Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX3342

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
422555 / KG ZA 12-691
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Het geschil van partijen spitst zich in dit kader toe op de vraag of bruikbaar DNA-materiaal is gevonden, dat nog niet aan personen is gekoppeld. De voorzieningenrechter wijst het gevorderde af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 422555 / KG ZA 12-691

Vonnis in kort geding van 1 augustus 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. C.J. de Wit te Vlissingen,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Veiligheid en Justitie, het Openbaar Ministerie),

zetelend te ’s-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. M.M.C. van Graafeiland te ’s-Gravenhage.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 25 juli 2012 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Eiser wordt door de officier van justitie te Middelburg vervolgd voor onder meer het telen en verkopen van hennep en deelnemen aan een criminele organisatie. Het opsporingsonderzoek naar de henneporganisatie wordt ook wel aangeduid als “Etenaken”. Op 26 juni 2012 heeft de officier van justitie schriftelijk aan eiser bericht:

“Hierbij roep ik u op om te verschijnen op 3 juli 2012 te 13.30 uur onderstaand adres, voor het afnemen van uw celmateriaal ten behoeve van een DNA onderzoek

(...)

Wanneer u zich niet meldt, wordt een aanhoudingsbevel uitgevaardigd. Dit betekent dat u op ieder moment kunt worden aangehouden en worden overgebracht naar een politiebureau waar u alsnog celmateriaal zult moeten afstaan.”

1.2. Op 10 juli 2012 is in het kader van het opsporingsonderzoek Etenaken een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door een lid van het Regionale Recherche Team van de politie Zeeland. In het proces-verbaal staat onder meer vermeld:

“In het onderzoek Etenaken werden diverse DNA sporen veilig gesteld op diverse adressen. In het hierbij gevoegde overzicht zijn de bruikbare sporen weergegeven.

Uit diverse rapporten van het NFI bleek dat er 3 DNA matches waren (...)

Verder zijn er nog onbekende DNA sporen veilig gesteld op diverse adressen, welke tot op heden nog geen match hebben opgeleverd. (zie overzicht)”

2. Het geschil

2.1. Eiser vordert, na vermeerdering van eis, zakelijk weergegeven:

I. gedaagde te verbieden om DNA-materiaal van eiser af te (doen) nemen in het kader van het onderzoek Etenaken, totdat door gedaagde is aangetoond dat bruikbaar DNA-materiaal is gevonden;

II. gedaagde te veroordelen om binnen tien dagen de ontbrekende rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: ‘NFI-rapporten’) die aan het proces-verbaal van 10 juli 2012 ten grondslag liggen aan de raadsman van eiser af te geven.

2.2. Daartoe voert eiser het volgende aan. Gedaagde handelt onrechtmatig door van eiser te eisen dat hij zijn medewerking verleent aan afname van DNA-materiaal. Eiser kan slechts verplicht worden om aan afname van DNA-materiaal mee te werken als er een onderzoeksbelang bestaat. Hij is dan ook niet verplicht om zijn medewerking te geven aan afgifte van DNA-materiaal indien er in de zaak waarin hij verdachte is geen (bruikbaar) DNA-materiaal is gevonden. Het Openbaar Ministerie toont in onderhavige zaak niet aan celmateriaal gevonden te hebben, afgezien van het materiaal dat al is gelinkt aan drie medeverdachten. Er is wel een overzicht waaruit volgt dat nog meer celmateriaal is gevonden, maar daarvan ontbreekt een NFI-rapport.

2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – gegeven.

3.2. Vooropgesteld wordt dat de officier van justitie een ruime beleidsvrijheid heeft bij de toepassing van artikel 151b van het Wetboek van Strafvordering. Dat brengt met zich dat aan de voorzieningenrechter slechts een marginale toetsingsbevoegdheid toekomt van de rechtmatigheid van het handelen van gedaagde. Artikel 151b van het Wetboek van Strafvordering geeft de officier van justitie onder bepaalde omstandigheden de bevoegdheid in het belang van het onderzoek te bevelen dat celmateriaal wordt afgenomen van een verdachte. Eiser stelt dat het vereiste onderzoeksbelang er niet is, althans dat gedaagde dat niet heeft aangetoond. Het geschil van partijen spitst zich in dit kader toe op de vraag of bruikbaar DNA-materiaal is gevonden, dat nog niet aan personen is gekoppeld.

3.3. In het proces-verbaal van 10 juli 2012 staat vermeld dat diverse DNA-sporen zijn veiliggesteld, waarvan een deel nog geen match heeft opgeleverd. Dat blijkt ook uit het bij dat proces-verbaal gevoegde overzicht. Aangezien de juistheid van de inhoud van het proces-verbaal en het overzicht niet gemotiveerd zijn betwist en het proces-verbaal op ambtseed is opgesteld, zal daarvan worden uitgegaan. Dat betekent dat gedaagde wel degelijk genoegzaam heeft aangetoond dat sprake is van een onderzoeksbelang bij het bevel tot afgifte van celmateriaal van eiser. De omstandigheid dat door gedaagde geen NFI-rapport is overgelegd van de DNA-sporen die nog niet aan een persoon zijn gekoppeld, maakt dat niet anders. De vordering als genoemd onder I zal dan ook worden afgewezen.

3.4. In het licht van het voorgaande heeft eiser zijn belang bij het onder II gevorderde onvoldoende aannemelijk gemaakt. Daarbij komt dat gedaagde voldoende heeft toegelicht dat de door eiser onder II gevorderde NFI-rapporten niet zijn opgemaakt, aangezien alleen bij een DNA-match of een specifieke vraag een NFI-rapport wordt opgesteld. Dat brengt met zich dat die vordering evenmin voor toewijzing in aanmerking komt.

3.5. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.391,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 575,-- aan griffierecht;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2012.

hvd