Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX3495

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
02-08-2012
Zaaknummer
AWB 11/4293
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Door de aanvraag woonvoorziening in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning af te wijzen heeft verweerder geen blijk gegeven van een onjuiste toepassing van de wet. Naar aanleiding van haar medische beperkingen heeft betrokkene een woonvoorziening aangevraagd in de vorm van het verwijderen van een bad en het realiseren van een douchegelegenheid en het aanbrengen van aanpassingen in het toilet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen. Ten aanzien van de badkamer is daartoe overwogen dat nu niet is betwist dat het bad reeds 29 jaar in gebruik, de vervanging van het bad als algemeen gebruikelijke renovatie is aan te merken en daarom niet voor vergoeding krachtens de Wmo in aanmerking komt. Ten aanzien van de aanpassingen in het toilet is overwogen dat betrokkene in voldoende mate wordt gecompenseerd door een losse toiletverhoger, hetgeen in dit geval de goedkoopste adequate oplossing is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/4293

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 maart 2012 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats],

(gemachtigde: mr. I.E. Mussche),

en

het college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder

(gemachtigde: mr. J.A. van Dalsum).

Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 2 maart 2010 ter verkrijging van een woonvoorziening in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) afgewezen.

Bij besluit van 5 april 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder, gedeeltelijk in afwijking van het advies van de Bezwaarschriftencommissie Gouda (hierna: commissie) van 11 februari 2011, het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2011. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, alsmede door C.M.P. de Wit.

Overwegingen

1.1 Eiseres woont met haar echtgenoot in een gelijkvloerse woning. Zij lijdt sinds medio 1996 aan reumatoïde artritis en als gevolg van een ongeval heeft zij last van haar knieën. Sinds 2001 maakt eiseres gebruik van een badplank. Thans ondervindt zij moeite bij het in en uit bad stappen omdat zij door haar beperkingen niet in staat is haar benen over de badrand heen te tillen. Op 2 maart 2010 heeft zij een woonvoorziening in het kader van de Wmo aangevraagd in de vorm van het verwijderen van een bad en het realiseren van een douchegelegenheid en aanpassingen in het toilet.

1.2 Movaris heeft in opdracht van verweerder op 28 april 2010 een rapportage uitgebracht. Movaris heeft dossieronderzoek verricht en eiseres op 20 april 2010 thuis bezocht. Movaris heeft vervolgens geadviseerd het bad te laten vervangen en een gelijkvloerse douche te creëren. Tevens is een verhoogd toilet met een handgreep geadviseerd.

2. Bij primair besluit van 3 mei 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen. Bij het bestreden besluit is het door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit is - met aanvulling van de grondslag - gehandhaafd.

3. Eiseres heeft in beroep samengevat aangevoerd dat verweerder zonder enige motivering afwijkt van het advies van de commissie en van het advies van Movaris. Met de stelling dat het bad reeds is afgeschreven en dat andere woningeigenaren eveneens na zoveel jaar hun badkamer moeten renoveren, gaat verweerder voorbij aan de hulpvraag van eiseres. Ook gaat de vergelijking van verweerder met de afschrijving van badkamers in huurwoningen niet op omdat eiseres een koopwoning heeft.

4.1 In artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wmo is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6 ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning. In het tweede lid, zoals dit luidde ten tijde in geding, is vastgelegd dat het college van burgemeester en wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening houdt met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

4.2 In artikel 1.1 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Gouda 2010 (de Verordening) is nader bepaald dat onder compensatiebeginsel moet worden verstaan de algemene verplichting van het gemeentebestuur om een persoon met aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek door het treffen van voorzieningen een gelijkwaardige uitgangspositie te geven zodat zij zelfredzaam zijn en in staat tot maatschappelijke participatie.

4.3 In artikel 1.3 van de Verordening is neergelegd dat bij het bepalen van de compensatie rekening wordt gehouden met de persoonskenmerken en behoeften, alsmede met de capaciteit van de persoon met beperkingen om uit oogpunt van kosten zelf in maatregelen te kunnen voorzien.

4.4 In artikel 1.5, derde lid onder a van de Verordening is bepaald dat een voorziening kan worden geweigerd indien de voorzieningen voor een persoon als de persoon met beperkingen algemeen gebruikelijk is. Onder algemeen gebruikelijk wordt gelet op artikel 1.1. aanhef en onder n van de Verordening verstaan: het naar geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als persoon met beperkingen behorend.

5.1 Tussen partijen is niet in geding dat eiseres lichamelijke beperkingen ondervindt waardoor aanpassingen in de woning zijn vereist. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of voor deze aanpassingen een voorziening ingevolge de Wmo dient te worden getroffen.

5.2 Ten aanzien van de verwijdering van het bad en het installeren van de inloopdouche overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit primair op het standpunt gesteld dat het bad in de badkamer van eiseres ten minste 29 jaar oud is en daarmee is afgeschreven, zodat de kosten van de verwijdering van het bad en het plaatsen van een inloopdouche, gelet op het bepaalde in artikel 1.5, derde lid onder a van de Verordening, niet voor vergoeding in aanmerking komen. De vervanging van het bad betreft een algemeen gebruikelijke renovatie, aldus verweerder. De rechtbank acht dit standpunt, in aanmerking genomen dat de ouderdom van het bad niet is betwist, niet onredelijk. Als verweerder deze kosten voor eiseres zou vergoeden, zou eiseres worden bevoordeeld ten opzichte van woningeigenaren zonder medische beperkingen die na verloop van tijd hun badkamer gaan renoveren. Dat de badkamer en het daarin aanwezige bad nog functioneel zijn, doet daar gezien het tijdsverloop en de afschrijftermijn niet aan af. Verweerder heeft rekening mogen houden met een afschrijving van de voorzieningen in de badkamer, welke afhankelijk is van de algemeen gebruikelijke levensduur van badkamers. Bij het vaststellen van het afschrijvingspercentage heeft verweerder in redelijkheid aansluiting kunnen zoeken bij de afschrijvingstermijnen die door de vereniging Overleg voorzitters huurcommissies zijn vastgesteld in hun Beleid huurverhoging na woningverbetering. Blijkens dit beleid is een badkamer na 20 jaar in beginsel volledig afgeschreven. De rechtbank acht deze termijn niet onredelijk. Niet valt in te zien waarom deze termijn niet zou kunnen gelden voor badkamers in een eigen woning.

5.3 De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de gehandhaafde afwijzing van de aanvraag van eiseres terzake van de vervanging van het bad stand kan houden. Daarbij neemt zij in aanmerking dat eiseres het standpunt van verweerder, inhoudende dat eiseres en haar partner gelet op de beschikbare inkomensvoorzieningen geacht worden zelf te kunnen voorzien in de met de vervanging van het bad gemoeide kosten, niet heeft bestreden.

5.4 Het standpunt van eiseres dat het bestreden besluit op een onvoldoende motivering berust, treft geen doel. Uit het bestreden besluit volgt dat verweerder de conclusie in zowel het advies van Movaris als het commissieadvies dat een aanpassing in de badkamer noodzakelijk is, onderschrijft. Uit het bestreden besluit blijkt verder voldoende duidelijk waarom verweerder desondanks geen grond voor compensatie ingevolge de Wmo ziet, zoals hiervoor onder 5.2. en 5.3 is besproken.

5.5 Ter zitting heeft eiseres haar beroepsgronden aangevuld, in de zin dat zij zich op het standpunt heeft gesteld dat verweerder een voorziening in de vorm van een (vast) verhoogd toilet had moeten toekennen. De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder te volgen in zijn standpunt dat het beroep op dit punt vanwege het te laat naar voren brengen van deze grond niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu verweerder ter zitting inhoudelijk op het standpunt van eiseres heeft kunnen reageren.

5.6 Verweerder heeft aan de afwijzing van de gevraagde voorziening in het toilet, in overeenstemming met het advies van de commissie, ten grondslag gelegd dat eiseres in voldoende mate wordt gecompenseerd door een losse toiletverhoger (welke zij na het verstrijken van de bruikleentermijn van de reeds door Medicorner beschikbaar gestelde voorziening via de gemeente kan verkrijgen). Het gaat in dit geval om de meest goedkope en adequate voorziening, aldus verweerder. De rechtbank is van oordeel dat verweerder daarmee geen blijk heeft gegeven van een onjuiste toepassing van de wet en haar beleid. In wat eiseres heeft aangevoerd zijn onvoldoende concrete aanknopingpunten gelegen voor het oordeel dat de losse toiletverhoger (met beugel) niet voldoet en verweerder een voorziening in de vorm van een vast verhoogd toilet had moeten toekennen. Het beroep treft daarom ook op dit punt geen doel.

5.7 In wat eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank ten slotte geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder van de regelgeving, zoals neergelegd in de Verordening had moeten afwijken.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T. Aalbers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Kraan, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2012.

Afschrift verzonden naar partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.