Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX4422

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-06-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
AWB 11/36782
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Medische behandeling - mvv aanvraag in ander land (Senegal) dan land van herkomst (Sierra Leone) - gegrond

Niet in geschil is dat eiser niet in staat is naar zijn land van herkomst, Sierra Leone, te reizen, omdat daar onvoldoende behandelmogelijkheden voor zijn medische problemen zijn. Voorts is niet in geschil dat eiser geen paspoort heeft en dat de Sierra Leoonse ambassades niet bevoegd zijn om paspoorten af te geven. De rechtbank is - onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 28 oktober 2011 (201100271/1/V1 en LJN: BV9926) - van oordeel dat, nu verweerder van eiser verwacht dat hij naar Senegal reist om in dat land een mvv aan te vragen, verweerder gemotiveerd zal dienen in te gaan op het betoog van eiser dat hij - alvorens naar Senegal te kunnen reizen - eerst naar Sierra Leone moeten terugkeren om een paspoort aan te vragen. Nu verweerder dat heeft nagelaten, is het beroep reeds hierom gegrond.

In verband met het nieuw te nemen besluit overweegt de rechtbank verder dat eiser concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het BMA-advies heeft aangedragen. In de onderhavige zaak staat - anders dan in de Afdelingsuitspraak van 31 augustus 2011 (201008031/1/V1 en LJN: BR6662) - de vraag ter discussie of de medische behandeling van eiser, die (mede) bestaat uit stabiliserende gesprekken ter voorkoming van een medische noodsituatie, in technische zin mogelijk is als eiser de taal - waarin die gesprekken worden gevoerd - niet spreekt. Nu begrip tussen patiënt en arts van hetgeen besproken wordt tijdens stabiliserende gesprekken essentieel is voor de medische behandeling, is de rechtbank van oordeel dat de door eiser te ondervinden taalbarrière niet de feitelijke toegankelijkheid van de zorg betreft, maar de medische zorg zelf.

Bovendien stelt de rechtbank vast dat nu het in paragraaf B8/3.4 van de Vc 2000 neergelegde beleid naar de letter niet ziet op de situatie van eiser, dit in zoverre niet als beleid kan gelden, maar als vaste bestuurspraktijk moet worden aangemerkt. Daarom dient te worden beoordeeld of toepassing van deze vaste bestuurspraktijk in het geval van eiser bij afweging van de betrokken belangen niet onevenredig is. Gelet op de behandeling die eiser ondergaat en de gevolgen van het achterwege laten van deze behandeling, acht de rechtbank de extra inspanningen die eiser moet leveren om feitelijk toegang te krijgen tot de medische zorg ten opzichte van de situatie dat hij in zijn eigen land een aanvraag voor een mvv had kunnen indienen, onevenredig.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 16
Vreemdelingenwet 2000 17
Vreemdelingenwet 2000 64
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/416
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 11/36782

V-nr: 272.807.9569

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [1984], van Sierra Leoonse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. A.C. de Klerk, advocaat te Amsterdam

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

gemachtigde: mr. W.A. Kleingeld, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2011 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 26 juli 2010

voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 onder de beperking ‘medische behandeling’ afgewezen. In datzelfde besluit is aan eiser uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000 tot 9 februari 2012.

Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 9 november 2011 ongegrond verklaard. Op 14 november 2011 heeft de rechtbank het beroepschrift ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst in afwachting van het besluit op de door eiser ingediende verlengingsaanvraag in het kader van artikel 64 van de Vw 2000. Eiser heeft op 28 maart 2012 zijn reactie op de positieve beslissing op deze verlengingsaanvraag gegeven. Beide partijen hebben toestemming gegeven de zaak zonder nadere zitting af te doen.

Overwegingen

1.1. In geding is of verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf met als beperking ‘medische behandeling’ omdat hij niet beschikt over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).

2.1. Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen indien een vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

2.2. Op grond van artikel 17, eerste lid en onder c, van de Vw 2000 wordt het ontbreken van een mvv niet tegengeworpen indien het een vreemdeling betreft voor wie het gelet op zijn gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen.

2.3. Op grond van paragraaf B1/4.1.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000, voor zover thans van belang, dient voor de in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 neergelegde vrijstelling te worden beoordeeld of een vreemdeling in staat is naar zijn land van herkomst te reizen en in staat kan worden geacht daar de behandeling van een door hem in te dienen mvv-aanvraag af te wachten. Omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het land van herkomst betreffen, worden niet bij de beoordeling betrokken. Hierbij wordt bij paragraaf B8/3.4 aangesloten.

2.4. Op grond van paragraaf B8/3.4 van de Vc 2000, voor zover thans van belang, worden omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het land van herkomst betreffen niet betrokken bij het beoordelen van aanvragen tot het verlenen van en verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ of ‘vanwege medische noodsituatie’.

2.5. Op grond van paragraaf B1/1 van de Vc 2000, voor zover thans van belang, dient een vreemdeling, indien in het land van herkomst of bestendig verblijf geen Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aanwezig is, een mvv aan te vragen bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het dichtstbijzijnde land waar wel een vertegenwoordiging is gevestigd.

3.1. De rechtbank gaat uit van de volgende – niet bestreden – feiten. Eiser kan niet naar zijn land van herkomst, Sierra Leone, reizen om de behandeling van zijn mvv-aanvraag daar af te wachten. Bij het uitblijven van behandeling dreigt een medische noodsituatie op korte termijn. In Sierra Leone is geen Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aanwezig. Senegal is het dichtstbijzijnde land waar wel een vertegenwoordiging is gevestigd. Ten slotte spreekt eiser de talen van Senegal niet.

3.2. Het Bureau Medische Advisering (BMA) heeft op 28 januari 2011 een advies uitgebracht over eiser. Volgens dit advies heeft eiser klachten van nachtmerries, slecht slapen, piekeren, moeheid, sombere stemming, suïcide gedachten, automutilatie, vermijden van activiteiten en contacten met anderen en vocale tics. Er is sprake van een ernstige en chronische posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een depressieve stoornis. Eisers behandeling bestaat uit medicatie en psycho-educatie gericht op het herkennen en voorkomen van crises. Eiser is meerdere malen opgenomen in verband met het lage niveau van functioneren en uitspraken van suïcide, tevens is er sprake geweest van suïcidepogingen. Het evenwicht dat middels medicatie is bereikt, is erg kwetsbaar en er bestaat nog steeds de mogelijkheid tot een korte klinische opname. Gelet op de medische inzichten neemt de BMA-arts aan dat uitblijven van de behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn, waarbij toename van de suïcidaliteit kan optreden. Met uitzondering van de bestemming Sierra Leone kan eiser reizen. Tijdens de reis dient eiser door een psychiatrisch verpleegkundige te worden begeleid. In Sierra Leone zijn de behandelmogelijkheden voor eiser onvoldoende. In Senegal zijn deze voldoende aanwezig.

4.1. Eiser heeft in bezwaar en beroep aangevoerd dat niet van hem kan worden gevergd dat hij naar Senegal reist om daar een mvv aan te vragen en dat hij hangende die procedure aldaar de noodzakelijke medische behandeling kan ondergaan. Ter zitting heeft eiser dit standpunt nader geconcretiseerd in die zin dat hij, omdat hij niet in het bezit is van een paspoort, niet naar Senegal kan reizen. Hij heeft daartoe - onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 28 oktober 2011 (201100271/1/V1 en LJN: BV9926) - aangevoerd dat de Sierra Leoonse ambassades niet bevoegd zijn om paspoorten af te geven. Hij zal om die reden - alvorens naar Senegal te kunnen reizen - eerst naar Sierra Leone moeten terugkeren om een paspoort aan te vragen, alwaar hij in een medische noodsituatie zal geraken.

4.2. Verweerder heeft in reactie hierop aangevoerd dat het in strijd is met de goede procesorde om deze beroepsgrond bij de beoordeling te betrekken. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Allereerst betreft dit een nadere onderbouwing van het eerder ingenomen standpunt dat van eiser niet verlangd kan worden dat hij naar Senegal reist om een mvv aan te vragen. Voorts heeft verweerder ter zitting en nadien (tijdens de schorsing en voordat het onderzoek werd gesloten) de mogelijkheid gehad om inhoudelijk op bovengenoemd standpunt te reageren.

4.3. De rechtbank overweegt - zoals is vastgesteld in rechtsoverweging 3.1. - dat niet in geschil is dat eiser niet in staat is naar Sierra Leone te reizen, omdat daar onvoldoende behandelmogelijkheden voor zijn medische problemen zijn. Voorts is niet in geschil dat eiser geen paspoort heeft en dat de Sierra Leoonse ambassades niet bevoegd zijn om paspoorten af te geven. De rechtbank is - onder verwijzing naar bovengenoemde uitspraak van de Afdeling van 28 oktober 2011 - van oordeel dat, nu verweerder van eiser verwacht dat hij naar Senegal reist om in dat land een mvv aan te vragen, verweerder gemotiveerd zal dienen in te gaan op bovengenoemd betoog van eiser. Nu verweerder dat heeft nagelaten, is het beroep reeds hierom gegrond. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. In verband met dit nieuw te nemen besluit overweegt de rechtbank ten overvloede als volgt.

5.1. Eiser heeft ter verdere onderbouwing van zijn standpunt dat van hem niet kan worden gevergd dat hij naar Senegal dient te reizen om een mvv aan te vragen, nog het volgende aangevoerd. Een behandeling in Senegal is zeer problematisch nu eiser de officiële taal van Senegal, Frans, en ook de overige talen in Senegal - Woluf, Pulaar, Jola en Mandinka - niet spreekt. Bovendien heeft eiser een erg lage Global Assessment of Functioning (GAF) score - een maat waarmee het psychisch, sociaal en beroepsmatig functioneren van een persoon wordt aangeduid - waardoor hij zich niet kan redden in een volstrekt onbekend land. Eiser is van mening dat, nu vaststaat dat een acute medische noodsituatie bij uitblijven van de behandeling een feit is, de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg wel mee zou moeten wegen. Uitzetting zal derhalve in strijd komen met artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser wijst er ten slotte op dat hij in Nederland in behandeling is bij Centrum ’40-’45, waar hij ook meerdere malen is opgenomen. Centrum ’40-’45 is gespecialiseerd in oorlogstrauma’s en daarom is Nederland het meest aangewezen land voor de behandeling.

5.2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de eventuele taalproblemen van eiser in Senegal de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg betreffen - zoals bedoeld in paragraaf B8/3.4. van de Vc 2000 - en dat deze omstandigheid derhalve niet bij de beoordeling kan worden betrokken. Verweerder verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2011 (201008031/1V).

6.1. In de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2011 (201008031/1/V1 en LJN: BR6662) heeft de Afdeling overwogen dat, gelet op het in paragraaf B1/1 van de Vc 2000 neergelegde uitgangspunt dat bij afwezigheid van een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van herkomst of bestendig verblijf, de mvv dient te worden aangevraagd in het dichtstbijzijnde land waar wel een zodanige vertegenwoordiging is gevestigd, verweerder terecht heeft onderzocht of in dat land de voor eiser noodzakelijke medische behandelmogelijkheden aanwezig zijn. Voorts heeft de Afdeling in die zaken overwogen dat het niet onredelijk wordt geacht dat verweerder het in paragraaf B8/3.4 van de Vc 2000 neergelegde beleid over de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg van overeenkomstige toepassing acht op een situatie als die van eiser, ondanks het feit dat dit beleid naar de letter alleen ziet op het aanvragen van een mvv in het herkomstland. Het feit dat de betrokken vreemdeling niet de taal van dat land beheerst, daar niemand kent en ook overigens met dat land geen banden heeft, heeft de minister volgens de Afdeling niet ten onrechte opgevat als omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg betreffen.

6.2. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is een advies van het BMA een deskundigenadvies aan de minister ten behoeve van de uitoefening van zijn bevoegdheden. De minister moet, indien hij een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) ervan vergewissen dat dit naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

6.3. In de uitspraak die is vernietigd door de in rechtsoverweging 6.1. genoemde Afdelingsuitspraak heeft deze rechtbank, zittingsplaats Assen, het aspect van het niet spreken van de taal in algemene zin en in samenhang met andere omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid betreffen, beoordeeld. In de grieven bij die zaak is door verweerder overwogen dat de omstandigheid dat een vreemdeling de nationaliteit bezit noch de officiële taal van het land in kwestie machtig is, hij aldaar niemand kent en ook overigens geen banden heeft, geen factoren betreffen die kunnen afdoen aan de conclusie dat de noodzakelijke medische behandeling in technische zin mogelijk en beschikbaar is. In de onderhavige zaak staat echter - anders dan in de zaak die bij de Afdeling voorlag - de vraag ter discussie of de medische behandeling van eiser, die (mede) bestaat uit stabiliserende gesprekken ter voorkoming van een medische noodsituatie, in technische zin mogelijk is als eiser de taal - waarin die gesprekken worden gevoerd - niet spreekt. Nu begrip tussen patiënt en arts van hetgeen besproken wordt tijdens stabiliserende gesprekken essentieel is voor de medische behandeling, is de rechtbank van oordeel dat de door eiser te ondervinden taalbarrière niet de feitelijke toegankelijkheid van de zorg betreft, maar de medische zorg zelf. Het BMA was daarom gehouden nader te onderzoeken of er in Senegal psychiatrische behandelmogelijkheden zijn voor een vreemdeling die de talen van dat land niet spreekt. Eiser heeft om die reden op dit punt concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het BMA-advies aangedragen.

6.4. Bovendien stelt de rechtbank vast dat nu het in paragraaf B8/3.4 van de Vc 2000 neergelegde beleid naar de letter niet ziet op de situatie van eiser, dit in zoverre niet als beleid kan gelden, maar als vaste bestuurspraktijk moet worden aangemerkt. Daarom dient te worden beoordeeld of toepassing van deze vaste bestuurspraktijk in het geval van eiser bij afweging van de betrokken belangen niet onevenredig is. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Eiser ondergaat een medische behandeling die (mede) bestaat uit stabiliserende gesprekken ter voorkoming van een medische noodsituatie, gezien suïcidale ideaties. Voorts is het evenwicht welke middels medicatie is bereikt erg kwetsbaar en bestaat er nog steeds de mogelijkheid tot een korte klinische opname. Gelet op de aard van deze behandeling en de ernstige gevolgen bij een niet zorgvuldige uitvoering daarvan, is een goede en zorgvuldige communicatie essentieel. Bij een behandeling in zijn land van herkomst zou eiser geen voorzieningen hoeven te treffen, zoals het inhuren van een tolk, om deze behandeling op doeltreffende wijze te laten plaatsvinden. Indien hij naar Senegal moet gaan om een mvv aan te vragen, moet hij dit wel doen. Gelet op de behandeling die eiser ondergaat en de gevolgen van het achterwege laten van deze behandeling, acht de rechtbank de extra inspanningen die eiser moet leveren om feitelijk toegang te krijgen tot de medische zorg ten opzichte van de situatie dat hij in zijn eigen land een aanvraag voor een mvv had kunnen indienen, onevenredig.

7.1. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank stelt een termijn van 6 weken voor het door verweerder nieuw te nemen besluit.

7.2. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van 437,--). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb het bedrag van de proceskosten betalen aan de griffier.

7.3. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de recht¬bank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 152,--

(zegge: honderdtweeënvijftig euro) aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,-- (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), te betalen aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Putten, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.V.A. Teggelaar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: AT

Coll.: SS

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.