Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX4471

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-08-2012
Datum publicatie
14-08-2012
Zaaknummer
09/997103-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte gedurende drie en een half jaar zonder handelsvergunning bedrijfsmatig gehandeld in slaap- en kalmeringsmiddelen en de verdiensten hieruit witgewassen. Tevens heeft verdachte de Wet wapen en munitie overtreden.

Het belang van handhaving van het verbod op de illegale handel in geneesmiddelen behoeft nauwelijks nadere beargumentering. Verdachte gaat met het plegen van dit feit voorbij aan de gevaren die het ongecontroleerde gebruik van deze middelen met zich meebrengen. De onderhavige middelen kunnen bij onoordeelkundige toepassing immers zeer schadelijk voor de gezondheid zijn en hebben bovendien een verslavende werking. Door de ongelimiteerde beschikking over deze middelen aan - vele honderden - afnemers te verschaffen, hebben verdachte en zijn medeverdachte het gebruik voor hen eenvoudig gemaakt en bevorderd. De rechtbank rekent dit verdachte zeer zwaar aan. Verdachte heeft zich kennelijk laten leiden door het oogmerk van financieel gewin ten koste van het welzijn van anderen.

Het misdrijf witwassen vormt in meerdere opzichten een bedreiging voor de integriteit van de samenleving. Het maakt criminaliteit lucratief en vormt een aantasting van het financieel-economisch bestel.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met het feit dat verdachte, zoals blijkt uit een uittreksel Justitiële Documentatie van 23 maart 2012, reeds eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte tijdens zijn verhoren bij de politie geen openheid heeft gegeven over zijn aandeel in de strafbare feiten en bovendien niet is verschenen ter terechtzitting, waarmee hij ervan blijk heeft gegeven geen enkele verantwoordelijkheid te willen nemen voor zijn daden.

Gevangenisstraf 24 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/997103-11

Datum uitspraak: 14 augustus 2012

Verstek

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats]

[adres]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 31 juli 2012.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.A.W. Mol.

Verdachte is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet ter terechtzitting verschenen. Er is evenmin een uitdrukkelijk gemachtigde advocaat ter terechtzitting verschenen. De behandeling van de zaak is daarom, nadat de rechtbank verstek heeft verleend tegen de niet verschenen verdachte, buiten aanwezigheid van verdachte voortgezet.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij,

op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2007 tot en met 9 maart 2011, (telkens) te 's-Gravenhage en/of (elders) in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk, meermalen, althans eenmaal,

heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad,

- een hoeveelheid oxazepam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende oxazepam, en/of

- een hoeveelheid valium en/of diazepam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende valium en/of diazepam, en/of

- een hoeveelheid clonazepam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende clonazepam, en/of

- een hoeveelheid alprazolam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende alprazolam, en/of

- een hoeveelheid temazepam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende temazepam, en/of

- een hoeveelheid flurazepam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende flurazepam, en/of

- een hoeveelheid bromazepam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende bromazepam, en/of

- een hoeveelheid lormetazepam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende lormetazepam, en/of

- een hoeveelheid zolpidem, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende zolpidem, en/of

- een hoeveelheid lorazepam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende lorazepam,

zijnde oxazepam en/of valium en/of diazepam en/of clonazepam en/of alprazolam en/of temazepam en/of flurazepam en/of bromazepam en/of lormetazepam en/of zolpidem en/of lorazepam, (elk) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, althans (een) (hoeveelheid) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

terwijl, hij - verdachte - en/of zijn mededader(s) van het plegen van voornoemd(e) misdrijf/misdrijven zijn beroep heeft gemaakt of het plegen van voornoemd(e) misdrijf/misdrijven als bedrijf heeft uitgeoefend;

artikel 11 lid 3 Opiumwet

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

2.

hij,

op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2007 tot en met 9 maart 2011, (telkens) te 's-Gravenhage en/of (elders) in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk meermalen, althans eenmaal,

(telkens) (een) charta(a)l(e) en/of gira(a)l(e) en/of contant(e) geldbedrag(en) van totaal 198.730 euro (proces-verbaal 10-508 AH/70 en/of AH/13) althans

22.266 euro (proces-verbaal 10-508 AH/13), en/of

148.986 euro (proces-verbaal 10-508 AH/55), en/of

5.008 euro (proces-verbaal 10-508 AH/58), en/of

22.470 euro (proces-verbaal 10-508 AH/60),

in elk geval een of meer (grote) geldbedrag(en), heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, en/althans van een of meer voorwerpen, te weten een of meer geldbedrag(en) (totaal) 198.730 euro of daaromtrent, in elk geval een of meer (grote) geldbedrag(en), heeft gebruik gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en)/geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven,

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader van het plegen van witwassen een gewoonte gemaakt;

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij,

op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2007 tot en met 9 maart 2011, (telkens) te 's-Gravenhage en/of (elders) in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk meermalen, althans eenmaal,

zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen,

immers heeft verdachte en/of zijn mededader, (telkens) (een) charta(a)l(e) en/of gira(a)l(e) en/of contant(e) geldbedrag(en) van totaal

198.730 euro (proces-verbaal 10-508 AH/70 en/of AH/13) althans

22.266 euro (proces-verbaal 10-508 AH/13), en/of

148.986 euro (proces-verbaal 10-508 AH/55), en/of

5.008 euro (proces-verbaal 10-508 AH/58), en/of

22.470 euro (proces-verbaal 10-508 AH/60),

in elk geval een of meer (grote) geldbedrag(en),

de werkelijk aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en of verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld, en/of heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat geld is/zijn, en/of die/dat geld voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben verworven en/of heeft/hebben overgedragen en/of heeft/hebben omgezet en/althans gebruik heeft/hebben gemaakt van dit/deze charta(a)l(e) of gira(a)l(e) geldbedrag(en), terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader redelijkerwijs had(den) moet(en) vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en) -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven;

art 420quatr lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

3.

hij,

op of omstreeks 9 maart 2011, te 's-Gravenhage en/of (elders) in Nederland, een wapen van categorie I onder 7e, te weten een voorwerp (een (nep)wapen met het opschrift M83, Made in China en use 6 mm BB bullet), zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en/of afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, te weten een geweer (korte uitvoering hiervan, een z.g. karabijn) van het merk Colt en/of model M4 Carabine, voorhanden heeft gehad;

De in te tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 13 lid 1 Wet wapens en munitie

3. Bewijsoverwegingen

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, evenwel met uitzondering van dat deel van de tenlastelegging betreffende feit 2 primair, waarbij verdachte wordt verweten dat hij in de ten laste gelegde periode tevens een geldbedrag van in totaal € 22.266,-- heeft witgewassen, van welk onderdeel (partieel) vrijspraak wordt gevorderd.1

3.2 De beoordeling van de tenlastelegging2

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2:

In de periode van 22 oktober 2007 tot en met 26 mei 2008 is door de douane tijdens fysieke controles bij de invoer van postpakketten bij TNT Post te Amsterdam acht keer een postpakket dat vanuit Thailand was verzonden onderschept en in beslag genomen. In de postpakketten zaten tabletten Seresta en Valium.3 Van deze op lijst II behorende bij de Opiumwet genoemde geneesmiddelen zijn de werkzame stoffen oxazepam respectievelijk diazepam.4

Eén postpakket was gericht aan [verdachte], [Postbusadres]5, drie pakketten waren gericht aan [verdachte], [Postbusadres]6 en één aan [verdachte] [ Postbusadres]7. Uit onderzoek is gebleken dat de houder van Postbusnummer [nummer] medeverdachte [moeder van verdachte] was en dat de houder van de [Postbusnummers] verdachte was.8 Verder waren drie postpakketten geadresseerd aan medeverdachte [moeder van verdachte].9

Tijdens een onderzoek naar een zelfdoding in februari 2008 is naar voren gekomen dat de overledene M.V. (de rechtbank volstaat hier met het vermelden van de initialen van de betreffende persoon) in de periode van 9 januari 2007 tot en met 1 februari 2008 regelmatig via e-mail contact heeft gehad met iemand die haar onder meer Valium en Xanax, bevattende de op lijst II van de Opiumwet vermelde werkzame stof alprazolam10, aanbood en dit tegen betaling ook heeft geleverd.11 Uit onderzoek naar dit e-mailverkeer is gebleken dat de aanbieder, die ondertekende met de naam Jan, gebruik maakte van het telefoonnummer [06 nummer] en van het e-mailadres [mailadres@] en dat hij verzocht het geld voor de levering van de geneesmiddelen te storten op een bankrekeningnummer ten name van [overleden vader van verdachte]12 dan wel op bankrekening [nummer] ten name van verdachte13.14 Voorts is uit het e-mailverkeer gebleken dat de aanbieder op 29 januari 2008 aan M.V. heeft verzocht om als betalingskenmerk het woord "schilderijtje" (en haar naam) te gebruiken.15 Er is op 31 januari 2008 onder de omschrijving "schilderijtje M.V." een bedrag van € 165,-- op rekening [nummer] van verdachte bijgeschreven.16

Tijdens een onderzoek naar een poging tot zelfdoding in april 2009 werden op de kamer van deze betrokkene (T.H.; de rechtbank volstaat hier met het vermelden van de initialen van de betreffende persoon) diverse lege blisters aangetroffen met de merknaam Rivotrill, met als werkzame stof de op lijst II van de Opiumwet vermelde stof clonazepam17, en de merknaam Xanax.18

Tevens werd op de kamer van deze betrokkene (T.H.) een aan hem gerichte lege enveloppe aangetroffen met op de achterzijde "2513 PR 45".19 Voorts is op 18 maart 2009 en op 2 april 2009 van de rekening van deze betrokkene (T.H.) € 150,-- respectievelijk € 205,-- overgemaakt op rekening 7054924 van verdachte.20

Op 26 februari 200821, 23 april 201022 en 6 januari 201123 is door middel van Google op internet gezocht naar advertenties, waarin slaap- en kalmeringsmiddelen werden aangeboden en waarin het telefoonnummer [06-nummer] en/of het e-mailadres [mailadres@] voorkwam.

Er zijn op Zoekwekker.nl advertenties aangetroffen (met onder meer de vermelding: "Op 2 oktober 2007 gevonden") waarin onder andere oxazepam te koop wordt aangeboden en waarin zowel genoemd telefoonnummer als genoemd e-mailadres staat vermeld.24 Op 26 januari 2010 is op een internetforum een posting geplaatst waarin over onder andere diazepam wordt gesproken en waarin het genoemde e-mailadres voorkomt.25 Er is verder vastgesteld dat op 20 en 21 februari 2010, 12 maart 2010, 7 en 29 september 2010 en op 1 januari 2011 op verschillende websites advertenties zijn geplaatst waarin benzodiazepinen26, waaronder diazepam, bromazepam, zolpidem, valium, temazepam, flurazepam, Rivotrill (met als werkzame stof clonazepam), lorazepam en lormetazepam te koop worden aangeboden. In de advertenties komen - naast het genoemde telefoonnummer - de naam Jan en het e-mailadres [mailadres@] voor.27

Op 24 mei 2011 zijn door gebruik te maken van de contactgegevens [06 nummer], [mailadres@] en [mailadres@] opnieuw advertenties op internet gevonden waarin slaap- en kalmeringsmiddelen worden aangeboden. De advertenties zijn allemaal vóór 2011 geplaatst.28

Uit onderzoek is gebleken dat de gebruiker van het telefoonnummer [06 nummer]verdachte betreft.29 Uit de analyse van de historische verkeersgegevens van genoemd telefoonnummer blijkt dat dit nummer regelmatig contact heeft met de telefoonnummers [06 nummer] en [06 nummer]. Deze telefoonnummers zijn in gebruik bij medeverdachte [moeder van verdachte].30

Medeverdachte [moeder van verdachte] heeft verklaard dat zij gebruik maakt van nummer [06 nummer] en dat haar zoon gebruik maakt van nummer [06 nummer].31 Uit onderzoek in de telefoons blijkt dat op 15 februari 2011 vanaf telefoonnummer [06 nummer] naar het nummer [06 nummer] het volgende sms-bericht wordt verstuurd: "...Hoeveel oxa moet ik silvia sturen? Heb ook fura tema en broma...".32

Voorts is uit onderzoek gebleken dat de adverteerder van de advertentie op de vraag- en aanbod website www.dienst.nl33 zich heeft aangemeld met het e-mailadres [mailadres@] en dat er gebruik is gemaakt van het IP adres [IP adres].34

Tijdens de doorzoeking op 9 maart 2011 van de woning in de [adres] is het IP adres van een ter plekke aangetroffen laptop uitgelezen. Het IP adres betrof [IP adres].35 Verder zijn op het bureaublad van een in de woning aangetroffen desktop verschillende tekstbestanden aangetroffen waarin slaap- en kalmeringsmiddelen te koop worden aangeboden en waarin eerder genoemde contactgegevens staan vermeld.36

Tijdens de doorzoeking in de woning in de [straat] zijn er voorts geneesmiddelen aangetroffen en in beslag genomen. Uit de in beslag genomen geneesmiddelen zijn monsters genomen. De monsters bevatten de volgende werkzame stoffen: oxazepam, flurazepam, bromazepam, diazepam, lormetazepam, zolpidem, lorazepam en temazepam. De werkzame stoffen komen voor op lijst II behorende bij de Opiumwet.37

In april en mei 2011 zijn de getuigen [A.], [B.], [C.], [D.], [E.] en [F.] gehoord. De getuigen hebben verklaard dat zij in de loop der jaren weleens via advertenties op internet benzodiazepinen, waaronder Valium, diazepam, oxazepam en flurazepam, bij 'Jan' hebben gekocht.38 De geneesmiddelen werden besteld door te bellen naar het telefoonnummer [06 nummers] of door het versturen van een sms naar het in de advertenties genoemde telefoonnummer.39 Een aantal van voornoemde getuigen heeft tevens verklaard dat zij het geld voor de gekochte geneesmiddelen via de bank overmaakten op een door deze 'Jan' opgegeven bankrekening en dat de geneesmiddelen vervolgens (al dan niet aangetekend) werden verstuurd.40

Medeverdachte [moeder van verdachte] heeft over de in de periode 2007 en 2008 ingevoerde tabletten verklaard dat het de handel van haar zoon [verdachte] is41 en dat zij weet dat [zoon] blisters met pillen in een enveloppe deed en deze verstuurde. [Verdachte] en zij gebruikten een ticketprinter om de naam en het adres op een etiket te drukken.42 Verder heeft zij verklaard dat een koper meestal bestelde door middel van een e-mailbericht waarin zij opgaven wat ze wilde hebben. Men kreeg dan te horen naar welk bankrekeningnummer men geld moest overmaken.43

In een aantal van de advertenties stond onder meer dat de medicijnen - naast de mogelijkheid van het aangetekend verstuurd ontvangen daarvan - konden worden afgehaald pal tegenover de eerste hulp ingang van het MCH Westeinde ziekenhuis in Den Haag of in de [straat].44 Tijdens een observatie op 19 januari 2011 wordt vastgesteld dat verdachte in de [straat] te Den Haag contact heeft met een jonge vrouw. Nadat verdachte handcontact heeft gemaakt met de vrouw, loopt hij terug naar zijn woning.45 Getuige [C.] heeft verklaard dat hij de middelen van Jan kocht in de [straat] in Den Haag en dat hij dan contant betaalde. Hij heeft ook weleens met een wat oudere vrouw contact gehad. Zij leverde in de buurt van de [straat] de via sms bestelde geneesmiddelen af. Ook deze werden contant betaald.46 Getuige [A.], getuige [D.] en getuige [F.] hebben eveneens verklaard dat als Jan in Thailand was er telefonisch contact was met een (oudere) vrouw.47

Medeverdachte [moeder van verdachte] heeft verklaard dat zij samen met haar zoon in een huis woont en dat zij weleens de telefoon van haar zoon heeft opgenomen als hij niet thuis was en dat er dan naar Jan48 werd gevraagd.49 [Medeverdachte] heeft verder aangegeven dat zij ongeveer drie keer per week enveloppen met daarin (blisters met) geneesmiddelen verstuurde50 en dat zij ook weleens geneesmiddelen in de [straat] te Den Haag aan mensen heeft gegeven.51 Zij kreeg dan cashgeld dat zij later aan haar [zoon] gaf.52 Ook kreeg zij weleens een sms-bericht wanneer iemand in de buurt was, waarop een tijd en plaats waar de overdracht van de geneesmiddelen zou plaatsvinden werd afgesproken.53

In de periode 1 oktober 2007 tot en met 10 februari 2011 is op rekeningnummer [nummer] ten name van verdachte54 in totaal € 37.578,74 aan contanten gestort en in totaal € 111.407,62 door particulieren, onder wie de getuigen [A.], [D.], [E.] en [F.], bijgeschreven. In totaal is van deze rekening een bedrag van € 61.425,00 aan [persoon G.] overgeschreven.55

In de periode 6 oktober 2010 tot en met 7 maart 2011 is op rekeningnummer 19.83.39.410 ten name van medeverdachte [moeder van verdachte] 56 in totaal € 5.008,00 door particulieren, onder wie de getuige [B.], bijgeschreven.57

In de periode 1 oktober 2007 tot en met 28 maart 2011 is op rekeningnummer 55.46.91.035 ten name van medeverdachte [moeder van verdachte]58 in totaal een bedrag van € 18.505,00 aan contanten en in totaal een bedrag van € 3.965,00 door particulieren gestort. Van deze rekening is in totaal een bedrag van € 15.878,00 aan [persoon G.] overgeschreven.59

Bij de betalingen op de bankrekeningen door particulieren stonden er de ene keer geen omschrijvingen vermeld, de andere keer stonden er onder andere de volgende omschrijvingen als betalingskenmerken: "vaasje", "schilderij", "bestelling", "benzine", "marktplaats" en "horloge".60 Een aantal getuigen heeft verklaard dat dit soort omschrijvingen moesten worden vermeld als er geneesmiddelen werden besteld.61

Medeverdachte [moeder van verdachte] heeft verklaard dat de stortingen op haar of op een bankrekening de opbrengsten waren van de geleverde geneesmiddelen die in contanten werden betaald.62 Verder heeft [moeder van verdachte] verklaard dat [persoon G.] geneesmiddelen naar Postbussen in een postkantoor in Scheveningen stuurde.63

Op grond van het bovenstaande - in onderlinge samenhang bezien - acht de rechtbank de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bovengenoemde bewijsmiddelen tevens dat tussen verdachte en zijn medeverdachte [moeder van verdachte] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking ter uitvoering van de gezamenlijke handel in ongeregistreerde geneesmiddelen en het vervolgens witwassen van de verdiensten hieruit. Uit de bewijsmiddelen blijkt voldoende van feitelijke gedragingen van medeverdachte [moeder van verdachte] die als een wezenlijke bijdrage aan de strafbare feiten kunnen worden aangemerkt. Ook is gebleken van al dan niet uitdrukkelijke afspraken tussen verdachte en medeverdachte [moeder van verdachte] om de verschillende taken te verdelen. Gelet op de nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [moeder van verdachte] is naar het oordeel van de rechtbank sprake van medeplegen.

Voor wat betreft het onder 2 primair ten laste gelegde witwassen van het geldbedrag van € 22.266,-- overweegt de rechtbank dat uit het dossier blijkt dat genoemd geldbedrag buiten (immers voorafgaande aan) de ten laste gelegde periode is gestort op een rekening ten name van [overleden vader van verdachte]. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het ten laste gelegde, voor zover dat ziet op het witwassen van voormeld geldbedrag.

Ten aanzien van feit 3:

Tijdens de doorzoeking op 9 maart 2011 in de woning van verdachte is tevens een (nep)wapen64 aangetroffen. Het wapen vertoont voor wat betreft de vorm en de afmetingen een sprekende gelijkenis met een geweer (korte uitvoering hiervan, een z.g. karabijn) van het merk Colt en model M4 Carabine. Het wapen had het opschrift: M83, made in China en use 6 mm BB bullet en is een voorwerp in de zin van artikel 2, lid 1, categorie I sub 7 van de Wet wapens en munitie.65 Verdachte heeft verklaard dat iemand het pistool bij hem thuis heeft achtergelaten.66

Het vorenstaande betekent dat de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit komt.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 9 maart 2011 te 's-Gravenhage en/of (elders) in Nederland telkens tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk meermalen

heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt,

- een hoeveelheid oxazepam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende oxazepam, en

- een hoeveelheid diazepam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende diazepam, en

- een hoeveelheid clonazepam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende clonazepam, en

- een hoeveelheid alprazolam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende alprazolam, en

- een hoeveelheid temazepam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende temazepam, en

- een hoeveelheid flurazepam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende flurazepam, en

- een hoeveelheid bromazepam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende bromazepam, en

- een hoeveelheid lormetazepam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende lormetazepam, en

- een hoeveelheid zolpidem, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende zolpidem, en

- een hoeveelheid lorazepam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende lorazepam,

zijnde oxazepam en diazepam en clonazepam en alprazolam en temazepam en flurazepam en bromazepam en lormetazepam en zolpidem en lorazepam, elk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,

terwijl, hij - verdachte - en zijn mededader het plegen van voornoemde misdrijven als bedrijf hebben uitgeoefend;

2.

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 9 maart 2011 te 's-Gravenhage en/of (elders) in Nederland telkens tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk meermalen,

telkens girale en contante geldbedragen van totaal 176.464 euro (proces-verbaal 10-508 AH/70)

heeft verworven en voorhanden gehad en overgedragen en omgezet en van een of meer grote geldbedragen heeft gebruik gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit misdrijven,

hebbende hij, verdachte, en zijn mededader van het plegen van witwassen een gewoonte gemaakt;

3.

hij op 9 maart 2011 te 's-Gravenhage een wapen van categorie I onder 7, te weten een (nep)wapen met het opschrift M83, Made in China en use 6 mm BB bullet, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een geweer (korte uitvoering hiervan, een z.g. karabijn) van het merk Colt en model M4 Carabine, voorhanden heeft gehad.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd - rekening houdend met de twee ad informandum gevoegde feiten - dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, alsmede tot een geldboete van € 50.000,--, subsidiair te vervangen door 285 dagen hechtenis.

6.2 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf mede in aanmerking genomen het onder nummer 1. als ad informandum vermelde, niet bij dagvaarding ten laste gelegde strafbare feit, waarvan een korte omschrijving staat vermeld op de dagvaarding, te weten het aanwezig hebben van heroïne. Verdachte heeft dit feit bij de politie bekend en de officier van justitie heeft te kennen gegeven dat dienaangaande geen verdere vervolging zal worden ingesteld.

De rechtbank laat het onder nummer 2. als ad informandum vermelde, niet bij dagvaarding ten laste gelegde strafbare feit buiten beschouwing, nu dit feit onvoldoende duidelijk is omschreven en verdachte dit feit ook niet heeft bekend.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte gedurende drie en een half jaar zonder handelsvergunning bedrijfsmatig gehandeld in slaap- en kalmeringsmiddelen en de verdiensten hieruit witgewassen. Tevens heeft verdachte de Wet wapen en munitie overtreden.

Het belang van handhaving van het verbod op de illegale handel in geneesmiddelen behoeft nauwelijks nadere beargumentering. Verdachte gaat met het plegen van dit feit voorbij aan de gevaren die het ongecontroleerde gebruik van deze middelen met zich meebrengen. De onderhavige middelen kunnen bij onoordeelkundige toepassing immers zeer schadelijk voor de gezondheid zijn en hebben bovendien een verslavende werking. Door de ongelimiteerde beschikking over deze middelen aan - vele honderden - afnemers te verschaffen, hebben verdachte en zijn medeverdachte het gebruik voor hen eenvoudig gemaakt en bevorderd. De rechtbank rekent dit verdachte zeer zwaar aan. Verdachte heeft zich kennelijk laten leiden door het oogmerk van financieel gewin ten koste van het welzijn van anderen.

Het misdrijf witwassen vormt in meerdere opzichten een bedreiging voor de integriteit van de samenleving. Het maakt criminaliteit lucratief en vormt een aantasting van het financieel-economisch bestel.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met het feit dat verdachte, zoals blijkt uit een uittreksel Justitiële Documentatie van 23 maart 2012, reeds eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte tijdens zijn verhoren bij de politie geen openheid heeft gegeven over zijn aandeel in de strafbare feiten en bovendien niet is verschenen ter terechtzitting, waarmee hij ervan blijk heeft gegeven geen enkele verantwoordelijkheid te willen nemen voor zijn daden.

Gelet op het vorenstaande en in het bijzonder op hetgeen in de regel in vergelijkbare gevallen wordt opgelegd, acht de rechtbank een gevangenisstraf van forse duur passend en geboden. Bij de vaststelling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met de frequentie, de intensiteit en de bijzonder lange duur van de handel in geneesmiddelen door verdachte en zijn medeverdachte.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 47, 57, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht;

- 13 en 55 van de Wet wapens en munitie;

- 3 en 11 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst II.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van in de uitoefening van een bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2 primair:

medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken;

ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.H.Th. de Boer, voorzitter,

mrs M.J.J. Visser en M.L. Harmsen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F. Verkijk, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 augustus 2012.

Mr. Visser is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Het schriftelijke requisitoir van de officier van justitie, welke aan de voorzitter is overgelegd en aan het proces-verbaal ter terechtzitting zal worden gehecht.

2 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit - tenzij anders vermeld - de pagina's van een bundel ambtsedige processen-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en), en geschriften, met bijlagen, nummer 2010 508, van de Inspectie voor de Gezondheidszorg, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (doorgenummerd p. 1 t/m p. 1351).

3 Algemeen proces-verbaal p. 8 en 41; AH1 p. 49; AH2 p. 58 en 59; AH3 p. 60 en 61; AH 4 p. 62 en 63; AH5 p. 64 en 65; AH6 p. 66 en 67; AH7 p. 68 en 69; AH8 p. 70 en 71; AH9 p. 72 en 73.

4 Algemeen proces-verbaal p. 8 en AH1 p. 49.

5 AH2 p. 58-59.

6 AH3 p. 60 en 61; AH 4 p. 62 en 63; AH9 p. 72 en 73.

7 AH5 p. 64 en 65.

8 AH10 p. 74 en D9 p. 380-381: De houder van Postbusnummer [nummer] was [moeder van verdachte] adres: [adres]. De houder van de Postbusnummers 10370 en 18504 was [verdachte], adres: [adres]. Algemeen proces-verbaal p. 8: Verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] staan volgens de Gemeentelijke Basis Administratie ingeschreven op het adres [adres].

9 AH6 p. 66 en 67; AH7 p. 68 en 69; AH8 p. 70 en 71: Mr. [moeder van verdachte] [adres]. Algemeen proces-verbaal p. 8: Verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] staan volgens de Gemeentelijke Basis Administratie ingeschreven op het adres [adres].

10 AH11 p. 80.

11 AH11 p. 76-77 en D15 p. 399-404.

12 AH13 p. 85: Uit onderzoek is gebleken dat [persoon] de reeds op 12 februari 2005 overleden vader van [verdachte] en de ex-partner van [medeverdachte] betreft.

13 AH55 p. 223: [verdachte] is de rekeninghouder van [rekeningnummer]

14 AH11 p. 78 en D15 p. 399-404.

15 AH11 p. 78 en D15 p. 401.

16 D76.18 p. 587.

17 Algemeen proces-verbaal p. 11.

18 Algemeen proces-verbaal p. 11; D16 p. 405.

19 AH12 p. 83; D17 p. 406 en D18 p. 407.

20 AH12 p. 83; D19 p. 408 en D20 p. 409; D76.69 p. 638 en D76.72 p. 641.

21 AH11 p. 80-81.

22 AH14 p. 91-92.

23 AH15 p. 93-94.

24 AH11 p. 81; D39 en D40 p. 435.

25 AH14 p. 92, D30 p. 420.

26 Algemeen proces-verbaal p. 6: Verzamelnaam voor geneesmiddelen die behoren tot een geneesmiddelengroep met sederende en anxiolytische eigenschappen.

27 AH14 p. 91-92; D22 p. 412; D23 en D24 p. 413-414; D27 p. 417, alsmede AH15 p. 93-94; D32 en D33 p. 422-423; D34 p.424; D35 p. 425.

28 AH65 p. 242-243; D109 t/m D122 p. 1314-1327.

29 AH16 p. 98: [verdachte], [adres].

30 AH22 p. 116 en 117: [moeder van verdachte] [adres].

31 V2/1 p. 329.

32 AH 71 p. 256-258; AH72 p. 259-261; D87 p. 1203.

33 AH14 p. 93-94; D23 en D24 p. 413-414.

34 AH28 p. 141-142; D53 p. 459.

35 AH49 p. 206.

36 AH46 p. 195-199.

37 AH33 p. 162; AH52 p. 215-217; Overzicht: D61 p. 474-480; Vindplaatscodering: Algemeen proces-verbaal p. 23; Uitslag onderzoek monsters, overzicht werkzame stoffen: D106 p. 1286-1289.

38 G1 p. 276-277; G2 p. 278-280; G3 p. 281-284; G5 p. 287-291; G6 p. 292-295 en G7 p. 296-298.

39 G3 p. 283; G5 p. 288; G6 p. 293-294.

40 G1 p. 277; G2 p. 279; G5 p. 289; G6 p. 293-294; G7 p. 297-298.

41 V2/2 p. 334.

42 V2/4 p. 341.

43 V2/3 p. 337 en V2/5 p. 348.

44 AH14 p. 91-92; D22 p. 412; D23 en D24 p. 413-414; D27 p. 417 en AH15 p. 93-94; D32 en D33 p. 422-423; D34 p. 424; D35 p. 425.

45 AH23 p. 123.

46 G3 p. 282-284.

47 G1 p. 277 (een persoon genaamd: Ineke); G5 p. 288 en G7 p. 297.

48 V2/5 p. 347: "Met Jan bedoel ik mijn zoon. Hij heeft een hekel aan zijn eigen naam".

49 V2/2 p. 332 en V2/3 p. 337.

50 V2/4 p. 343.

51 V2/3 p. 337 en V2/5 p. 348.

52 V2/3 p. 337.

53 V2/3 p. 338.

54 AH55 p. 222: [verdachte] is de rekeninghouder van rekeningnummer 7054924.

55 AH55 p. 222-224; AH70 p. 252-255; D76.1 t/m D76.184, p. 570-753; Overzicht: D77 p. 754.

56 AH47 p. 201: [medeverdachte] is de rekeninghouder van [ rekeningnummer ]

57 AH58 p. 228-229; AH70 p. 252-255; D72 p. 513-515; Overzicht: D 80 p. 762.

58 AH60: [medeverdachte] is de rekeninghouder van [rekeningnummer]

59 AH60 p. 231-232; AH70 p. 252-255; D82.1 t/m D82.353, p. 838-1193; Overzicht: D105 p. 1284-1285.

60 AH55 p. 222-224; D76.1 t/m D76.184, p. 570-753 en AH60 p. 231-232; D82.1 t/m D82.353, p. 838-1193.

61 G1 p. 277; G5 p. 290; G7 p. 297.

62 V2/5 p. 349.

63 V2/5 p. 349.

64 AH33 p. 162; AH35 p. 165-166; D62 p. 488.

65 AH67 p. 246-247.

66 V1/5 p. 315 en V1/6 p. 320.