Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX3415

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-08-2012
Datum publicatie
02-08-2012
Zaaknummer
09-711064-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft bekend dat zij haar dochter in de tuin bij het CNV gebouw aan de Carnegielaan te Den Haag door middel van verwurging en verstikking om het leven heeft gebracht. De gewelddadige dood van haar dochter heeft groot verdriet en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden, onder wie haar vader en haar broertje, die daarmee de rest van hun leven geconfronteerd zullen blijven. Voorts heeft het feit bij de medewerkers van het CNV die op de fatale dag in de nabijheid van de plaats van het misdrijf aanwezig waren, gevoelens van paniek, verontwaardiging en afschuw teweeggebracht. Door het feit is bovendien de samenleving ernstig geschokt. Ten slotte is ook het lot van verdachte zelf tragisch, nu zij moet voortleven met het gegeven dat als gevolg van haar handelen haar dochter niet meer in leven is. Gedragsdeskundigen hebben geconcludeerd dat verdachte ten tijde van haar handelen verkeerde in een psychotische toestand vanuit een zeer ernstige depressieve stoornis. De rechtbank is van oordeel dat het bewezenverklaarde feit (doodslag) niet aan verdachte kan worden toegerekend. De rechtbank verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat haar van alle rechtsvervolging. De rechtbank legt de maatregel TBS met voorwaarden op. Deze maatregel brengt met zich dat als de terbeschikkinggestelde de door de rechtbank gestelde bijzondere en algemene voorwaarden niet naleeft of als anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen zulks eist, deze maatregel kan worden omgezet in een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Aldus is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat de maatregel van TBS met voorwaarden - in aanmerking genomen de ernst van het feit en de ernst van verdachtes ziektebeeld onder invloed waarvan het feit is begaan - met voldoende waarborgen met betrekking tot de beveiliging van de samenleving is omkleed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/711064-11

Datum uitspraak: 2 augustus 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats],

adres: [adres],

thans gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum Amsterdam,

locatie 't Veer te Amsterdam.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 13 december 2011, 6 maart 2012, 23 april 2012, 24 mei 2012 en 19 juli 2012.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. W. Bos en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. E.J.P. Nolet, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 20 september 2011 te 's Gravenhage opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [dochter] (geboren: [geboortedatum]-01) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

- de keel en/of de hals van die [dochter] (met kracht en/of enige tijd) dichtgeknepen en/of dichtgedrukt en/of

- met kracht en/of enige tijd de neus en/of de mond van die [dochter] afgesloten door met haar, verdachtes, hand de neus en/of mond van die [dochter] dicht te drukken, althans de luchtwegen te belemmeren en/of - (fors) ander geweld op die [dochter] uitgeoefend, tengevolge waarvan voornoemde [dochter] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 289 Wetboek van Strafrecht

3. Inleiding

Verdachte heeft bekend dat zij haar dochter genaamd [dochter] op 20 september 2011 te 's-Gravenhage om het leven heeft gebracht. Gedragsdeskundigen hebben geconcludeerd dat de verdachte ten tijde van haar handelen volledig ontoerekeningsvatbaar was.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het ten laste gelegde feit en zo ja, of dit feit kan worden gekwalificeerd als moord (voorbedachte raad) of doodslag. Indien het feit bewezen kan worden verklaard, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het feit aan de verdachte kan worden toegerekend. Indien de rechtbank zou oordelen dat de verdachte niet strafbaar is, dient ten slotte de vraag te worden beantwoord of een maatregel aan de verdachte kan worden opgelegd en zo ja, welke.

4. Bewijsoverwegingen

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het als impliciet primair ten laste gelegde feit, te weten moord, zal worden vrijgesproken en dat het als impliciet subsidiair ten laste gelegde feit, te weten doodslag, bewezen zal worden verklaard.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter zake van het als impliciet primair ten laste gelegde feit vrijspraak bepleit en heeft zich ter zake van het als impliciet subsidiair ten laste gelegde feit op het standpunt gesteld dat het feit bewezen kan worden verklaard.

4.3. De beoordeling van de tenlastelegging

Vrijspraak

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat moord niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

Noch op grond van de verklaring die de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, noch op grond van de verklaringen die zij op 21 september 2011 en 3 oktober 2011 bij de politie heeft afgelegd, kan worden vastgesteld dat verdachte voorafgaand aan de levensberoving van haar dochter het voornemen had haar dochter om het leven te brengen.

Uit die verklaringen blijkt dat verdachte in de ochtend van 20 september 2011 vanuit Rotterdam met haar twee kinderen de auto is ingestapt. Toen zij met de auto op de A-12 terechtkwam en op de richtingborden Den Haag zag staan, is bij haar de gedachte opgekomen om naar het CNV-gebouw in Den Haag te rijden met het idee dat dit een veilige plaats zou zijn voor haar en haar twee kinderen. Die ochtend is zij eerst met haar kinderen het gebouw ingegaan. Zij heeft toen met een aantal oud-collega's gesproken en is daarna nog een tijd met haar kinderen binnen gebleven. Aan het einde van de ochtend is zij met haar kinderen de tuin ingegaan om daar te gaan spelen. Op een gegeven moment is verdachte met haar kinderen naar de bosjes gelopen. Daar is zij op de grond gaan liggen met het idee om door middel van meditatie haar ziel los te laten en dan zouden haar kinderen met haar mee naar de hemel gaan. Toen [dochter] schreeuwde dat zij niet mee naar de hemel wilde gaan, ontstak verdachte in grote woede en onmiddellijk daarna heeft zij [dochter] vastgepakt en een hand in haar mond gedaan, waarop een worsteling ontstond. Vervolgens heeft verdachte de fatale handelingen verricht.

Hoewel de fatale handelingen volgens verdachte een langere periode hebben geduurd, acht de rechtbank, conform betoogd door de officier en de verdediging, voldoende aannemelijk geworden dat er tijdens die handelingen voor verdachte geen gelegenheid voor beraad heeft bestaan. De rechtbank heeft daarbij gelet op de psychotische toestand van verdachte in samenhang met haar hevige woedende emotionele toestand op dat moment.

Aldus is niet komen vast te staan dat verdachte met voorbedachte raad [dochter] om het leven heeft gebracht. De rechtbank zal verdachte in zoverre van het ten laste gelegde vrijspreken.

Doodslag

Ten aanzien van de als impliciet ten laste gelegde doodslag zal de rechtbank volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte heeft immers, gelet op haar verklaringen bij de politie en haar verklaring ter terechtzitting, een volledige bekentenis ten aanzien van dit feit afgelegd, terwijl haar raadsman geen vrijspraak voor dit feit heeft bepleit.

De rechtbank bezigt als bewijsmiddelen voor dit feit:

- een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 21 september 2011 (Algemeen Dossier (0/VGL), onderzoek 15 TGO 11-201 "Hotel 11", proces-verbaalnummer 2011-199167 pagina 73 e.v.);

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 juli 2012 afgelegd;

- een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, zaaknummer 2011.09.21.011, op 21 december 2011 opgemaakt door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe (Dossier forensisch onderzoek TGO Hotel 11, TGO-nummer 15TGO11202, pagina 254 e.v.).

4.5. De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte:

op 20 september 2011 te 's Gravenhage opzettelijk [dochter] (geboren: [geboortedatum]-01) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet,

- de hals van die [dochter] met kracht en enige tijd dichtgeknepen en/of dichtgedrukt en

- met kracht en enige tijd de neus en de mond van die [dochter] afgesloten door met haar, verdachtes, hand de neus en mond van die [dochter] dicht te drukken, tengevolge waarvan voornoemde [dochter] is overleden.

5. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

6. De strafbaarheid van de verdachte

6.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar dient te worden verklaard.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Voor de beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het Pro Justitia rapport van drs. B.E.A. van der Hoorn, psychiater te Den Haag, opgemaakt op 21 april 2012, en het Pro Justitia rapport van prof. dr. C. de Ruiter, klinisch en forensisch psycholoog te Maastricht, opgemaakt op 1 mei 2012.

Beide gedragsdeskundigen concluderen dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een ernstige depressieve stoornis met psychotische kenmerken. Ten tijde van het ten laste gelegde verkeerde verdachte in een psychotische toestand vanuit haar depressieve stoornis.

De psychotische waanideeën, die voortvloeiden vanuit de zeer ernstige depressieve stoornis, beheersten haar denken, voelen en handelen volledig. Het contact met de realiteit was zij volledig verloren en vanuit haar psychotische waanideeën kreeg zij de gedachte haar dochter om het leven te brengen. De deskundigen concluderen dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht.

De rechtbank volgt de conclusie van de gedragsdeskundigen en maakt deze tot de hare.

Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat het bewezen verklaarde feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend wegens de ziekelijke stoornis van haar geestvermogens. Verdachte is daarom niet strafbaar en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

7. De oplegging van de maatregel

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met voorwaarden wordt opgelegd.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft eveneens de maatregel van TBS met voorwaarden bepleit.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft in het bijzijn van haar zoontje haar dochter [dochter], die een maand eerder tien jaar was geworden, door middel van verwurging en verstikking om het leven gebracht. Verdachte heeft door haar handelen het meest fundamentele recht van haar dochter - het recht op leven - ontnomen. Haar gewelddadige dood heeft groot verdriet en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden, onder wie de vader en het broertje van [dochter], waarmee zij de rest van hun leven geconfronteerd zullen blijven.

Uit de schriftelijke slachtofferverklaring die namens de vader van [dochter] is opgesteld, blijkt dat hij iedere dag het gemis van [dochter] ervaart. Het is geenszins denkbeeldig dat het zoontje van verdachte in de toekomst nadelige psychische gevolgen van het feit zal ondervinden, nu hij van het feit getuige is geweest.

Voorts heeft het feit bij de medewerkers van het CNV die op de fatale dag in de nabijheid van de plaats van het misdrijf aanwezig waren, gevoelens van paniek, verontwaardiging en afschuw teweeggebracht. Door het feit is bovendien de samenleving ernstig geschokt. Ten slotte is ook het lot van verdachte zelf tragisch, nu zij moet voortleven met het gegeven dat als gevolg van haar handelen haar dochter niet meer in leven is.

De rechtbank heeft kennis genomen van een uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte d.d. 22 september 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

Het feit is begaan vanuit een psychose, zoals de gedragsdeskundigen in voornoemde rapporten hebben geconcludeerd. Uit deze rapporten en uit het milieurapport van GGZ Palier Den Haag van 7 maart 2012 evenals uit het reclasseringsadvies van de reclassering Den Haag van 19 april 2012, blijkt dat verdachte sinds de zomer van 2010 met psychische problemen kampte en onder behandeling stond van een psycholoog. Het medische dossier over verdachte meldt somberheidsklachten, angst- en schuldgevoelens, lusteloosheid en concentratieproblemen, die vanaf juli 2011 verergerden. In die periode ervaarde verdachte ook veel spanningen vanuit haar relatie, haar werk, de zorg voor de kinderen en de werkzaamheden in haar eigen woning.

Haar behandelend psycholoog verwees verdachte in verband met deze toegenomen klachten naar PsyQ. Het psychiatrisch consult dat bij PsyQ voor verdachte was aangevraagd en dat enkele dagen voor het ten laste gelegde zou plaatsvinden, heeft uiteindelijk geen doorgang gevonden.

Volgens gedragsdeskundige Van der Hoorn kan achteraf worden gesteld dat er toen al sprake was van een depressieve episode. De klachten van de depressieve stoornis verergerden in de laatste weken voorafgaande aan het ten laste gelegde zodanig, dat verdachte stemmingscongruente wanen ging ontwikkelen. Het betroffen zowel nihilistische als paranoïde, religieuze en betrekkingswanen. Van der Hoorn stelt in het psychiatrisch onderzoek voorts vast dat in de persoonlijkheid van verdachte vermijdende en afhankelijke trekken waarneembaar zijn en dat er bij verdachte ten tijde van het onderzoek sprake is van een uitgestelde rouwreactie.

In het psychologisch onderzoek komt naar voren dat verdachte veel psychische lijdensdruk ervaart, die voortkomt uit ernstige en chronische psychopathologie. Gedragsdeskundige De Ruiter concludeert dat verdachte na de bevalling van [dochter] in 2001 een depressieve episode heeft meegemaakt en dat daarna bij verdachte depressieve (en waarschijnlijk ook angst-) klachten min of meer chronisch aanwezig lijken te zijn geweest.

Enkele dagen voor het ten laste gelegde verslechterde de psychische conditie van verdachte nog verder en ontwikkelde zij een floride psychotische depressie met waandenkbeelden die congruent waren met depressieve thema's als dood, ziekte, schuld en ondergang. Onder invloed van deze waandenkbeelden en totale psychische ontregeling heeft verdachte haar kinderen meegenomen naar het CNV.

Van der Hoorn concludeert dat op de korte termijn het risico op recidive laag kan worden geschat, maar dat het moeilijk is, gezien de combinatie van psychopathologie, een prognose over het behandelverloop en recidiverisico te geven op de langere termijn. De Ruiter concludeert dat er sprake is van een matig recidiverisico op een schaal die loopt van laag tot matig tot hoog indien verdachte zonder verdere behandeling en begeleiding zelfstandig naar de maatschappij zou terugkeren.

Zowel de psychiater als de psycholoog adviseren naast de voortzetting van de medicamenteuze behandeling voor de depressieve stoornis en de psychotische klachten een intensieve behandeling in een kliniek waar deskundigheid aanwezig is op het gebied van het behandelen van ernstige depressieve episodes en psychotische stoornissen. Geadviseerd wordt voorts een klinische behandeling binnen de kaders van een TBS met voorwaarden. Vanuit de kliniek kan vervolgens worden gewerkt aan het herstel van de relatie met de familie en de overgang naar ambulante behandeling binnen de reguliere GGZ.

Psycholoog De Ruiter adviseert met nadruk plaatsing in de Forensische Psychiatrische Kliniek (FPK) Inforsa van GGZ-organisatie Arkin te Amsterdam, omdat deze kliniek gespecialiseerd is in (primaire) psychotische stoornissen.

Op de terechtzitting van 24 mei 2012 is door de officier van justitie respectievelijk de raadsman aan de deskundigen gevraagd antwoord te geven enerzijds op de vraag of de maatregel van TBS met voorwaarden afdoende is om verdachte langdurig te kunnen behandelen en anderzijds op de vraag waarom de behandeling van verdachte niet in het kader van de maatregel ex artikel 37 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis) kan plaatsvinden.

Bij schrijven van 26 juni 2012 aan de officier van justitie stelt psychiater Van der Hoorn onder meer dat een adequate (medicamenteuze en niet-medicamenteuze) behandeling naar zijn mening meer dan één jaar (het maximum van artikel 37 lid 1 Sr) in beslag zal nemen. Het is moeilijk een prognose te geven ten aanzien van de te verwachten behandelresultaten in de toekomst.

In algemene zin kan wel worden gesteld dat bij dergelijke psychopathologie een klinische behandeling van één tot twee jaren afdoende moet zijn om het resocialisatietraject te kunnen starten. De gestelde maximering van de TBS met voorwaarden van negen jaren is derhalve ruimschoots voldoende voor zowel een intensieve klinische behandeling als een gefaseerd traject van resocialisatie.

De maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis heeft echter een te korte behandelingsduur, waarbij met name de fase van resocialisatie niet op een veilige en gefaseerde wijze kan worden uitgevoerd. Binnen een TBS met voorwaarden kan de totale behandeling gefaseerd en veilig worden uitgevoerd.

Bij schrijven van 7 juli 2012 aan de officier van justitie stelt psycholoog De Ruiter onder meer dat in studies die zijn verricht naar het risico op terugval in een psychotische depressie geen voorspellers worden gevonden voor een snel herstel of voor de uitkomst na twee jaar. Er kunnen daarom alleen voorzichtige conclusies worden getrokken; een depressie met psychotische kenmerken lijkt geen ongunstiger beloop (dus: minder herstel, meer terugval) te hebben dan een depressie zonder psychotische kenmerken. Ook duurt het herstel bij sommige patiënten tot wel 175 weken na de start van de psychotische episode. Dit betekent dat een opname in een psychiatrisch ziekenhuis ex art. 37 onvoldoende mogelijkheden tot ondersteuning en begeleiding biedt voor verdachte. Bovendien wordt haar behandeling nog gecompliceerd door het rouwproces om de dood van haar dochter en de mogelijk aanwezige persoonlijkheidspathologie.

Bij het beoordelen van het recidiverisisco moeten de opvoedkundige capaciteiten en het risico op mishandeling en verwaarlozing en de neiging tot gewelddadig gedrag worden onderzocht. In het psychologische onderzoek van de verdachte is gebleken dat zij gunstig scoort op de klinische, dynamische risicofactoren: zij reageert positief op de behandeling met medicatie, is gemotiveerd voor verdere begeleiding/ behandeling en zij stelt zich open op. Dit zijn allemaal aspecten die wijzen op een gunstige prognose wat betreft het risico op toekomstige behandeling en vermindering van het recidiverisico.

Bij een adequate behandeling en begeleiding van verdachte in het kader van de TBS met voorwaarden zal een veilige en verantwoorde re-integratie in de maatschappij op een termijn van enkele jaren mogelijk zijn. Daarbij dient - zo vat de rechtbank de door de psycholoog geciteerde, bij de behandeling van verdachte in acht te nemen, adviezen van onderzoekers Stanton en Simpson samen - aandacht te zijn voor contacten met (en ondersteuning van) de zoon, de familie en het sociale netwerk van verdachte, welke contacten in belangrijke mate kunnen bijdragen aan herstel van de ziekte en de resocialisatie.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het maatregelrapport dat op 12 juli 2012 door de Reclassering Nederland, RN Unit Toezicht en Interventies 2 Den Haag, is uitgebracht. In dit rapport komt onder meer naar voren dat verdachte goed binnen de doelgroep van FPK Inforsa past en dat verdachte na het doorlopen van de intakeprocedure is geaccepteerd voor klinische behandeling. De rapporteur concludeert dat de reclassering bereid en in staat is om verdachte in het kader van TBS met voorwaarden te begeleiden. In het rapport worden bijzondere voorwaarden en algemene voorwaarden voorgesteld die verdachte voor de duur van de terbeschikkingstelling dient na te komen.

Ter terechtzitting van 19 juli 2012 heeft de verdachte aangegeven gemotiveerd te zijn voor behandeling binnen de kaders van een TBS met voorwaarden en heeft zij zich bereid verklaard de in het maatregelrapport gestelde bijzondere en algemene voorwaarden na te komen.

De officier van justitie heeft op de terechtzitting van 19 juli 2012 aangegeven dat er bij FPK Inforsa te Amsterdam in ieder geval tot 2 augustus 2012 een plaats voor de verdachte beschikbaar zal worden gehouden, zodat zij daar onmiddellijk in aansluiting op haar verblijf in de FOBA kan worden opgenomen.

Gelet op het bovenstaande, zal de rechtbank de maatregel van terbeschikkingstelling opleggen, nu het door verdachte begane feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, bij verdachte tijdens het begaan van het bewezenverklaarde een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, het opleggen van deze maatregel eist.

Ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen zal de rechtbank voorwaarden stellen betreffende het gedrag van verdachte, zoals voorgesteld in het maatregelrapport van Reclassering Nederland en zoals nader in het dictum genoemd.

Zoals de officier van justitie op de terechtzitting heeft aangegeven, brengt de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden met zich dat als de terbeschikkinggestelde de door de rechtbank gestelde bijzondere en algemene voorwaarden niet naleeft of als anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen zulks eist, deze maatregel kan worden omgezet in een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Aldus is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat de maatregel van TBS met voorwaarden - in aanmerking genomen de ernst van het feit en de ernst van verdachtes ziektebeeld onder invloed waarvan het feit is begaan - met voldoende waarborgen met betrekking tot de beveiliging van de samenleving is omkleed.

Nu de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging, zal de rechtbank de voorlopige hechtenis van de verdachte opheffen en de dadelijke uitvoerbaarheid van de terbeschikkingstelling met voorwaarden bevelen.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 37a, 38, 38a en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het als impliciet primair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het als impliciet subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

- doodslag;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart de verdachte niet strafbaar;

ontslaat de verdachte ter zake van alle rechtsvervolging;

gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte en stelt voor de duur van de terbeschikkingstelling daaraan de volgende bijzondere en algemene voorwaarden:

bijzondere voorwaarden

1. verdachte zal zich laten opnemen in de FPK Inforsa, Duivendrechtsekade 55 te Amsterdam en zal zich houden aan de afspraken en aanwijzingen van FPK Inforsa of een soortgelijke behandelinstelling en aan de voorschriften en aanwijzingen haar te geven door Reclassering Nederland. De reclassering is belast met de opdracht tot het verlenen van steun en hulp bij de naleving de voorwaarden;

2. verdachte zal zich houden aan alle afspraken met haar behandelaar(s)/FPK en zal meewerken aan de behandeling door FPK Inforsa of een andere te benoemen instelling, ook als dat inhoudt het innemen van door de behandelaren voorgeschreven medicatie op de juiste wijze en stelt zich hierin controleerbaar op;

3. verdachte zal haar medewerking verlenen aan het opstellen van een signaleringsplan ten aanzien van recidiverisico's; zij toont hierin een open houding en bespreekt het met de reclassering;

4. verdachte zal zich houden aan het vrijhedenbeleid dat steeds op realiseerbaarheid (gedrag, houding, risico) getoetst wordt; zij zal zich houden aan de regels van FPK Inforsa of een andere nog te bepalen behandelinstelling. Haar vrijheden binnen en buiten het terrein van FPK Inforsa of een andere nog te bepalen behandelinstelling, worden telkens getoetst op realiseerbaarheid en zijn afhankelijk van haar psychische gesteldheid en houding te beoordelen door het behandelteam van de behandelinstelling;

5. verdachte zal zich, wat betreft behandeling en wonen, schikken naar een vervolgtraject dat zo nodig na het verblijf bij FPK Inforsa of een nog andere te bepalen behandelinstelling wordt vastgesteld;

6. verdachte zal zich controleerbaar opstellen ten opzichte van haar behandelaars en of begeleiders en de reclassering;

7. verdachte zal zich ten opzichte van de reclassering controleerbaar opstellen en zal toestemming geven aan de reclassering om informatie te verstrekken en te vragen aan die personen en instellingen die voor de uitvoering van het toezicht van belang zijn;

8. verdachte zal openheid geven over het aangaan en onderhouden van relaties. Zij zal toestemming verlenen tot contactopname met een nieuwe relatie;

9. verdachte zal niet van verblijfplaats veranderen, zonder dit eerst te overleggen met de reclassering. Haar adres zal zijn op het adres van FPK Inforsa of een andere nog te bepalen behandelinstelling;

10. verdachte zal meewerken aan het maken van afspraken omtrent de omgang met haar zoon [zoon] en zal de reclassering toestemming verlenen om met haar ex-echtgenoot [ex-echtgenoot], haar ouders en mogelijk bij [zoon] betrokken instanties te overleggen;

11. verdachte zal meewerken aan een crisisconstructie; indien dit door de reclassering of behandelaren noodzakelijk wordt geacht, maakt zij actief gebruik van de crisisafspraken, ook in een mogelijk verder te volgen resocialisatietraject;

12. verdachte zal geen strafbare feiten plegen.

algemene voorwaarden

1. verdachte zal ter vaststelling van haar identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of zal een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

2. verdachte zal toestemming geven aan de reclassering tot het opvragen en uitwisselen van informatie aan alle instellingen die zij relevant achten en die van belang zijn voor een goede behandeling c.q. begeleiding;

3. vanuit de reclassering zal Reclassering Nederland contactpersoon en toezichthouder zijn;

4. verdachte zal toestemming geven aan de reclassering en aan zijn behandelaren, dat in geval van ongeoorloofde afwezigheid of calamiteiten en het niet nakomen van bovengenoemde voorwaarden, deze informatie aan alle betrokken partijen gemeld wordt;

5. Reclassering Nederland zal verantwoordelijk zijn voor het uitbrengen van advies en voortgangsverslagen aan het Ministerie van Veiligheid en Justitie over de voortgang van de terbeschikkingstelling met voorwaarden;

6. verdachte is op de hoogte van de consequenties mocht zij zich onttrekken aan de gestelde voorwaarden;

7. verdachte zal een verblijf in het buitenland tijdens de maatregel niet worden toegestaan;

8. verdachte zal zich onthouden van middelengebruik, anders dan de voorgeschreven (hoeveelheid) medicatie, en werkt mee aan controles hierop. Bij middelengebruik volgen er gepaste sancties (van intrekking van vrijheden tot advisering van een omzetting naar dwangverpleging); in ieder geval wordt deze overtreding gemeld aan justitie;

9. verdachte zal meewerken aan het convenant tussen reclassering en politie, dat onder meer inhoudt dat zij onaangekondigd door de wijkagent gecontroleerd kan worden in zijn huis of omgeving;

10. verdachte zal openheid geven over haar sociale contacten c.q. haar sociaal netwerk en zal zich controleerbaar opstellen;

11. verdachte zal financiële aspecten inzichtelijk maken.

geeft hierbij opdracht aan de stichting Reclassering Nederland, ressort Den Haag, de ter beschikking gestelde bij de naleving van de aanwijzing hulp en steun te verlenen krachtens het bepaalde bij artikel 38, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;

bepaalt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.J. Milius, voorzitter,

mrs M.M. Meijers en T.L. Fernig-Rocour, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Gest, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 augustus 2012.

Mr. Meijers is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.