend, niet naar dit grondgebied kan terugkeren louter op grond van het bezit van zijn voorlopig verblijfsdocument. Wanneer een dergelijke onderdaan zich aan de buitengrenzen van de Schengenruimte meldt, moeten de met grenscontrole belaste autoriteiten hem overeenkomstig artikel 13 van verordening nr. 562/2006 dus de toegang tot het bedoelde grondgebied weigeren tenzij hij onder een van de in artikel 5, lid 4, van deze verordening genoemde uitzonderingen valt.

40. In dit verband moet eraan worden herinnerd dat verordening nr. 562/2006 volgens artikel 3, sub b, ervan van toepassing is onverminderd de rechten van vluchtelingen en personen die om internationale bescherming verzoeken, met name wat betreft non-refoulement. Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft gesteld, moeten deze controles bijgevolg worden uitgevoerd onverminderd de toepassing van bepalingen ter bescherming van asielzoekers, met name wat het beginsel van non-refoulement betreft.

41. Derhalve moet op de eerste vraag worden geantwoord dat de voorschriften inzake de weigering van toegang aan onderdanen van derde landen in artikel 13 van verordening nr. 562/2006 ook van toepassing zijn op visumplichtige onderdanen van derde landen die – zonder daarbij het grondgebied van een andere lidstaat te betreden – via de buitengrenzen van de Schengenruimte wensen terug te keren naar het grondgebied van de lidstaat die hun een tijdelijke verblijfsvergunning heeft verstrekt.”

11. Uit de overwegingen van het Hof volgt dat artikel 13 van de Schengengrenscode niet alleen van toepassing is indien verblijf van korte duur wordt beoogd, maar van toepassing is op alle onderdanen van derde landen die een lidstaat wensen binnen te komen door een buitengrens van de Schengenruimte te overschrijden, ongeacht de duur van het voorgenomen verblijf (overwegingen 32, 34, 35 en 38). Voorts volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter uit de overwegingen 38, 39 en 40 dat zowel personen met een tijdelijke verblijfsvergunning, als de in artikel 5, vierde lid genoemde categorieën van personen èn asielzoekers, zoals verzoeker, onder het bereik van artikel 13 juncto artikel 5 van de Schengengrenscode vallen. Ofwel: wanneer een persoon behorend tot éen van de hiervoor genoemde groepen zich aan de buitengrenzen van een Schengenruimte meldt, moeten de met de grenscontrole belaste ambtenaren hem overeenkomstig artikel 13 van de Schengengrenscode de toegang tot het grondgebied weigeren, tenzij die persoon behoort tot één van de in artikel 5, vierde lid van de Schengengrenscode genoemde uitzonderingen (overweging 39) dan wel die persoon een asielzoeker is, in welk laatste geval de toegang slechts kan worden geweigerd indien die niet in strijd komt met de bepalingen ter bescherming van asielzoekers, zoals het beginsel van non-refoulement (overweging 40).

Uit overweging 38 is af te leiden dat het Hof geen doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het feit dat de in artikel 5, eerste lid van de Schengengrenscode bedoelde toegangsvoorwaarden betrekking hebben op een verblijf van tenminste drie maanden per periode van zes maanden.

12. De conclusie luidt dat artikel 13 juncto artikel 5 van de Schengengrenscode op verzoeker van toepassing is.

13. De verwijzing van verweerder naar de memorie van toelichting leidt niet tot een ander oordeel. Uit de algemene toelichting alsmede uit de specifieke toelichting op artikel 3Vw blijkt dat de wettelijke regeling tot uitgangspunt neemt dat artikel 5 van de Schengengrenscode alleen van toepassing is indien om toegang wordt gevraagd met het oog op een verblijf van ten hoogste drie maanden per periode van zes maanden en dat, gegeven dit beperkte toepassingsbereik van de artikelen 5 en 13 van de Schengengrenscode, Nederland de bevoegdheid heeft om wettelijke voorschriften te stellen ten aanzien van derdelanders die om een verblijf van langer dan drie maanden verzoeken. De voorgestelde wijziging van artikel 3, eerste lid, Vw, strekt daartoe.

Dit uitgangspunt is, gelet op de uitspraak van het Hof, niet juist.

14. Met betrekking tot de verwijzing van verweerder naar de uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2011 overweegt de voorzieningenrechter het volgende. In die zaak had de vreemdeling geklaagd dat de rechtbank ten onrechte had overwogen dat hem, als asielzoeker, op grond van artikel 13, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 5, eerste lid, van de Schengengrenscode de toegang tot het Schengengebied kon worden geweigerd. De Afdeling overwoog het volgende:

”2.2.2 Het voor de invoering van de Schengengrenscode in de Vw 2000 bestaande regime ten aanzien van de weigering van toegang van een vreemdeling die te kennen geeft dat hij asiel wenst is, gelet op de memorie van toelichting, ook na de invoering van de Schengengrenscode ongewijzigd gehandhaafd. Artikel 3, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met artikel 13, eerste lid, van de Schengengrenscode, is daarbij kennelijk zo uitgelegd dat daarmee beoogd is de weigering van toegang van vreemdelingen die een asielaanvraag wensen in te dienen buiten het bereik van de Schengengrenscode te houden en dat dientengevolge een vreemdeling die een asielaanvraag wenst in te dienen de toegang tot Nederland slechts kan worden ontzegd op grond van artikel 3, derde lid, van de Vw 2000.

2.2.3. De in artikel 3, derde lid, van de Vw 2000 bedoelde handelwijze, waarbij aan een vreemdeling die te kennen geeft dat hij asiel wenst niet dan ingevolge een bijzondere aanwijzing de toegang wordt geweigerd, betreft een speciale regeling die een bijzondere waarborg inhoudt voor de betrokken vreemdeling. Dit in aanmerking genomen acht de Afdeling de in 2.2.2. weergegeven uitleg juist.”

Vervolgens heeft de Afdeling geconcludeerd dat de grief van de vreemdeling slaagt, is het hoger beroep gegrond verklaard, de aangevallen uitspraak vernietigd, het beroep in eerste aanleg gegrond verklaard, het op artikel 13 juncto artikel 5 van de Schengengrenscode gebaseerde besluit van de minister vernietigd en het besluit tot toegangsweigering van de ambtenaar belast met de grensbewaking herroepen.

Nu het oordeel van de Afdeling in genoemde uitspraak is gebaseerd op de memorie van toelichting, kan, gelet op hetgeen hiervoor met betrekking tot die memorie van toelichting is overwogen, die uitspraak evenmin leiden tot een ander oordeel.

15. Gelet op het vorenstaande dient de hierboven onder 9 opgeworpen vraag ontkennend te worden beantwoord. De verdere toegangsweigering kon slechts worden gebaseerd op artikel 13 juncto artikel 5 van de Schengengrenscode.

16. Uit het vorenstaande reeds volgt dat het administratief beroep een redelijke kans van slagen heeft.

17. Hetgeen overigens door partijen is aangevoerd behoeft thans geen bespreking meer.

18. De voorzieningenrechter ziet op grond van het voorgaande en gelet op de betrokken belangen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening in die zin dat verzoeker door verweerder dient te worden behandeld als ware hem de verdere toegang tot Nederland verleend tot vier weken nadat op het administratief beroep is beslist.

19. Verweerder zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb worden veroordeeld in de kosten die verzoeker heeft gemaakt. De kosten ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn € 874,- in verband met het verzoek om voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

20. Verweerder zal worden gelast het door verzoeker betaalde griffierecht ad € 156,- aan hem te vergoeden.

Ten aanzien van het beroep inzake de vrijheidsontnemende maatregel

21. De ambtenaar belast met grensbewaking is op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw bevoegd een vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd, een ruimte of plaats als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel aan te wijzen, waar hij zich dient op te houden welke kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.

22. Nu de (verdere) toegangsweigering onrechtmatig is, is bij de toepassing van de maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw bij eiser geen sprake geweest van een vreemdeling aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd. Derhalve is de ambtenaar belast met grensbewaking niet bevoegd geweest eiser voormelde vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. De oplegging en voortduring van de aan verzoeker opgelegde maatregel zijn derhalve onrechtmatig te achten.

23. Het beroep zal dan ook reeds hierom gegrond worden verklaard. Met ingang van 15 augustus 2012 zal de opheffing van de maatregel worden bevolen.

24. Nu de aan eiser opgelegde vrijheidsontnemende maatregel van meet af aan onrechtmatig is geweest, komt eiser met toepassing van artikel 106 Vw in aanmerking voor toekenning van schadevergoeding. Voor het verblijf van eiser in het Detentiecentrum Schiphol-Oost wordt een schadevergoeding van € 50,- per dag toegekend. De rechtbank begroot de schadevergoeding van verzoeker daarom op € 2.050,- (41 dagen verblijf in Detentiecentrum Schiphol-Oost).

25. Gelet op het voorgaande is er voorts aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 437,- (1 punt voor het beroepschrift) als kosten van verleende rechtsbijstand. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

26. Verweerder zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb worden veroordeeld in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn € 437,- in verband met het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel (1 punt voor het beroepschrift; er is geen aanleiding voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling van het beroep ter zitting). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, moet dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb worden betaald aan de griffier.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- treft de voorziening dat verzoeker dient te worden behandeld als ware hem verdere toegang verleend tot Nederland;

- veroordeelt verweerder in de kosten ad € 874,- en draagt verweerder op deze kosten aan verzoeker te voldoen.

- draagt de verweerder op het betaalde griffierecht ad € 156,- aan verzoeker te vergoeden.

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en beveelt de opheffing van de maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw met ingang van 15 augustus 2012;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe tot een bedrag van € 2.050,- en veroordeelt verweerder tot vergoeding van die schade aan eiser;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 437,- en draagt verweerder op deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Greeuw, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.A. de Graaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2012.

griffier rechter

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van

€ 2.050,-.

Aldus gedaan op 15 augustus 2012 door mr. H.C. Greeuw, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken.

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.