Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX3443

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-06-2012
Datum publicatie
02-08-2012
Zaaknummer
AWB 21/ 17918 (verzoek) en AWB 12/17917
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:2315, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij deze herhaalde aanvraag moet worden beoordeeld of de wijze waarop terugkerende asielzoekers thans in Sri Lanka worden ontvangen als een relevant novum moet worden beschouwd. Namens verzoeker is in dit verband gewezen op een bericht in The Independent van 1 juni 2012, waarin is aangegeven dat het Verenigd Koninkrijk een uitzetting van ongeveer 50 Tamils had geannuleerd nadat een rechter in een zaak van één van hen had vastgesteld dat bewijzen voor marteling bij terugkeer bestaan. Ook is gewezen op een oproep van Human Rights Watch van 29 mei 2012 aan het Verenigd Koninkrijk om uitzetting van Tamils naar Sri Lanka op te schorten in verband met dertien gevallen van marteling van afgewezen asielzoekers die waren teruggekeerd naar Colombo, sinds februari 2012.

In het meest recente ambtsbericht (juli 2011) wordt gesteld dat er volgens verschillende bronnen geen aanwijzingen zijn dat terugkerende Sri Lankanen negatief in de belangstelling staan van de Sri Lankaanse autoriteiten. Het aanvragen van asiel in het buitenland wordt niet gezien als oppositie tegen de staat. De voorzieningenrechter is van oordeel dat met de door de vreemdeling aangedragen informatie voldoende aannemelijk is geworden dat de situatie van terugkerende afgewezen Tamil-asielzoekers in 2012 wezenlijk is verslechterd ten opzichte van de in het ambtsbericht beschreven periode. Diverse gevallen van marteling zijn gerapporteerd, terwijl niet vastgesteld kan worden dat het ging om personen die zich in een andere situatie dan verzoeker bevonden. In zoverre is daarom sprake van nieuwe feiten en omstandigheden die afbreuk kunnen doen aan het vorige besluit en moet het voorliggende besluit van verweerder worden getoetst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Voorzieningenrechter

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummers: AWB 12/17918 (verzoek)

AWB 12/17917 (beroep)

Datum uitspraak: 22 juni 2012

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[naam eiser],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

van Sri Lankaanse nationaliteit,

verzoeker,

gemachtigde mr. E. Derksen,

tegen

de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2012 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker van 23 mei 2012 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Dit besluit is bekendgemaakt in het Aanmeldcentrum te Zevenaar. Verzoeker heeft daartegen op 1 juni 2012 beroep ingesteld. Verzoeker is meegedeeld dat hij de behandeling van het beroep niet in Nederland mag afwachten. Bij verzoekschrift van 1 juni 2012 heeft verzoeker verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep is beslist.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 15 juni 2012. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.M.H. van de Wal.

De beoordeling

1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2. Verzoeker heeft eerder, op 27 augustus 2008, een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag is bij besluit van 20 juli 2009 afgewezen. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van

25 mei 2011 door deze rechtbank ongegrond verklaard. Hiertegen is geen hoger beroep ingesteld. Het besluit van 1 juni 2012 is, met uitzondering van het inreisverbod, van gelijke strekking als dat van 20 juli 2009, zodat op het tegen eerstgenoemd besluit ingestelde beroep het onder rechtsoverweging 1 weergegeven beoordelingskader van toepassing is.

3. Indien de voorzieningenrechter van oordeel is dat nader onderzoek na de zitting redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij op grond van artikel 8:86 van de Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Daarvoor bestaat aanleiding.

4. Ter staving van zijn huidige asielaanvraag heeft verzoeker, zakelijk weergegeven, het volgende naar voren gebracht. Verzoeker is afkomstig uit Sri Lanka en is in 2008 gevlucht uit angst voor de LTTE. Na het besluit in de eerste procedure is de situatie op Sri Lanka zodanig gewijzigd dat verzoeker in het bezit gesteld moet worden van een verblijfsvergunning asiel. Van belang is dat verweerder met het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: WBV) 2012/10 het beleid heeft gewijzigd naar aanleiding van uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 20 januari 2011. In dit nieuwe beleid zijn de door het EHRM genoemde risicofactoren opgenomen als relevante criteria bij de beoordeling of sprake is van een risico op behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Op basis van de risicofactoren die op verzoeker van toepassing zijn dient hij een verblijfsvergunning te verkrijgen.

Voorts is namens verzoeker aangegeven dat verweerder in de eerste procedure slechts de problemen met de LTTE heeft beoordeeld, en niet de problemen met de Sri Lankaanse autoriteiten. De echtgenote van verzoeker is lastiggevallen door deze autoriteiten (die op zoek waren naar verzoeker) en heeft daarover geklaagd bij de Human Rights Commission van Sri Lanka. In dit verband zijn stukken overgelegd. Deze problemen zijn volgens verzoeker relevante nieuwe feiten.

Verzoeker stelt verder dat artikel 4:6 van de Awb terzijde moet worden geschoven vanwege het risico op schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer, dan wel dat de huidige aanvraag (door verweerder) eerst inhoudelijk beoordeeld dient te worden.

Daarnaast heeft verzoeker aangegeven dat eerst nu blijkt dat terugkerende asielzoekers op de luchthaven worden blootgesteld aan marteling, terwijl het Algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse zaken (hierna: het ambtsbericht) van juli 2011 daar geen melding van maakt. Er zijn daarom concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van dit ambtsbericht. Aangezien hij met een laissez passer zal moeten terugreizen, loopt hij een extra risico.

Ook acht verzoeker van belang dat hij in Nederland heeft deelgenomen aan een demonstratie, gericht tegen de regering van Sri Lanka. Nu bekend is dat de autoriteiten dergelijke betogers in de gaten houdt, loopt verzoeker het risico bij terugkeer te worden geconfronteerd met deze gegevens. Uit algemene informatie blijkt in dit verband van martelingen en verdwijningen.

Ten slotte heeft verzoeker aangevoerd dat ten onrechte een nuldagentermijn is gesteld bij het terugkeerbesluit, dat de duur van het inreisverbod (twee jaar) te lang is, en dat hij zijn familie in Europa moet kunnen bezoeken.

5. Met betrekking tot de vraag of met de vaststelling van het in WBV 2012/10 neergelegde beleid sprake is van een relevante wijziging van het recht, overweegt de voorzieningenrechter dat de toelichting bij dit WBV, voor zover van belang, het volgende vermeldt:

Voorts is aanleiding gezien om een aantal overwegingen van het EHRM in haar vijf uitspraken van

20 januari 2011, (N.S. t. Denemarken, nr 58359/08, T.N. t. Denemarken, nr. 20594/08, P.K. t. Denemarken, nr 54705/08, S.S. e.a. t. Denemarken, nr. 54703/08 en T.N. t. Denemarken, nr. 36517/08) en van 17 juli 2008 (NA t. Verenigd Koninkrijk, nr 5904/07) nadrukkelijker in dit wijzigingsbesluit op te nemen dan dit in het vorig wijzigingsbesluit het geval was. Hiermee wordt de bestaande praktijk verduidelijkt dat de overwegingen van het EHRM worden betrokken bij de beoordeling of er sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM.

In deze uitspraken geeft het EHRM weer op welke wijze een beroep op artikel 3 EVRM voor een Tamil bij terugkeer naar Sri Lanka dient te worden beoordeeld. Het EHRM bepaalt dat de vreemdeling aannemelijk dient te maken dat hij of zij zodanig in de belangstelling staat van de Sri Lankaanse autoriteiten dat er bij zijn of haar terugkeer een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 EVRM. Het EHRM benoemt hierbij een aantal risicofactoren die mede kunnen bepalen of sprake is van een reëel risico.

6. Vastgesteld moet worden dat het EHRM in het genoemde arrest van 17 juli 2008 heeft geoordeeld dat het individuele risico op schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer in beginsel kan worden beoordeeld aan de hand van risicofactoren, mits alle relevante factoren die het risico kunnen verhogen worden meegewogen en zonodig in onderlinge samenhang worden bezien (overwegingen 129 en 130).

7. De voorzieningenrechter concludeert dat verzoeker in de eerste procedure een beroep op de risicofactoren had kunnen doen, nu verweerder sinds het arrest van 17 juli 2008 gehouden was deze toe te passen. Uit de Toelichting op WBV 2012/10 is af te leiden dat niet is beoogd nieuw beleid vast te stellen, maar het bestaande beleid te verduidelijken. Van een relevante wijziging van het recht is daarom geen sprake.

8. De gestelde problemen met de Sri Lankaanse autoriteiten na het besluit in de eerste procedure kunnen naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden aangemerkt als relevante nova aangezien deze informatie, voor zover afkomstig van de echtgenote, niet uit objectieve bron komt. Uit de stukken die in dit verband zijn overgelegd (een bevestiging van een ingediende klacht en een visitekaartje) blijkt niet op welke problemen deze betrekking hebben.

9. De voorzieningenrechter kan verzoeker voorts niet volgen in het standpunt dat het ne-biskader terzijde moet worden gesteld vanwege de gestelde dreigende schending van artikel 3 van het EVRM. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling geldt dit kader in dergelijke gevallen ook en kan, gelet op het arrest van het EHRM van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar, slechts onder bijzondere gevallen daarvan worden afgeweken (onder meer de uitspraak van 5 maart 2002, JV 2002/125). Van een dergelijk bijzonder geval is hier geen sprake.

10. Hetgeen verzoeker heeft gesteld met betrekking tot negatieve aandacht bij terugkeer vanwege deelname aan een demonstratie in Nederland kan niet als een novum worden beschouwd. Niet geconcretiseerd is immers dat de Sri Lankaanse autoriteiten zouden beschikken over opnamen van deze demonstratie, die reeds in april 2009 heeft plaatsgevonden. Gesteld noch gebleken is voorts dat verzoeker een prominente rol had bij de demonstratie.

11. Vervolgens moet worden beoordeeld of de wijze waarop teruggekeerde asielzoekers thans in Sri Lanka worden ontvangen als een relevant novum moet worden beschouwd. Namens verzoeker is in dit verband gewezen op een bericht in The Independent van 1 juni 2012, waarin is aangegeven dat het Verenigd Koninkrijk een uitzetting van ongeveer 50 Tamils had geannuleerd nadat een rechter in een zaak van één van hen had vastgesteld dat bewijzen voor marteling bij terugkeer bestaan. Ook is gewezen op een oproep van Human Rights Watch van 29 mei 2012 aan het Verenigd Koninkrijk om uitzetting van Tamils naar Sri Lanka op te schorten in verband met dertien gevallen van marteling van afgewezen asielzoekers die waren teruggekeerd naar Colombo, sinds februari 2012.

12. Het ambtsbericht bevat in dit verband de volgende informatie (p. 63):

Volgens verschillende bronnen zijn er geen aanwijzingen dat terugkerende Sri

Lankanen negatief in de belangstelling staan van de Sri Lankaanse autoriteiten. Het

aanvragen van asiel in het buitenland wordt niet gezien als oppositie tegen de staat.

Bij terugkeer worden volgens deze bronnen geen maatregelen genomen tegen

afgewezen asielzoekers. De mogelijkheid bestaat dat ze kort worden ondervraagd,

maar er is geen aanwijzing dat ze worden mishandeld vanwege hun verblijf in het

buitenland.390

Naar aanleiding van de plannen van de Britse overheid om een groep afgewezen

asielzoekers terug te sturen naar Sri Lanka in juni 2011, waarschuwden enkele

mensenrechtenorganisaties dat afgewezen asielzoekers na terugkeer zouden kunnen

worden gearresteerd en opgepakt. Er zouden volgens hen gevallen bekend zijn van

teruggekeerde asielzoekers die worden gemarteld. Ondanks deze waarschuwingen

vond uitzetting van de groep afgewezen asielzoekers vanuit Groot-Brittannië naar

Sri Lanka in juni 2011 plaats.391

390 Danish Immigration Service, Human Rights and Security Issues concerning Tamils in Sri Lanka, 19 June – 3 July

2010, oktober 2010; Home Office, UK Border Agency, Country of Origin Information Report Sri Lanka, 4 juli

2011.

391 Daily Mirror, 300 Lankans to be deported from UK, 9 juni 2011; BBC News, South Asia, Call to delay UK Tamil

deportations to Sri Lanka, 16 juni 2011; AI, Tamils set for UK deportation following suicide attempt, 16 juni

2011; AI, Sri Lanka must not torture rejected asylum seekers, 17 juni 2011.

13. De voorzieningenrechter is van oordeel dat met de in overweging 11 genoemde informatie voldoende aannemelijk is geworden dat de situatie van terugkerende afgewezen Tamil-asielzoekers in 2012 wezenlijk is verslechterd ten opzichte van de in het ambtsbericht beschreven periode. Diverse gevallen van marteling zijn gerapporteerd, terwijl niet vastgesteld kan worden dat het ging om personen die zich in een andere situatie dan verzoeker bevonden. In zoverre is daarom sprake van nieuwe feiten en omstandigheden die afbreuk kunnen doen aan het besluit in de procedure, en moet het besluit van verweerder worden getoetst.

14. Verweerder heeft zich in het besluit van 1 juni 2012 en in het daarin ingelaste voornemen op het standpunt gesteld dat geen sprake is van relevante nieuwe feiten en omstandigheden.

15. Aangezien verweerder aldus de in overweging 10 vastgestelde verslechterde situatie heeft miskend, is het beroep gegrond en moet het besluit van 1 juni 2012 worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen.

16. Teneinde zeker te stellen dat verzoeker voorafgaand aan het nieuwe besluit van verweerder niet zal worden uitgezet, zal het verzoek worden toegewezen.

17. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek en het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 1311,00 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de voorzieningenrechter niet gebleken.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van 1 juni 2012

III. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

IV. wijst het verzoek toe;

V. verbiedt de uitzetting van verzoeker totdat verweerder een nieuw besluit op de aanvraag heeft genomen;

VI. veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 1311,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Vermeulen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W. Eggink, griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2012.

Rechtsmiddel:

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen één week na de verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC

’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).

Tegen de uitspraak op het verzoek staat geen rechtsmiddel open.