Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX3699

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-08-2012
Datum publicatie
06-08-2012
Zaaknummer
09/754038-11 Vonnis ex artikel 36e Sr
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel. De vordering van de officier van justitie strekt ertoe (na wijziging van de vordering ter terechtzitting) dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel schat op een bedrag van € 51.104,06 en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd genoemd bedrag aan de Staat te betalen. De vordering van de officier van justitie wordt afgewezen voor zover deze betrekking heeft op (gekwalificeerde) diefstallen die in de hoofdzaak niet aan de veroordeelde zijn ten laste gelegd. De vordering wordt eveneens afgewezen voor zover deze betrekking heeft op de feiten waarvan de veroordeelde in de hoofdzaak is vrijgesproken. De rechtbank stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 12.097,93 en legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 12.097,93 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Zie ook LJN: BX3593 (vonnis in de hoofdzaak).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 36e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2012, 379
NBSTRAF 2012/379

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/754038-11

Datum uitspraak: 3 augustus 2012

Vonnis ex artikel 36e Sr

(PROMIS)

Beslissing van de rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats],

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Rotterdam, locatie Hoogvliet.

1. Het onderzoek ter zitting.

De vordering is behandeld op de terechtzitting van 24 mei 2012, 25 mei 2012, 4 juli 2012 en 6 juli 2012.

De veroordeelde, bijgestaan door de raadsman mr. H. Sytema, advocaat te 's-Gravenhage, is verschenen en op de vordering gehoord.

2. De grondslag van de vordering.

De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 20 juli 2012, voor zover van belang, veroordeeld ter zake van de strafbare feiten:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd

en

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

De rechtbank neemt deze feiten in aanmerking als grondslag van de vordering.

3. De vordering.

3.1 Standpunt van de officier van justitie

De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt er toe dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 64.891,82.

De officier van justitie heeft zich daarbij gebaseerd op het 'Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel [verdachte]' (hierna: het rapport).1 De conclusie van dit rapport is, dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel in totaal € 64.891,82 bedraagt.

Ter terechtzitting van 4 juli 2012 heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin, dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 51.104,06 en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd genoemd bedrag aan de Staat te betalen.

3.2 Standpunt van de verdediging

De raadsman van de veroordeelde heeft zich op de terechtzitting van 4 juli 2012 op het standpunt gesteld dat:

* de vordering dient te worden verminderd met € 10.985,- ([adres 1]) omdat de veroordeelde ten tijde van het delict gedetineerd was;

* de vordering dient te worden verminderd met € 39.000,- ([adres 9]) omdat niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de inbraak of heeft gedeeld in de opbrengst daarvan;

* de vordering dient te worden verminderd met € 625,- ([adres 10]) omdat niet bekend is welk gehalte (karaat) de gestolen sieraden hadden en of deze überhaupt zijn ingeleverd bij [V.O.F.];

* de vordering dient te worden verminderd met € 212,50 ([adres 11]), met € 125,- ([adres 12]) en met € 333,33 ([adres 13]), omdat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor betrokkenheid van de veroordeelde bij deze feiten;

* in de vordering met betrekking tot 'witwassen' de inbraak aan [adres 1] opnieuw is verwerkt, terwijl daarnaast sprake is van een dubbeltelling voor 18 juli 2011 ([adres 10]) zodat dit deel van de vordering dient te worden verminderd met € 1.841,27 respectievelijk € 858,59.

3.3 Oordeel van de rechtbank

3.3.1 De niet aan de veroordeelde ten laste gelegde (gekwalificeerde) diefstallen

De ontnemingsvordering is deels gebaseerd op feiten die in de hoofdzaak niet aan de veroordeelde ten laste zijn gelegd.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 4 juli 2012 toegelicht dat hij bij het nemen van de vervolgingsbeslissing zeer kritisch is geweest. Alleen de zaken waarin het naar zijn oordeel 'overduidelijk' was dat de inzittenden van de Kia Sorento betrokken waren bij de woninginbraak - omdat ze met daderkennis spraken over een inbraak, of omdat een bekentenis in de Kia Sorento werd ondersteund door een getuigenverklaring - zijn aan de veroordeelde ten laste gelegd.

De rechtbank leidt uit deze toelichting af dat in de zaaksdossiers die niet aan de veroordeelde zijn ten laste gelegd, naar de inschatting van de officier van justitie het bewijsminimum hoogstwaarschijnlijk niet zou zijn gehaald. De rechtbank kan zich daarom niet aan de indruk onttrekken dat de officier van justitie een vrijspraak in de hoofdzaak heeft willen vermijden - een vrijspraak zou ingevolge de hierna nog te bespreken Geeringsjurisprudentie immers tot afwijzing van de ontnemingsvordering hebben geleid - om in de ontnemingszaak, waarin een beduidend lagere bewijsmaatstaf geldt, alsnog met de veroordeelde te kunnen 'afrekenen'.

Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie de regels van het straf(proces)recht heeft gebruikt op een wijze die - hoewel in zijn algemeenheid toelaatbaar - zou de rechtbank hierin meegaan, tot een onrechtvaardige uitkomst zou leiden.

De vordering van de officier van justitie zal dan ook, voor zover deze betrekking heeft op (gekwalificeerde) diefstallen die niet aan de veroordeelde zijn ten laste gelegd, worden afgewezen. Dit houdt in dat de vordering, voor zover deze betrekking heeft op de (gekwalificeerde) diefstallen aan de [adres 9], [adres 10], [adres 11], [adres 12] en [adres 13], zal worden afgewezen.

3.3.2 De feiten waarvan veroordeelde is vrijgesproken

Veroordeelde is vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde woninginbraken aan de adressen [adres 1], [adres 3] en [adres 6]. Nu ingevolge het 'Geeringsarrest' geen voordeel kan worden ontnomen voor zover betrokkene is vrijgesproken van het ten laste gelegde, wordt de ontnemingsvordering afgewezen voor zover deze betrekking heeft op voornoemde feiten.2

3.3.3 De feiten waarvoor veroordeelde is veroordeeld

[adres 2]

De rechtbank neemt als grondslag van dit deel van de vordering in aanmerking het in de strafzaak onder parketnummer 09/754038-11 tegen de veroordeelde bewezen verklaarde feit alsmede het rapport. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank het navolgende af.3

Bij aangeefster [E] is een groot aantal sieraden weggenomen. De verzekeringsmaatschappij heeft een bedrag van € 1.400,00 vergoed voor de gestolen sieraden. In navolging van hetgeen is geoordeeld in het vonnis van rechtbank Breda4 gaat de rechtbank er vanuit dat de veroordeelde de gestolen goederen heeft verkocht tegen een helersprijs die wordt geschat op 25% van het uitgekeerde verzekeringsbedrag. Dit betekent dat het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel met betrekking tot deze inbraak wordt geschat op € 350,00 (25% van € 1.400,-).

De veroordeelde heeft ter terechtzitting van 4 juli 2012 verklaard dat hij de woning is binnengegaan met twee andere personen, van wie hij de identiteit niet heeft willen prijsgeven. Nu de veroordeelde ervoor heeft gekozen geen openheid van zaken te geven over de identiteit van zijn mededaders en over een eventuele verdeling van de criminele opbrengst, zal de betalingsverplichting voor het gehele bedrag van € 350,00 aan hem worden opgelegd.

[adres 5]

De rechtbank neemt als grondslag van dit deel van de vordering in aanmerking het in de strafzaak onder parketnummer 09/754038-11 tegen de veroordeelde bewezen verklaarde feit alsmede het rapport. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank het navolgende af.5

Bij de inbraak op 20 juli 2011 is een gouden trouwring weggenomen. Op de diezelfde dag heeft veroordeelde, op vertoon van het paspoort van [medeverdachte 1], onder andere vier 14-karaats gouden ringen ingeleverd bij [V.O.F.] te 's-Gravenhage. Het is aannemelijk dat de bij de [adres 5] gestolen gouden ring één van de door veroordeelde ingeleverde ringen betrof. Op diverse andere data zijn andere 14-karaats gouden ringen ingeleverd. Voor een 14-karaats ring werd dan gemiddeld € 47,58 betaald. Dit betekent dat het wederrechtelijk verkregen voordeel met betrekking tot deze inbraak wordt geschat op € 47,58.

Nu de gedingstukken geen aanknopingspunten bieden voor een afwijkende verdeelsleutel tussen de veroordeelden dan op basis van gelijke verdeling, zal de rechtbank bij de toewijzing van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaan van een pondspondsgewijze verdeling. Dit betekent dat het wederrechtelijk verkregen voordeel met betrekking tot deze inbraak - nu voor dit feit behalve de veroordeelde ook [medeverdachte 1] is veroordeeld - voor de veroordeelde wordt geschat op € 23,79.

[adres 7]

De rechtbank neemt als grondslag van dit deel van de vordering in aanmerking het in de strafzaak onder parketnummer 09/754038-11 tegen de veroordeelde bewezen verklaarde feit alsmede het rapport. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank het navolgende af.6

Bij de inbraak zijn diverse sieraden gestolen. De verzekeringsmaatschappij heeft een bedrag van € 355,00 vergoed voor de gestolen sieraden.

Zoals hiervoor reeds overwogen, gaat de rechtbank ervan uit dat veroordeelde de gestolen goederen heeft verkocht tegen een helersprijs die wordt geschat op 25% van het uitgekeerde verzekeringsbedrag. Dit betekent dat het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel met betrekking tot deze inbraak wordt geschat op € 88,75 (25% van € 355,-).

Nu de gedingstukken geen aanknopingspunten bieden voor een afwijkende verdeelsleutel tussen de veroordeelden dan op basis van gelijke verdeling, zal de rechtbank bij de toewijzing van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaan van een ponds pondsgewijze verdeling. Dit betekent dat het wederrechtelijk verkregen voordeel met betrekking tot deze inbraak - nu voor dit feit behalve de veroordeelde ook [medeverdachte 1] is veroordeeld - voor de veroordeelde wordt geschat op € 44,37.

[adres 8]

De rechtbank neemt als grondslag van dit deel van de vordering in aanmerking het in de strafzaak onder parketnummer 09/754038-11 tegen de veroordeelde bewezen verklaarde feit alsmede het rapport. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank het navolgende af.7

Bij de inbraak zijn diverse sieraden weggenomen. De verzekeringsmaatschappij heeft een bedrag van € 2.600,00 vergoed voor de gestolen sieraden.

Ook hier gaat de rechtbank er vanuit dat veroordeelde de gestolen goederen heeft verkocht tegen een helersprijs die wordt geschat op 25% van het uitgekeerde verzekeringsbedrag. Dit betekent dat het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel met betrekking tot deze inbraak wordt geschat op € 650,00 (25% van € 2.600,-).

Nu de gedingstukken geen aanknopingspunten bieden voor een afwijkende verdeelsleutel tussen de veroordeelden dan op basis van gelijke verdeling, zal de rechtbank bij de toewijzing van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaan van een ponds pondsgewijze verdeling. Dit betekent dat het wederrechtelijk verkregen voordeel met betrekking tot deze inbraak - nu voor dit feit behalve de veroordeelde hiervoor ook [medeverdachte 1] is veroordeeld - voor de veroordeelde wordt geschat op € 325,00.

3.3.4 Witwassen

De rechtbank is van oordeel dat witwassen kan worden aangemerkt als een feit dat soortgelijk is aan de feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld. Het betreft immers een delict dat het oorspronkelijke misdrijf ondersteunt na voltooiing daarvan (een zogeheten begunstigingsdelict) en dat als zodanig in het verlengde ligt van het misdrijf waarvoor de veroordeelde is veroordeeld. Daar komt in dit geval nog bij, dat het witwassen ziet op geldbedragen die zijn ontvangen in ruil voor partijen (gouden) sieraden, terwijl bij de ten laste van de veroordeelde bewezen verklaarde (gekwalificeerde) diefstallen vaak louter (gouden) sieraden zijn buitgemaakt.

Anders dan bij de eerdergenoemde niet aan de veroordeelde ten laste gelegde (gekwalificeerde) diefstallen (zie 3.3.1), is de rechtbank voorts van oordeel dat voor het witwassen, hoewel niet ten laste gelegd, voldoende aanwijzingen bestaan dat de veroordeelde dit feit heeft begaan.

De veroordeelde heeft blijkens het zaaksdossier 'Overige feiten' en het rapport negentien keer bij verschillende goudhandelaren sieraden ingeleverd voor een totaalbedrag van € 11.128,21. De rechtbank is van oordeel dat, nu op grond van de bewezen verklaarde feiten is komen vast te staan dat er bij de bewezen verklaarde (gekwalificeerde) diefstallen steeds sieraden werden weggenomen en de veroordeelde sieraden heeft ingeleverd zonder een aannemelijke verklaring te hebben gegeven over de herkomst van sieraden en over de wijze van financiering van de aankoop daarvan, er voldoende aanwijzingen bestaan dat deze sieraden een illegale herkomst hadden. Aannemelijk is dat de veroordeelde zich, door deze sieraden in te leveren tegen geld, schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Met betrekking tot de door de veroordeelde ingeleverde sieraden, zal het wederrechtelijk verkregen voordeel worden vastgesteld op € 11.128,21.

Daarnaast heeft [medeverdachte 2] verschillende keren sieraden bij twee goudhandelaren ingeleverd. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat de sieraden uit huizen afkomstig waren, dat zij de sieraden inleverde in opdracht van de veroordeelde en [medeverdachte 1], dat de veroordeelde en [medeverdachte 1] daar altijd bij waren en dat zij er zelf geen geld aan overhield. [medeverdachte 2] ontving in ruil voor de ingeleverde sieraden in totaal een bedrag van € 2.998,01. De rechtbank ziet in de verklaring van [medeverdachte 2] voldoende aanwijzingen dat de veroordeelde zich ook ten aanzien van deze sieraden schuldig heeft gemaakt aan witwassen.

Nu van drie van de zeven inleverdata - 13 oktober 2010, 30 oktober 2010 en 29 november 2010 - is komen vast te staan dat de veroordeelde op dat moment gedetineerd zat, zal het voordeel dat op die dagen is gegenereerd, niet aan de veroordeelde worden toegerekend. Het gaat in totaal om een bedrag van € 2.544,88 (€ 525,00 + € 1.470,76 + € 549,12). Zoals al overwogen, is de rechtbank van oordeel dat er voor de andere keren dat [medeverdachte 2] sieraden heeft ingeleverd wel voldoende aanwijzingen bestaan dat de veroordeelde daarvan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Dit bedrag wordt vastgesteld op (€ 2.998,01 - 2.544,88 =) € 453,13.

Nu de gedingstukken geen aanknopingspunten bieden voor een afwijkende verdeelsleutel tussen de veroordeelden dan op basis van gelijke verdeling, zal de rechtbank bij de toewijzing van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaan van een pondspondsgewijze verdeling. Dit betekent dat het wederrechtelijk verkregen voordeel met betrekking tot deze inbraak - nu bij dit feit behalve de veroordeelde ook [medeverdachte 1] is betrokken - voor de veroordeelde wordt geschat op € 226,56.

Ten aanzien van het verweer van de raadsman dat in de berekening betreffende het witwassen de inbraak aan [adres 1] opnieuw is meegenomen, overweegt de rechtbank dat uit het rapport niet blijkt dat met betrekking tot het witwassen de door [medeverdachte 2] op 5 oktober 2010 ingeleverde en door de benadeelde als bij die inbraak weggenomen herkende sieraden zijn meegenomen in de berekening. Voorts is er, nu de rechtbank heeft bepaald dat de vordering met betrekking tot de inbraak bij de [adres 10] zal worden afgewezen (zie 3.3.1), geen sprake meer van een dubbeltelling. Beide verweren van de raadsman worden derhalve verworpen.

3.3.5 Het totale door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het totale door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op € 12.097,93 (€ 350,00 + € 23,79 + € 44,37 + € 325,00 + € 11.128,21 + € 226,56).

3.4 Betalingsverplichting

De rechtbank zal aan de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van € 12.097,93 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

4. Het toepasselijke wetsartikel.

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5. De beslissing.

De rechtbank,

stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 12.097,93;

legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 12.097,93 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.A.G.M. van Rens, voorzitter,

mrs. M. Knijff en J.T.W. van Ravenstein, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V. van Rhijn, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 augustus 2012.

1 Ambtsedig proces-verbaal met het nummer PL 1500_2010224881, van de regiopolitie Haaglanden, opgemaakt in de wettelijke vorm door [X], buitengewoon opsporingsambtenaar, financieel rechercheur, gedateerd 9 februari 2012

2 EHRM 1 maart 2007, NJ 2007, 349

3 De rechtbank bezigt als bewijs het vonnis in de hoofdzaak d.d. 20 juli 2012 van deze rechtbank en de daarin blijkens de voetnoten gebezigde bewijsmiddelen uit het onderliggend strafdossier, voor zover deze betrekking hebben op feit 2

4 Rechtbank Breda, 6 april 2000, nr. 02/002286-99

5 De rechtbank bezigt als bewijs het vonnis in de hoofdzaak d.d. 20 juli 2012 van deze rechtbank en de daarin blijkens de voetnoten gebezigde bewijsmiddelen uit het onderliggend strafdossier, voor zover deze betrekking hebben op feit 6

6 De rechtbank bezigt als bewijs het vonnis in de hoofdzaak d.d. 20 juli 2012 van deze rechtbank en de daarin blijkens de voetnoten gebezigde bewijsmiddelen uit het onderliggend strafdossier, voor zover deze betrekking hebben op feit 8

7 De rechtbank bezigt als bewijs het vonnis in de hoofdzaak d.d. 20 juli 2012 van deze rechtbank en de daarin blijkens de voetnoten gebezigde bewijsmiddelen uit het onderliggend strafdossier, voor zover deze betrekking hebben op feit 9