Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX2904

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
30-07-2012
Zaaknummer
AWB 11/28015 (tussenuitspraak 21 maart 2012)
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 64 Vw vergewisplicht, gerede twijfel over de effectiviteit van de behandeling in het land van herkomst/de noodzaak van een veilige behandelomgeving

De rechtbank heeft reeds in haar tussenuitspraak aangegeven dat uit advies en de aanvullende nota’s van het BMA niet blijkt dat de BMA-arts heeft beoordeeld of de door de behandelaar verstrekte informatie aanleiding geeft tot gerede twijfel over de effectiviteit van de in het algemeen verkrijgbare medische behandeling in het land van herkomst, terwijl daar naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de inhoud van onder meer de brief van de behandelaar, wel aanleiding voor was. Het BMA heeft vervolgens een nota uitgebracht waarin, voor zover hier relevant, wordt volstaan met een verwijzing naar passages uit het BMA-protocol.

De rechtbank verwijst naar recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 december 2011 (LJN: BU9578), en 18 april 2012 (LJN: BW4268) waarin is overwogen dat de arts van het BMA, wanneer de behandelaars hun oordeel over de noodzaak van een veilige behandelomgeving hebben toegespitst op de aard en het ontstaan van de psychische klachten van de desbetreffende vreemdeling en de daarop betrekking hebbende specifieke omstandigheden, in zijn advies ook aandacht moet besteden aan de door de behandelaars gestelde voorwaarde en noodzaak van een veilige behandelomgeving.

Nu de behandelaars in de onderhavige zaak hun oordeel over de noodzaak van een veilige behandelomgeving hebben toegespitst op de aard en het ontstaan van de psychische klachten van eiseres en de daarop betrekking hebbende specifieke omstandigheden, maar het BMA dit niet kenbaar bij de advisering heeft betrokken, is het BMA-advies onvoldoende inzichtelijk en heeft verweerder het besluit ten onrechte daarop gebaseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 11/28015

V-nummers: 270.720.9287, 275.213.5298

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen:

[eiseres],

geboren op [1984], van Burundische nationaliteit, eiseres,

en haar minderjarige kind

[kind van eiseres],

geboren op [2011], van onbekende nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse, advocaat te Amsterdam

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. B.M. Kristel, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2011 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 11 april 2008 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000, afgewezen en geen ambtshalve toepassing gegeven aan artikel 64 van de Vw 2000. Op 29 augustus 2011 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2011. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook waren ter zitting aanwezig E. Nsabimbona, tolk Swahili, een medewerkster van VluchtelingenWerk en twee stagiaires. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Bevoegdheid rechtbank

1. Verweerder heeft bij de beoordeling van de asielaanvraag ambtshalve getoetst aan artikel 64 van de Vw 2000. Ook in het voornemen van 10 juni 2011 heeft verweerder hier al aandacht aan besteed. Tegen de beslissing van verweerder om geen toepassing te geven aan dit artikel heeft eiseres zowel bezwaar ingediend als beroep ingesteld. De rechtbank stelt, onder verwijzing naar artikel 79, derde lid, in combinatie met artikel 80 van de Vw 2000 en artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), vast dat tegen deze beslissing geen bezwaar, maar beroep openstaat. Dit betekent dat de rechtbank zich ook bevoegd acht om te beslissen op het beroep tegen het niet toepassen van artikel 64 van de Vw 2000.

Verloop van de procedure

2. De rechtbank neemt in aanmerking dat met de uitspraak van deze rechtbank en zittingplaats van 2 november 2010 (AWB 09/1233) in rechte is komen vast te staan dat van het asielrelaas van eiseres geen positieve overtuigingskracht uitgaat. De rechtbank heeft in de genoemde uitspraak het beroep gegrond verklaard ten aanzien van de vraag of eiseres vanwege haar psychische problemen (met name post traumatische stress stoornis, ptss) in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. De rechtbank heeft overwogen dat de vraagstelling van verweerder aan het Bureau Medische Advisering (BMA) in dit verband niet juist was.

3.1 Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder de gemachtigde van eiseres op 14 maart 2011 onder meer verzocht om medische informatie van de behandelaars van eiseres. Gemachtigde heeft daarop gereageerd bij brief van 24 maart 2011. Op 6 april 2011 heeft verweerder het BMA opnieuw om advies gevraagd.

3.2 Op 4 mei 2011 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen en op 20 mei 2011 is beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag.

3.3 Het BMA heeft bij nota van 30 mei 2011 opnieuw geadviseerd.

3.4 Op 11 juni 2011 heeft verweerder een voornemen uitgebracht. Bij brief van 7 juli 2011 heeft eiseres haar zienswijze gegeven, onder verwijzing naar een brief van haar behandelend psychiater [psychiater] van GGZ Drenthe (de behandelaar) van dezelfde datum. Verweerder heeft het BMA verzocht op de brief van de behandelaar te reageren, hetgeen het BMA bij brief van 15 juli 2011 heeft gedaan.

3.5 Bij uitspraak van 19 juli 2011 (AWB 11/17478) heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard en verweerder opgedragen binnen twee weken opnieuw te beslissen.

3.6 Op 21 en 25 juli 2011 heeft eiseres een aanvullende zienswijze gegeven. Op 27 juli 2011 heeft verweerder naar aanleiding van deze zienswijzen het BMA om een nadere reactie gevraagd. Het BMA heeft gereageerd bij brief van 28 juli 2011.

Zorgvuldigheid

4. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder in strijd met de zorgvuldigheid geen verblijfsvergunning heeft verleend op het moment dat de beslistermijn was verstreken. De rechtbank overweegt dat er een rechtsmiddel openstaat indien verweerder niet tijdig op de aanvraag beslist. Uit hetgeen in rechtsoverweging 3. is opgenomen, blijkt dat eiseres van dit rechtsmiddel gebruik heeft gemaakt door het instellen van een beroep tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit. Het beroep is gegrond verklaard en de rechtbank heeft verweerder opgedragen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak te beslissen. De uitspraak is verzonden op 19 juli 2011 zodat verweerder tot 3 augustus 2011 de tijd had om opnieuw op de aanvraag te beslissen. Het bestreden besluit dateert van 2 augustus 2011. Dit betekent dat verweerder niet in strijd met de zorgvuldigheid heeft gehandeld. De beroepsgrond faalt.

5. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat verweerder haar in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor geen gelegenheid heeft gegeven om te reageren op de BMA-nota van 15 juli 2011. De rechtbank constateert dat eiseres in de gelegenheid is gesteld te reageren op het BMA-advies van 30 mei 2011. Eiseres heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt en een brief van haar behandelaar overgelegd. Het BMA heeft op deze brief gereageerd in de nota van 15 juli 2011. Het advies van 30 mei 2011 wordt daarin gehandhaafd. Nu het BMA in de nota van 15 juli 2011 inhoudelijk geen ander standpunt inneemt dan in het advies van 30 mei 2011, was verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet gehouden eiseres opnieuw in de gelegenheid te stellen om te reageren. Verweerder heeft dus niet gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. Dat betekent dat de beroepsgrond faalt.

6. Verder heeft eiseres in beroep aangevoerd dat het BMA ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van meerdere bronnen. Dat is volgens eiseres in strijd met artikel 8, tweede lid, van Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (de Procedurerichtlijn). De rechtbank stelt voorop dat dit artikel zich richt tot verweerder, niet tot het BMA. Verweerder heeft bij de behandeling van het asielverzoek van eiseres verschillende bronnen geraadpleegd, waaronder, ter beoordeling van de medische aspecten van de aanvraag, het BMA. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 juli 2006 (LJN: AY5703), is het advies van het BMA een deskundigenadvies aan de minister ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Indien een zodanig advies op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld, mag de minister bij de beoordeling van een aanvraag in beginsel van zulk een advies uitgaan. Dat betekent dat het tot de verantwoordelijkheid en deskundigheid van het BMA behoort om te beoordelen of meerdere bronnen nodig zijn in verband met de advisering. De enkele omstandigheid dat niet meerdere bronnen zijn geraadpleegd brengt niet mee dat het advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen en evenmin dat verweerder niet op het advies heeft mogen afgaan. De beroepsgrond kan niet slagen.

7. Eiseres heeft ook naar voren gebracht dat de BMA-arts er ten onrechte van heeft afgezien eiseres op te roepen voor het spreekuur. De rechtbank verwerpt deze beroepsgrond omdat het tot de deskundigheid van de arts moet worden gerekend om te beoordelen of een vreemdeling (ook) op het spreekuur moet worden gezien. De enkele omstandigheid dat eiseres niet is uitgenodigd op het spreekuur betekent niet dat het advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen of dat verweerder zijn besluit niet op het advies heeft mogen baseren.

De inhoudelijke beoordeling van het asielverzoek door verweerder

8. In geschil is of eiseres vanwege haar psychische problemen in aanmerking komt voor een asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

9.1 Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2°, van de Vw 2000 kan – voor zover hier van belang – een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Dit artikel voorziet in de bescherming die vereist is op grond van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

10. Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (het EHRM), zie de uitspraak van 27 mei 2008 in de zaak van N. tegen het Verenigd Koninkrijk (LJN: BD6647), kan uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten persoon, onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM. Van uitzonderlijke omstandigheden kan blijkens die jurisprudentie slechts sprake zijn, indien de desbetreffende vreemdeling lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium. Dit is een ander criterium dan de vraag of sprake is van een medische noodsituatie, zoals hierna aan de orde zal komen in het kader van artikel 64 van de Vw 2000.

11. In het BMA-advies van 30 mei 2011 wordt vermeld dat eiseres lijdt aan de volgende psychische klachten: slaapproblemen, nachtmerries, angsten, moeheid, herbelevingen, wantrouwen, stemmen horen, somberheid, suïcidale gedachten, aandachts- en geheugenproblemen. Volgens de behandelaar zijn deze toe te schrijven aan een chronische ptss, een psychotische stoornis niet anders omschreven en een depressieve stoornis die wordt beschreven als matig van ernst. Eiseres wordt voor deze klachten behandeld.

12. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of de kans op decompensatie van eiseres een reëel risico op overlijden inhoudt. De rechtbank verwerpt deze beroepsgrond onder verwijzing naar de invulling die het EHRM aan artikel 3 van het EVRM heeft gegeven, waarin de toets van een ‘reëel risico’ niet is opgenomen.

13. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat vanwege de grote kans op suïcide sprake is van een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium. Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar de BMA-adviezen van 30 mei, 15 en 28 juli 2011, op het standpunt gesteld dat dit niet het geval is.

14.1 In het BMA-advies van 30 mei 2011 heeft de arts op vraag 3. “Bevindt betrokkene zich onder de gegeven behandeling in een terminaal en direct levensbedreigend stadium van een ziekte en kunt u daarnaast aangeven of de ziekte in kwestie als ongeneeslijk dient te worden aangemerkt?” geantwoord: “Onder de gegeven behandeling bevindt betrokkene zich niet in een terminaal en direct levensbedreigend stadium van een ziekte. Een post traumatische stress stoornis kan niet worden aangemerkt als ongeneeslijk”. In het BMA-advies van 28 juli 2011 wordt toegelicht dat ‘terminaal en direct levensbedreigend’ inhoudelijk hetzelfde betekent als ‘vergevorderd en direct levensbedreigend’.

14.2 In het BMA-advies van 30 mei 2011 wordt voorts vermeld dat indien na terugkeer de medische behandeling ontbreekt, uitblijft dan wel onvoldoende is, de psychose mogelijk in ernst kan toenemen. De mogelijke toekomstige ontwikkeling dat dan binnen afzienbare termijn (tot 3 maanden) een onomkeerbaar proces naar de dood het gevolg zal zijn, kan door de arts niet geheel uitgesloten worden.

15.1 Eiseres heeft gewezen op de brief van haar behandelaar van 7 juli 2011 waarin wordt vermeld dat eiseres uiterst kwetsbaar is en dat zij op negatieve ontwikkelingen in de procedure snel zal kunnen decompenseren. Volgens de behandelaar bestaat er een grote kans op het ontstaan van een medische noodsituatie, te weten een suïcide(poging). Een (dreigende) terugkeer naar het land waar zij is getraumatiseerd, zal veel stress teweeg brengen met een grote kans op psychiatrische decompensatie vanwege het wegvallen van het beschermingsmechanisme (vermijding).

15.2 Eiseres heeft in beroep voorts een brief van 29 november 2011 met bijlage overgelegd van [arts], arts bij Pharos (verder te noemen: [arts]). Deze is van mening dat uit de uitspraken van de behandelaar moet worden afgeleid dat de kans op zelfmoord groot is. Voorts schrijft hij dat psychiatrische ziektebeelden juist door het risico op het ontstaan van een medische noodsituatie op korte termijn levensbedreigend en terminaal worden. Loskoppeling daarvan is medisch gezien niet logisch. Volgens [arts] is de relatie tussen ptss en suïcide evident aantoonbaar. Deze relatie wordt alleen maar sterker als er naast de ptss ook nog andere ziektebeelden aanwezig zijn, zoals bij eiseres de depressieve stoornis en de psychotische stoornis niet anders omschreven. Volgens [arts] lijkt eiseres te voldoen aan de gebruikte definiëring van een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium van een levensbedreigende ziekte.

16.1 De rechtbank heeft in rechtsoverweging 6. al vastgesteld dat een BMA-advies een deskundigenadvies is. Het is aan de vreemdeling om concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het advies naar voren te brengen.

16.2 De rechtbank overweegt dat eiseres geen concrete aanknopingspunten als hiervoor bedoeld naar voren heeft gebracht. De behandelaar van eiseres en [arts] hebben weliswaar gewezen op de mogelijkheid van decompensatie en van suïcide, maar de enkele mogelijkheid van een toekomstige gebeurtenis is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat zij op dit moment lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium als bedoeld in de jurisprudentie van het EHRM. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2011 (LJN: BR1176). Hetzelfde geldt voor de koppeling die volgens [arts] bestaat tussen de ptss en suïcide. De door de behandelaar gestelde dreiging van een acute medische noodsituatie zal hierna in het kader van artikel 64 van de Vw 2000 aan de orde komen. De beroepsgrond faalt.

17. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat er in Burundi voor haar geen medische voorzieningen en sociale opvang aanwezig zijn. De rechtbank oordeelt dat, nu eiseres niet verkeert in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium van een levensbedreigende ziekte, er reeds om die reden geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld door het EHRM. Dat betekent dat de beoordeling van deze beroepsgrond in dit kader achterwege kan blijven.

18. Eiseres heeft daarnaast een beroep gedaan op artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake de burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). De rechtbank is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat artikel 3 van het EVRM spreekt van ‘onmenselijke of vernederende behandeling’ en artikel 7 van het IVBPR van ‘wrede, onmenselijke of vernederende behandeling’ niet betekent dat artikel 7 van het IVBPR een ruimere bescherming biedt dan artikel 3 van het EVRM, zoals door eiseres betoogd. Nu hiervoor reeds is overwogen dat het beroep op artikel 3 van het EVRM niet slaagt, geldt dan ook hetzelfde voor het beroep op artikel 7 van het IVBPR.

19. Eiseres heeft voorts een beroep gedaan op de artikelen 3 en 35 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de in deze artikelen neergelegde rechten op lichamelijke en geestelijke integriteit en op gezondheidszorg niet een dusdanig vergaande strekking dat deze leiden tot een verplichting van de lidstaten om een verblijfsvergunning asiel op medische gronden te verlenen.

20. De rechtbank concludeert dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2° van de Vw 2000.

21. Het beroep van eiseres op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 in combinatie met artikel 4:84 van de Awb kan niet slagen. Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd waarom zij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van dit artikel.

22. Ten slotte heeft eiseres aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet bij de beoordeling heeft betrokken dat zij inmiddels een zoon heeft gekregen en dat hij, eiser, in Burundi in een zeer kwetsbare positie terecht zal komen. De rechtbank stelt vast dat eiser op 8 januari 2011, en dus tijdens de bestuurlijke fase, is geboren. Eiseres heeft in die fase echter geen zelfstandige gronden aangevoerd op grond waarvan eiser in aanmerking moet komen voor een verblijfsvergunning asiel. Dat betekent dat het beroep een nieuw asielmotief inhoudt, dat volgens de Afdeling (uitspraak van 6 september 2011, LJN: BS1677) niet op grond van artikel 83 van de Vw 2000 of artikel 8:69 van de Awb eerst in beroep kan worden aangevoerd.

23. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel in redelijkheid heeft kunnen afwijzen.

Achterwege blijven uitzetting om medische redenen

24. Op grond van artikel 64 van de Vw 2000 blijft uitzetting achterwege, zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de desbetreffende vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is te reizen.

25. Op grond van paragraaf A4/7 van de Vc (Vreemdelingencirculaire) 2000 blijft uitzetting op grond van artikel 64 Vw achterwege indien de medisch adviseur aangeeft dat:

- het vanwege de gezondheidstoestand van de vreemdeling of één van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen; of

- de stopzetting van de medische behandeling een medische noodsituatie zal doen ontstaan en de medische behandeling van de desbetreffende klachten niet kan plaatsvinden in het land van herkomst of een ander land waar betrokkene naar kan vertrekken.

Omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg betreffen, worden niet betrokken bij de beoordeling.

26. In paragraaf B8/2.1 van de Vc 2000 is medische noodsituatie gedefinieerd als die situatie waarbij betrokkene lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vast staat dat het achterwege blijven van behandeling op korte termijn zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade. Onder “op korte termijn” wordt verstaan binnen een termijn van drie maanden.

27. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, onder verwijzing naar het voornemen, op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een medische noodsituatie, omdat in Burundi behandelmogelijkheden aanwezig zijn.

28. De rechtbank leidt hieruit af dat verweerder kennelijk wel van oordeel is dat eiseres bij het uitblijven van behandeling in een medische noodsituatie zal komen te verkeren. De BMA-arts heeft immers, zoals hiervoor in rechtsoverwegingen 11, 14.1 en 14.2 is weergegeven, geconcludeerd dat eiseres aan diverse psychische klachten lijdt, dat de psychose bij het uitblijven van de behandeling in ernst kan toenemen en dat een onomkeerbaar proces naar de dood binnen drie maanden niet kan worden uitgesloten. Dit is ook in lijn met het in het verleden door verweerder en het BMA ingenomen standpunt. Verweerder heeft immers bij besluit van 18 januari 2008 de uitzetting van eiseres op grond van artikel 64 van de Vw 2000 achterwege gelaten tot 18 juli 2008. Dit besluit was gebaseerd op een BMA-advies van 1 november 2007 waarin grotendeels dezelfde klachten als thans aan de orde werden vermeld. Volgens het toenmalige BMA-rapport zou staken van de behandeling een medische noodsituatie opleveren.

29. De rechtbank gaat er op grond van het voorgaande vanuit dat niet in geschil is dat eiseres bij het uitblijven van behandeling in een medische noodsituatie zal komen te verkeren. Aldus is de vraag aan de orde of eiseres in Burundi behandeld kan worden voor haar psychische problematiek.

30. Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar het BMA-rapport van 30 mei 2011, op het standpunt gesteld dat er in Burundi behandelmogelijkheden aanwezig zijn. Volgens de BMA-arts blijkt uit brondocumenten dat behandeling mogelijk is in het Psycho-Neurology University Hospital te Kamenge en dat equivalenten van de gebruikte medicijnen beschikbaar zijn.

31. Eiseres heeft dit gemotiveerd betwist. Daarbij is verwezen naar de brieven van haar behandelaar van 7 juli en 28 november 2011. De behandelaar van eiseres heeft benadrukt dat onderzocht moet worden of het door het BMA genoemde ziekenhuis in Burundi eiseres dezelfde noodzakelijke specialistische zorg als in Nederland kan bieden en of sprake is van een veilige behandelomgeving. Volgens de behandelaar kan bij het ontbreken van contactgegevens van de instelling in Burundi geen adequate overdracht plaatsvinden. Verder heeft de behandelaar aangevoerd dat de medicijnen die volgens het BMA beschikbaar zijn, geen recht doen aan de meest adequate farmacologische behandeling van eiseres die na een lang zoekproces is bereikt. Ook is verwezen naar de brief van 29 november 2011 van [arts] waarin hij zijn ernstige twijfels uit over de kwaliteit van de zorg in het door het BMA genoemde ziekenhuis in Burundi. [arts] baseert die twijfel op informatie van een Belgische psychiater die in dat ziekenhuis trainingen heeft gegeven.

32. De rechtbank verwijst naar hetgeen in rechtsoverweging 16.1 is overwogen. Indien verweerder een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, moet hij zich er ingevolge artikel 3:2 van de Awb van vergewissen dat dit naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is.

33. De rechtbank oordeelt dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor twijfel aan hetgeen in het BMA-advies wordt vermeld over de beschikbaarheid van de behandeling in Burundi. Met betrekking tot de aard van de zorg en de specifieke medicatie wijst de rechtbank erop dat bepalend is of behandeling beschikbaar is en niet of de beschikbare behandeling de meest ideale is en of deze even goed is als in Nederland (zie recentelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 november 2011, LJN: BU6111). Hetzelfde geldt met betrekking tot de brief van [arts], nu daarin het bestaan van de instelling en de aanwezigheid van psychiatrische zorg niet wordt betwist, maar twijfels worden geuit met betrekking tot de zorg voor ernstig getraumatiseerde patiënten.

34.1 Verweerder heeft ter zitting het telefoonnummer van het psychiatrisch ziekenhuis in Burundi genoemd, dat hij op internet had gevonden. Eiseres heeft de rechtbank hierop verzocht het onderzoek te heropenen zodat zij contact kon opnemen met de instelling.

34.2 De rechtbank stelt vast dat uit het BMA-advies niet blijkt dat overdracht van de behandeling van eiseres noodzakelijk is. De BMA-arts heeft alleen medische reisvoorwaarden gesteld, te weten begeleiding door een psychiatrisch verpleegkundige en de beschikking over medicatie. Tegen die achtergrond valt niet in te zien dat het besluit onzorgvuldig zou zijn omdat noch het besluit, noch het onderliggende BMA-advies, het telefoonnummer van de instelling bevat. De rechtbank ziet geen aanleiding om het onderzoek te heropenen.

35. Met betrekking tot het ontbreken van een veilige behandelomgeving oordeelt de rechtbank als volgt.

36. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 20 december 2011 (LJN BU9578) met betrekking tot de veilige behandelomgeving aansluiting gezocht bij beslissingen van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. Daaruit vloeit voort dat het BMA bij het uitbrengen van een advies aan de minister omtrent de medische situatie van een vreemdeling, indien en voor zover de door een behandelaar van de desbetreffende vreemdeling verstrekte informatie daartoe aanleiding geeft, dient te beoordelen of die informatie, mede gezien de hem reeds uit het dossier bekende gegevens over de medische situatie van de vreemdeling, aanleiding geeft tot gerede twijfel over de effectiviteit van de in het algemeen verkrijgbare medische behandeling of te leveren zorg in het land van herkomst, met name gelet op de aard van het trauma en de omstandigheden waaronder dat is veroorzaakt, althans gelet op die omstandigheden waaromtrent het BMA wel kan worden geacht zich uit te laten. Daarbij dient het BMA, voor zover nader onderzoek niet mogelijk is, in zijn advies dan wel nota in ieder geval melding te maken van die gerede twijfel.

37. Uit het BMA-advies blijkt niet dat de BMA-arts heeft beoordeeld of de door de behandelaar verstrekte informatie, zoals samengevat in rechtsoverweging 15.1, aanleiding geeft tot gerede twijfel over de effectiviteit van de in het algemeen verkrijgbare medische behandeling in het land van herkomst, terwijl daar naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de inhoud van de brief van de behandelaar, wel aanleiding voor was. De rechtbank acht in dit verband ook van belang hetgeen [arts] in zijn brief van 29 november 2011 (en de bij die brief behorende bijlage) heeft geschreven over een veilige behandelomgeving.

38. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het BMA-advies op dit punt onvoldoende inzichtelijk is en dat verweerder, door het advies aan zijn besluit ten grondslag te leggen, heeft gehandeld in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb.

39. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder op grond van artikel 8:51a van de Awb in de gelegenheid te stellen dit gebrek te laten herstellen door een nieuw BMA-advies te laten uitbrengen, waarin het BMA, met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2011, in dient te gaan op de vraag of voor eiseres in Burundi een veilige behandelomgeving aanwezig is. Daarbij dient verweerder de informatie van zowel de behandelaar als [arts] te betrekken. Verweerder wordt aldus in de gelegenheid gesteld het bestreden besluit aan te vullen dan wel een nieuw besluit te nemen.

Terugkeerbesluit

40. Eiseres heeft tot slot aangevoerd dat aan haar ten onrechte, want in strijd met artikel 6, eerste lid, van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, een terugkeerbesluit is opgelegd, nu eiseres niet illegaal in Nederland verbleef. De rechtbank zal deze beroepsgrond behandelen nadat verweerder in de gelegenheid is geweest het hiervoor geconstateerde gebrek te herstellen.

Conclusie

41. De termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen, wordt door de rechtbank, in verband met het opvragen van een nieuw BMA-advies, bepaald op tien weken na de datum van verzending van deze tussenuitspraak.

42. De rechtbank verzoekt verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb, zo spoedig mogelijk kenbaar te maken of gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid om het gebrek te (laten) herstellen.

43. De rechtbank geeft verweerder in overweging bij een eventueel nieuw besluit ook de gronden die betrekking hebben op de zoon van eiseres te betrekken.

Beslissing

De rechtbank,

- heropent het onderzoek;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen tien weken na de datum van verzending van deze tussenuitspraak het besluit aan te vullen dan wel een nieuw besluit op bezwaar te nemen en aan eiseres bekend te maken, zulks met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze tussenuitspraak heeft overwogen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, rechter, in aanwezigheid van mr. E.E. van Wiggen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2012.

griffier rechter

de griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: EW

Coll.: AvT

D: C

VK

Tegen deze tussenuitspraak kan alleen hoger beroep worden ingesteld tegelijk met het hoger beroep tegen de nog te wijzen einduitspraak (artikel 37 Wet op de Raad van State).