Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX2858

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-07-2012
Datum publicatie
27-07-2012
Zaaknummer
09-754234-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doodslag. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag door het slachtoffer meermalen met een hard voorwerp tegen het hoofd te slaan, zodanig dat dit heeft geleid tot massaal bloedverlies ten gevolge waarvan het slachtoffer uiteindelijk is komen te overlijden. Uit het dossier kan worden opgemaakt dat verdachte door het slachtoffer regelmatig werd mishandeld en gepest, maar zich niet tegen hem durfde te verweren. Nadat medeverdachte [B] in de fatale uren van het slachtoffer een aantal flinke klappen had uitgedeeld aan het slachtoffer, ging kennelijk bij verdachte de knop om. Waarschijnlijk leidde alle opgekropte woedde en de hoeveelheid door hem genuttigde drank - waardoor gebruikelijke remmingen wegvallen - bij verdachte tot een escalatie in de zin van een geweldsexplosie, waarbij het slachtoffer bruut is mishandeld en uiteindelijk is komen te overlijden. Gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar, met aftrek. Zie ook: LJN BX2866 (medeverdachte).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/754234-11

Datum uitspraak: 27 juli 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte (A)],

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats],

wonende aan de [adres]

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Haaglanden - Zoetermeer te Zoetermeer.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ten terechtzittingen van 17 februari 2012 (pro forma), 15 mei 2012 (pro forma) en 13 juli 2012.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. T.N.M. Kamps en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. A.C.H. Walkate, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 15 mei 2012 - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 1 november 2011 en/of 2 november 2011 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [X] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, althans anders dan in een opwelling, die [X] (meermalen) tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam geschopt/getrapt en/of gestompt/geslagen en/of geduwd en/of (meermalen) met een hard en/of scherp en/of bot/stomp voorwerp geslagen en/of gestompt, tengevolge waarvan voornoemde [X] is overleden;

art. 287 Wetboek van Strafrecht

art. 289 Wetboek van Strafrecht

art. 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair:

hij op of omstreeks 1 november 2011 en/of 2 november 2011 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, een persoon (te weten [X], (meermalen) tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam heeft/hebben geschopt/getrapt en/of gestompt/geslagen en/of geduwd en/of (meermalen) met een hard en/of scherp en/of bot/stomp voorwerp geslagen en/of gestompt, tengevolge waarvan deze is overleden.

art 301 lid 3 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 3 Wetboek van Strafrecht

3. Bewijsoverwegingen

3.1 Inleiding1

Op woensdag 2 november 2012 omstreeks 7:50 uur zijn verbalisanten naar aanleiding van een melding naar de kruising van de Nieboerweg met de Duivelandsestraat te 's-Gravenhage gegaan, alwaar zich in een caravan een man zou bevinden die mogelijk onwel was geworden of overleden zou zijn. Op bovengenoemde locatie constateerden de verbalisanten even later dat in de caravan een man onder een witte deken lag waarop vermoedelijk bloedvlekken zaten en dat door de gehele caravan heen bloedspetters zaten. Een van de verbalisanten constateerde verder dat de man geen hartslag meer had, dat hij niet meer ademde en dat op het gezicht van de man een hoop bloed zat.2

De man bleek te zijn overleden.3 Door de lijkschouwer is een verklaring van niet natuurlijk overlijden afgegeven.4 Uit onderzoek in het vingerafdrukkensysteem Havank is verder gebleken dat de overleden man [X] was.5

De patholoog heeft, na onderzoek van het lichaam van het slachtoffer, bij het slachtoffer diverse letsels geconstateerd in het gezicht, op het hoofd, in de hals en aan de ledematen. Het lichaam was bedekt met glasscherven en glassplinters en ingedroogd bloed en er was sprake van een breuk van de rechterellepijp. Op het hoofd en in het gezicht waren er ruwrandige en soms scherprandige huidverscheuringen (in lengte variërend van 2,5 tot 6,5 centimeter) met veel begeleidende bloeduitstortingen en onderhuidse zwellingen. Er was bloed onder het harde hersenvlies, er waren bloederige zachte hersenvliezen en er was bloederig hersenvocht. In de hals en aan romp en ledematen waren er veel bloeduitstortingen. In de hals was daarnaast het schildkraakbeen aan de voorzijde losgescheurd van het botvlies. De patholoog heeft geconcludeerd dat het overlijden van het slachtoffer het gevolg is geweest van massaal bloedverlies uit alle letsels tezamen met daardoor zuurstofgebrek op weefselniveau en dat het mogelijk is dat door het geweld op de hals opgetreden verstikkingsverschijnselen hebben bijgedragen aan het overlijden.6 De op het hoofd en in het gezicht geconstateerde letsels zijn bij leven opgelopen door meermalen toegepast uitwendig inwerkend botsend geweld zoals dat door herhaaldelijk slaan met een hard en mogelijk ook kantig voorwerp kan zijn veroorzaakt. Gezien het soms scherprandige aspect van enkele wondranden kan slaan met een tot scherven versplinterd voorwerp, zoals een glazen voorwerp, niet geheel worden uitgesloten. De letsels bestaande uit de bloeduitstortingen in de hals, aan de romp en aan de ledematen zijn alle bij leven ontstaan door uitwendig inwerkend botsend geweld zoals dat door herhaaldelijk slaan met een hard voorwerp kan ontstaan. Deels, met name aan de benen, kunnen de bloeduitstortingen zijn veroorzaakt door ergens tegen aan (te) stoten of door vallen. De letsels aan de armen kunnen passen bij afweerletsels. De bloeduitstortingen in de halsspieren en het losgescheurde schildkraakbeen passen bij stomp botsend geweld op de hals zoals door tegen de hals slaan kan worden veroorzaakt.7

Uit het sectierapport leidt de rechtbank af dat het slachtoffer door geweld om het leven is gekomen.

Zowel verdachte8 als medeverdachte [B]9 hebben verklaard in de loop van de avond/nacht van 1 op 2 november 2012 geweld tegen het slachtoffer te hebben gebruikt (schoppen en/of slaan). Uit het dossier komt geen eenduidig verhaal naar voren over het verloop van de gebeurtenissen c.q. de gewelddadigheden die zich hebben afgespeeld in de caravan als gevolg waarvan het slachtoffer uiteindelijk is komen te overlijden. De verklaringen van verdachte en medeverdachte [B] over de mate van het door henzelf en door de ander gebruikte geweld staan lijnrecht tegenover elkaar. Verdachte wijst medeverdachte [B] aan als de persoon die er voor verantwoordelijk is dat het slachtoffer is komen te overlijden. [B] wijst op zijn beurt verdachte aan als de dader. Wel is vast komen te staan dat beide verdachten, samen met [C], [D] en het slachtoffer, kort voor het gebeurde in bovengenoemde caravan hebben verbleven en dat het slachtoffer zich tegenover iedereen (verbaal) agressief gedroeg.10

De vragen die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte zich (als medepleger) schuldig heeft gemaakt aan moord (primair impliciet primair), doodslag (primair impliciet subsidiair) ofwel mishandeling (subsidiair impliciet subsidiair), eventueel met de strafverzwarende omstandigheden dat het slachtoffer ten gevolge van deze mishandeling is komen te overlijden en/of daarbij met voorbedachten rade is gehandeld (subsidiair impliciet primair).

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

Vrijspraak en deelvrijspraak

Verdachte dient, wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs, vrij te worden gesproken van de onderdelen medeplegen en voorbedachten rade.

Bewezenverklaring

De verklaringen van [D], medeverdachte [B] en [C] kunnen bij de bewezenverklaring tot uitgangspunt worden genomen. Deze verklaringen komen op essentiële punten met elkaar overeen. Uit twee of meerdere van deze verklaringen is af te leiden dat [B] en [C] sliepen, terwijl het toen nog levende slachtoffer alleen met verdachte overbleef, dat verdachte het slachtoffer, nadat deze was overleden, nog heeft geslagen met een fles en dat verdachte zelf heeft verklaard dat hij het slachtoffer om het leven had gebracht. Ook kunnen in dit verband tot het bewijs worden gebezigd het sms-bericht dat [D] op 5 november 2011 verstuurde, de, opgenomen, telefoongesprekken en verder de verklaringen van [E] en [F], het gesprek dat verdachte en [B] op 29 november 2011 in de arrestantentransportbus van de politie Haaglanden en de omstandigheid dat bloed van het slachtoffer is aangetroffen op de kleding van verdachte.

Op basis van diverse verklaringen (waaronder bovengenoemde), de constateringen van de patholoog en de bloedspoorpatroonanalyse - waaruit blijkt dat er spatpatronen op het plafond en om het hoekje in de caravan zaten - kan bewezen worden verklaard dat excessief geweld is gebruikt tegen het slachtoffer. Het slachtoffer is met een voorwerp (gereedschapstang) vele malen, doch minimaal tienmaal, op het hoofd geslagen.

Verdachte moet, gelet op het uitgangspunt van de officier van justitie, degene zijn geweest die met een hard voorwerp meermalen op het hoofd van het slachtoffer heeft geslagen. Op basis van het pathologisch rapport neemt de officier van justitie aan dat het slachtoffer daardoor ook is komen te overlijden. Verdachte heeft de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer door het meermalen slaan met een hard voorwerp op het hoofd zou komen te overlijden, bewust aanvaard.

Wettig en overtuigend kan aldus bewezen worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem bij dagvaarding primair impliciet subsidiair ten laste gelegde oftewel doodslag, door het slachtoffer met een voorwerp (gereedschapstang) vele malen, doch minimaal tienmaal, op het hoofd te slaan.

3.3 Het standpunt van de verdediging

Verdachte dient, wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs, in ieder geval vrij te worden gesproken van de onderdelen medeplegen en voorbedachten rade.

De gang van zaken zoals geschetst door verdachte is het meest aannemelijk, aangezien hij als enige inhoudelijk en gedetailleerd heeft verklaard over de gebeurtenissen die zich hebben afgespeeld in de caravan. Zijn verklaring wordt bovendien ondersteund door de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen, zowel door forensisch bewijsmateriaal als door diverse, door anderen, afgelegde verklaringen.

Verdachte heeft zich, blijkens zijn verklaring, louter schuldig gemaakt aan het schoppen tegen het lichaam van het slachtoffer en het eenmaal slaan met een fles tegen de schouder van het slachtoffer. Naar algemene ervaringsregels kan niet worden gesteld dat de kans dat het slachtoffer zou kunnen overlijden ten gevolge van deze gedragingen van verdachte aanmerkelijk te achten is. Ook blijkt uit het pathologisch rapport niet van het bestaan van een direct causaal verband tussen het tweemaal schoppen en het eenmaal slaan en het overlijden van het slachtoffer. De intentie van verdachte was louter het toebrengen van pijn aan het slachtoffer. Ook uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, kan niet worden afgeleid dat deze op de dood moeten zijn gericht geweest. Uit de handelwijze van verdachte kan aldus noch het (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer worden afgeleid noch kan deze handelwijze hebben geleid tot een niet beoogd doel in de zin van artikel 300 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsvrouwe verzoekt de rechtbank verdachte derhalve vrij te spreken van de hem primair en subsidiair ten laste gelegde feiten.

De raadsvrouwe merkt ten slotte nog op dat geen enkele betrokkene heeft verklaard dat hij of zij heeft gezien dat het slachtoffer door verdachte met een tang is geslagen.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging

Beide hoofdverdachten in deze zaak, te weten verdachte en medeverdachte [B], wijzen elkaar aan als degene die dusdanig excessief geweld tegen het slachtoffer heeft toegepast dat deze daardoor uiteindelijk is komen te overlijden. In tegenstelling tot de verklaring van verdachte, wordt de verklaring van medeverdachte [B] op essentiële punten ondersteund door de verklaringen van [D] en [C], dan wel andersoortig objectief bewijsmateriaal. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Medeverdachte [B] heeft verklaard dat hij het slachtoffer 4 à 5 vuistslagen op het gezicht heeft gegeven11 en dat, kort hierna, verdachte het slachtoffer in een snel tempo, heel hard, van alle kanten met een fles heeft geslagen12, waarna [B] verdachte heeft weggetrokken van het slachtoffer. Iets later is hij, [B], in slaap gevallen13.

Medeverdachte [B]14 en [C]15 hebben beiden verklaard dat zij lagen te slapen in de caravan, dat [B] wakker werd van de kou en toen merkte dat het slachtoffer dood was. Ze gingen de caravan uit naar een bankje in het nabij de standplaats van de caravan gelegen park en troffen daar verdachte aan. Verdachte heeft toen tegen hen gezegd dat hij het slachtoffer van het leven had beroofd. Verdachte heeft tegen medeverdachte [B] gezegd dat hij, terwijl medeverdachte [B] en [C] sliepen, het slachtoffer zo vaak met een fles had geslagen totdat het slachtoffer dood was.16 Medeverdachte [B] heeft verklaard dat hij ook heeft gezien dat verdachte het slachtoffer met een fles met veel kracht, emotie en agressief op zijn hoofd en de rest van zijn lichaam sloeg.17 [C] heeft verklaard dat verdachte, in zijn bijzijn, heeft gezegd dat hij het slachtoffer had dood gemaakt. [C] heeft voorts verklaard dat verdachte ook tegen hem had gezegd dat hij, terwijl [C] en [B] lagen te slapen en terwijl [D] (naar de rechtbank begrijpt: getuige [D]) er bij was, het slachtoffer met een fles heeft geslagen en dat het slachtoffer toen al dood was.18 Deze verklaring wordt bevestigd door [D], die heeft verklaard dat zij heeft gezien dat verdachte dit deed, zeer korte tijd nadat zij de caravan was binnengegaan. Zij zag toen dat twee personen lagen te slapen in de caravan.19 Medeverdachte [B] heeft eveneens verklaard dat verdachte tegen hem had gezegd dat hij het slachtoffer met een fles had geslagen in het bijzijn van [D].20

Verdachte heeft verklaard21 dat medeverdachte [B] het slachtoffer eerst met zijn vuisten heeft geslagen. Toen hij ophield, heeft verdachte het slachtoffer twee keer geschopt, op zijn hoofd en borst, en een keer hard met een fles op zijn schouder geslagen (om het sleutelbeen te breken), waarbij de fles is gebroken. Hierna begon, aldus verdachte, [B] weer te slaan, met een fles en daarna met een tang, en heeft hij onder meer het gezicht van het slachtoffer gebrand door deodorant te spuiten in de vlam van een aansteker die [B] vlak voor het gezicht van het slachtoffer hield. Medeverdachte [B] heeft, zo heeft verdachte voorts verklaard, het slachtoffer zijn kleren laten uittrekken, waarbij hij de broek van het slachtoffer heeft opengesneden en heeft uitgetrokken22, hij heeft vervolgens geprobeerd het slachtoffer te verkrachten en hij heeft over hem heen geplast.

De rechtbank is van oordeel dat deze laatste verklaring van verdachte - hoewel deze op punten, zoals bijvoorbeeld op het punt van het over het slachtoffer urineren, door het forensische bewijs niet wordt uitgesloten - op belangrijke punten onvoldoende steun vindt, in of zelfs weersproken wordt door ander bewijsmateriaal. Zo heeft verdachte ter terechtzitting van 13 juli 2012 verklaard dat het slachtoffer niet bloedde nadat deze door eerst door medeverdachte [B] was geslagen en tweemaal door verdachte was geschopt alsmede tegen zijn sleutelbeen was geslagen met een fles, waarbij die fles kapot was gegaan. Medeverdachte [B] heeft evenwel verklaard dat hij had gezien dat het slachtoffer bloedde nadat hij en verdachte hem hadden mishandeld.23 De rechtbank acht het ook zeer onwaarschijnlijk, in het bijzonder gelet op de door verdachte beschreven handelingen, dat daarna bij het slachtoffer geen bloed te zien zou zijn geweest. Hoewel de fles waarmee verdachte heeft verklaard op het sleutelbeen van het slachtoffer te hebben geslagen door de klap kapot is gegaan, is bij de sectie geen breuk van een sleutelbeen dan wel een grote bloeduitstorting op een van de schouders van het slachtoffer aangetroffen.24 Op het lichaam van het slachtoffer zijn door de patholoog voorts geen letsels door thermische schade waargenomen die het gestelde in brand steken van het gezicht van het slachtoffer kunnen bevestigen.25 Hoewel de jas van het slachtoffer wel op een enkele onderdeel lichte brandschade vertoont, spoort de locatie waarop dit is waargenomen - te weten de achterzijde van die kleding - weer niet met de verklaring van de verdachte. Ook de in het rapport betreffende het forensisch onderzoek aan de broek van het slachtoffer beschreven beschadigingen bieden geen steun aan het door verdachte gestelde opensnijden van die broek26, terwijl het doorsnijden van de zwarte onderbroek van verdachte ter hoogte van de anus, waarop nadrukkelijk door de verdediging is gewezen, uitsluitend heeft plaatsgevonden door verbalisanten teneinde de lichaamstemperatuur van het slachtoffer te kunnen opnemen.27

De rechtbank constateert voorts dat verdachte pas in zijn vierde verhoor ten overstaan van de politie voor het eerst heeft verklaard over zijn wetenschap betreffende de vraag wie het slachtoffer van het leven heeft beroofd, terwijl hij zelf verdachte was van het (medeplegen) van dit feit, welk feit bovendien met een forse vrijheidsstraf wordt bedreigd. Daarnaast voegt de verdachte bij elke verklaring nadien en zelfs nog ter terechtzitting nieuwe informatie toe aan zijn eerdere verklaring(en) ten aanzien van de volgens verdachte door [B] gepleegde handelingen jegens het slachtoffer. Tekenend in dit verband acht de rechtbank dat verdachte voor het eerst ter terechtzitting heeft verklaard dat medeverdachte [B] en/of [C] het slachtoffer de volgende woorden zou(den) hebben toegevoegd: "Je zult de hele nacht geslagen worden en men weet niet of je dit zult overleven."28 Kortom: verdachtes verklaringen vinden niet of, op een enkel punt, nauwelijks steun in overig (objectief) bewijsmateriaal en zijn in die zin niet consistent dat verdachte telkens met aanvullende verklaringen komt.

Ten slotte acht de rechtbank de inhoud van het OVC-gesprek dat in de arrestantentransportbus van de politie Haaglanden tussen verdachte en medeverdachte [B] op 29 november 2011 heeft plaatsgevonden29 doorslaggevend voor het bewijs. Uit dit gesprek blijkt dat [B] er veelvuldig bij verdachte op aandringt dat deze moet vertellen hoe het is gegaan. [B] zegt in dit gesprek tegen verdachte dat hij weet dat verdachte het heeft gedaan omdat hij tegen hem en [C] heeft gezegd dat hij hem met een fles heeft verneukt. De tolk heeft verklaard dat "iemand verneuken met een fles" bezien in de context van dit gesprek betekent iemand met een fles "doden". De rechtbank merkt op dat dit overeenkomt met de verklaringen van [C] en [B] die zij beiden al eerder hebben afgelegd. Bovendien verklaart verdachte daarbij tegenover [B] wanneer [B] er wederom bij verdachte op aandringt het feit te bekennen: "Als zij dat aan mij bewijzen, als ik geen andere uitweg zal hebben, als zij dat werktuig vinden met mijn vingerafdrukken daarop dan wel." Verdachte heeft hierover verklaard, dat hij wist dat zij op dat moment werden afgeluisterd en dat hij toen juist heeft geprobeerd om [B] uit zijn tent te lokken en daarom niet inhoudelijk afstand heeft genomen van de opmerkingen van [B] om hem niet boos te maken. De rechtbank acht deze verklaring van verdachte volstrekt niet aannemelijk.

In het licht van het bovenstaande ziet de rechtbank reden om de gang van zaken zoals (mede) geschetst door medeverdachte [B] als uitgangspunt te nemen voor het bewijs van het vervolg van de handelingen jegens het slachtoffer, en niet het vervolg van de gang van zaken zoals geschetst door verdachte.

Het gebruikte voorwerp c.q. slagwapen

Uit de verklaringen van [B]30 en [C]31 volgt dat verdachte het slachtoffer met een fles heeft geslagen.32 De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte het slachtoffer minimaal op drie momenten met een fles moet hebben geslagen. Uit de verklaringen van [B]33 en verdachte34 kan worden opgemaakt dat het slachtoffer, nadat verdachte hem op de eerste plaats (meermalen) met een fles heeft geslagen, nog leefde op het moment dat zij gingen slapen. Voorts en ten tweede volgt uit de verklaring van [D] dat verdachte het slachtoffer hard met een fles heeft geslagen toen bij hem de dood al was ingetreden. Het kan derhalve niet anders zijn dan dat het slachtoffer, nadat [B] en verdachte hem eerst samen hadden mishandeld waarna het slachtoffer nog leefde, vervolgens nogmaals door verdachte moet zijn geslagen met het oog op het overlijden van het slachtoffer: hoewel het gebruikte geweld tijdens die eerdere gezamenlijke mishandeling fors is geweest kan dat geweld het latere overlijden van het slachtoffer niet zonder meer verklaren. Gelet op de verklaring van [B]35, inhoudende dat hij later van verdachte had gehoord dat verdachte het slachtoffer met een fles had geslagen terwijl hij en [C] sliepen, komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte het slachtoffer nogmaals alleen met een fles heeft geslagen. Het feit dat er nog een schermutseling heeft plaatsgevonden nadat iedereen ging slapen vindt bovendien steun in de verklaring van getuige [D], aangezien zij uit de mond van verdachte had gehoord: "Die klootzak heeft nog een klap met een fles port van mij gekregen" "en toen leefde hij niet meer".36

Verdachte heeft ter terechtzitting van 13 juli 2012 de verklaringen van [B] en [C] in die zin bevestigd dat hij heeft verklaard dat hij het slachtoffer met een fles had geslagen,37en dat de fles daarbij kapot is gegaan.38 In de caravan zijn diverse glasscherven gevonden.39 Op één van de in de caravan aangetroffen glasscherven is bloed40 aangetroffen waarvan het DNA-profiel een match opleverde met het DNA-profiel van het slachtoffer.41 Vast staat dat glasdelen zijn aangetroffen van ten minste twee verschillende flessen.42

Uit het sectierapport is gebleken dat de letsels die bij het slachtoffer zijn geconstateerd, waaronder die op het hoofd en in het gezicht, volgens de patholoog zijn veroorzaakt door geweldsinwerkingen door herhaaldelijk slaan met één of meer harde en mogelijk ook kantige voorwerpen.43 Glasscherven (oorspronkelijk één of meerdere flessen), een tang, een flesje knoflooksaus, een kurkentrekker (met mesje) en een zakmes (leatherman) komen volgens de patholoog alle in aanmerking als voorwerpen waarmee het slachtoffer zou kunnen zijn geslagen.44

De rechtbank concludeert op basis van het sectierapport, de DNA-match en bovengenoemde verklaringen dat een fles aldus één van de voorwerpen zou kunnen zijn waarmee het slachtoffer geslagen is.

De gereedschapstang die is aangetroffen in de caravan45 zou, gelet op het sectierapport46, in combinatie met het gegeven dat er bloed dat afkomstig is van het slachtoffer op de tang is aangetroffen alsmede op haren gelijkende stoffen47, ook als het voorwerp waarmee het slachtoffer herhaaldelijk is geslagen in aanmerking kunnen komen.

Met welk voorwerp het slachtoffer is geslagen is voor de rechtbank echter niet onomstotelijk vast komen te staan. Voor de rechtbank is gelet op het sectierapport wel voldoende vast te komen te staan dat het slachtoffer met een hard voorwerp onder meer hard tegen het hoofd is geslagen en dat het slachtoffer daardoor is komen te overlijden. De verdachte heeft, door aldus te handelen nadat het slachtoffer al tot bloedens toe ernstig was mishandeld, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat verdachte een dergelijke aanval, met een fles, op een kwetsbare plek als het hoofd, niet zou overleven.

De rechtbank is gelet op het vorenoverwogene, van oordeel dat verdachte degene is geweest die het slachtoffer aldus heeft geslagen.

De rechtbank overweegt ten overvloede nog het volgende. Verdachte heeft bovendien - anders dan [B], die het slachtoffer nog geen twee dagen kende - een motief kunnen hebben om een dergelijke mate van geweld tegen het slachtoffer aan te wenden. Verdachte werd, volgens [D]48 en medeverdachte [B]49, immers door het slachtoffer mishandeld, terwijl hij50 nooit zijn hand heeft opgeheven naar het slachtoffer. Ook werd verdachte volgens [C] al zijn hele leven door het slachtoffer gepest.51 Getuige [D] heeft in dit kader verklaard: "Ik denk dat de agressie van jaar tot jaar groeide en dat [naam] (de rechtbank begrijpt: verdachte) dat binnenhield. 52 Dat verdachte daadwerkelijk opgekropte woede moet hebben gehad jegens het slachtoffer, kan naar het oordeel ten overvloede van de rechtbank vooral volgen uit het feit dat verdachte, nadat het slachtoffer al was overleden, hem ook toen nog hard met een fles heeft geslagen.53 Verdachtes verklaring ter terechtzitting, dat hij het slachtoffer op dat moment niet hard heeft geslagen maar enkel met een fles tegen zijn lichaam heeft gepord om vast te stellen of verdachte toen nog leefde, stelt de rechtbank als onaannemelijk terzijde, met het oog op de hiervoor weergegeven verklaring van getuige [D] en gezien de wijze van handelen welke niet geëigend is tot het vaststellen van de dood van een persoon.

Medeplegen

De rechtbank sluit niet uit dat het geweld dat is toegepast door medeverdachte [B] er kennelijk mede toe heeft geleid dat verdachte zich niet langer meer geremd voelde om een grote mate van geweld toe te passen jegens het slachtoffer, maar zij is niettemin van oordeel dat, doordat [B] verdachte van het slachtoffer heeft losgetrokken toen verdachte het slachtoffer mishandelde54, [B] zich op dat moment in elk geval zelf nadrukkelijk heeft gedistantieerd van het brute geweld dat verdachte tegen het slachtoffer gebruikte. [B] is aldus naar het oordeel van de rechtbank niet te beschouwen als medepleger. Ook anderszins is niets vast komen te staan rond medeplegen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte in deze alleen heeft gehandeld.

Voorbedachten rade

De rechtbank acht, met de officier van justitie en de raadsvrouw, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld en zal verdachte om die reden vrijspreken van moord oftewel het hem bij dagvaarding primair impliciet primair ten laste gelegde.

De rechtbank merkt nog op dat zij, met de raadsvrouw, van oordeel is dat er enkele ongerijmdheden zitten in het dossier. Het is bijvoorbeeld - ondanks de grote hoeveelheden drank die de drie mannen in de caravan hebben gedronken - moeilijk voorstelbaar dat medeverdachte [B] en [C] niet hebben gehoord dat het slachtoffer met een voorwerp bruut werd mishandeld. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat het slachtoffer, tegen zijn gewone doen in, ontkleed is aangetroffen. Deze ongerijmdheden doen er evenwel niet aan af dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag.

3.5 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

hij op 1 november 2011 of 2 november 2011 te 's-Gravenhage opzettelijk [X] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte die [X] (meermalen) tegen het hoofd en het (boven)lichaam geschopt en meermalen met een hard voorwerp tegen het hoofd geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [X] is overleden.

4. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding primair impliciet primair (moord) ten laste gelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding primair impliciet subsidiair (doodslag) ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten en zij heeft geen opmerkingen gemaakt omtrent de strafmaat.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag door het slachtoffer meermalen met een hard voorwerp tegen het hoofd te slaan, zodanig dat dit heeft geleid tot massaal bloedverlies ten gevolge waarvan het slachtoffer uiteindelijk is komen te overlijden. Uit het dossier kan worden opgemaakt dat verdachte door het slachtoffer regelmatig werd mishandeld en gepest, maar zich niet tegen hem durfde te verweren. Nadat medeverdachte [B] in de fatale uren van het slachtoffer een aantal flinke klappen had uitgedeeld aan het slachtoffer, ging kennelijk bij verdachte de knop om. Waarschijnlijk leidde alle opgekropte woedde en de hoeveelheid door hem genuttigde drank - waardoor gebruikelijke remmingen wegvallen - bij verdachte tot een escalatie in de zin van een geweldsexplosie, waarbij het slachtoffer bruut is mishandeld en uiteindelijk is komen te overlijden. Een bijzonder trieste gebeurtenis, mede gelet op de omstandigheden waaronder het slachtoffer het leven heeft gelaten: gedeeltelijk ontkleed in een krappe, sterk vervuilde caravan, met daarin in ieder geval drie volwassen mannen, een ieder onder invloed van overdadige hoeveelheden alcohol, zodanig dat niemand zich wezenlijk om het slachtoffer heeft willen of kunnen bekommeren.

Met zijn handelen heeft verdachte onpeilbaar verdriet toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer. Dat geldt in het bijzonder voor zijn directe familieleden. Uit de slachtofferverklaring die door drie familieleden van het slachtoffer is ondertekend volgt ook dat de wijze waarop het slachtoffer om het leven is gekomen een enorme impact op hen heeft gehad.

De rechtbank houdt er bij het bepalen van de strafmaat rekening mee dat verdachte het slachtoffer met een hard voorwerp tegen het hoofd heeft geslagen en door verdachte excessief geweld is toegepast, hetgeen kan worden opgemaakt uit de diverse letsels die op het lichaam van het slachtoffer zijn geconstateerd door de patholoog-anatoom, in combinatie met het vele bloed dat op diverse plekken in de caravan is aangetroffen. Uit de verklaring van verdachte volgt zelfs dat verdachte het slachtoffer dusdanig hard heeft geslagen dat daarbij een glazen portfles kapot is gegaan.

De rechtbank heeft kennis genomen van een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 8 november 2011, waaruit blijkt dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is geweest wegens diverse winkeldiefstallen. Dit betreffen andersoortige feiten dan het feit waarvoor verdachte thans terecht moet staan. Deze veroordelingen zullen derhalve niet meegenomen worden bij het bepalen van de strafmaat.

De rechtbank heeft eveneens kennis genomen van een reclasseringsrapport dat omtrent verdachte is opgesteld en dat dateert van 10 juli 2012. Uit dit rapport volgt dat verdachte weinig compassie toont met het slachtoffer en niet onder stoelen of banken steekt dat hij het slachtoffer een slecht mens vond. De reclasseringsmedewerker ziet een rol voor de reclassering weggelegd als het gaat om het helpen van verdachte bij de problemen welke verdachte op de diverse leefgebieden heeft, zoals huisvesting, financiën en werk. Gelet echter op de te verwachten op te leggen straf indien verdachte schuldig zou worden bevonden, is het voor de reclassering niet mogelijk om invulling te geven aan bijzondere voorwaarden. De rechtbank herkent de door de reclasseringsmedewerker geschetste houding van verdachte, nu zij dit ook ter terechtzitting heeft waargenomen. De rechtbank houdt hier ten nadele van verdachte rekening mee.

Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank een vrijheidsstraf van na te noemen duur een passende reactie op het door verdachte begane strafbare feit. Voor een gedeeltelijk voorwaardelijk straf ziet de rechtbank, gelet op de ernst van het feit, geen aanleiding.

7. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van €5.529,42 ter zake van een vergoeding voor de begrafeniskosten en tot niet-ontvankelijk verklaring van het overige deel van de vordering van de benadeelde partij omdat deze kosten niet eenvoudig van aard zijn.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen, aldus verdachtes raadsvrouw.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

[Benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding.

De rechtbank gaat bij de omrekening van de vordering in euro's uit van de wisselkoers van 17 juli 2012 ofwel €1,00 is zl 4.18510 (zl = zloty).

Materiële schade

De benadeelde partij heeft een aantal kostenposten (1 tot en met 9 op de vordering) opgevoerd die betrekking hebben op de begrafeniskosten van het slachtoffer. Deze kosten bedragen in totaal zl 28.769,01 ofwel € 6.874,15.

De rechtbank begrijpt uit de vordering dat - in verband met de materiële schade - reeds een bedrag van zl 4.000,00 ofwel € 955,77 aan de zus van het slachtoffer is vergoed door een instelling voor sociale verzekeringen.

De materiële schade die aldus nog niet is vergoed bedraagt: zl 28.769,01 - zl 4.000,00 = zl 24.769,01 ofwel € 5.918,38.

Immateriële schade

De verzochte vergoeding door de benadeelde partij wegens geleden immateriële schade bestaat uit een bedrag van zl 600.000,00 ofwel € 143.365,75 wegens ''het moreel geleden verlies als gevolg van deze tragedie'' (zl 200.000,00 per familielid) en een uitkering voor de zoon van het slachtoffer [zoon] tot de voltooiing van zijn educatie of tot zijn achttiende levensjaar ter hoogte van zl 2000 ofwel € 477,89 per maand.

Omtrent de vordering van de benadeelde partij oordeelt de rechtbank als volgt.

Materiële schade

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten 1 tot en met 9 ter zake van begrafeniskosten van het slachtoffer, is door de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. De rechtbank acht deze kosten overigens ook redelijk. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal van de begrafeniskosten het bedrag aftrekken dat reeds is vergoed door de instelling voor sociale verzekeringen aan de zus van het slachtoffer.

Immateriële schade

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij, voor zover deze betrekking heeft op de immateriële schade, afwijzen, nu de benadeelde partij niet valt onder de personen die op grond van het in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde gerechtigd zijn tot vergoeding van schade, anders dan vermogensschade.

De rechtbank zal de vordering derhalve toewijzen tot een bedrag van € 5.918,38.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.918,38, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij].

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

24c, 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij gewijzigde dagvaarding onder primair impliciet primair tenlastegelegde feit (moord) heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij gewijzigde dagvaarding onder primair impliciet subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

doodslag;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 9 JAREN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij], een bedrag van € 5.918,38;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.918,38, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 64 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.S.I. van Delden, voorzitter,

mrs. J.E. Bierling en R. van Zeijst-Repelaer van Driel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.M.Th. Boeter, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juli 2012.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van het proces-verbaal met het nummer PL2011-231697, van de regiopolitie Haaglanden, met bijlagen.

2 Proces-verbaal van bevindingen, pagina's 5 en 6 (dossier: BIJLAGE AMBTSHANDELINGE(EN) 0/0PV/AH).

3 Een geschrift, te weten een Verslag betreffende een niet natuurlijke dood, opgesteld door L. van Knapen, pagina's 143 tot en met 145 (dossier:1e Dossier Forensisch onderzoek TGO KILO 11).

4 Een geschrift, te weten een Verslag betreffende een niet natuurlijke dood, opgesteld door L. van Knapen, pagina's 143 tot en met 145 (dossier:1e Dossier Forensisch onderzoek TGO KILO 11).

5 Een rapport, met als onderwerp: dactyloscopisch identiteitsonderzoek, pagina's 140 tot en met 143 (dossier:1e Dossier Forensisch onderzoek TGO KILO 11).

6 Een rapport met als onderwerp: Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, d.d. 21 maart 2012 opgesteld door A. Maes, arts en patholoog, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, pagina's 857 tot en met 859 (dossier: 2e Dossier Forensisch onderzoek TGO KILO 11).

7 Een rapport met als onderwerp: Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, d.d. 21 maart 2012 opgesteld door A. Maes, arts en patholoog, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, pagina's 858 en 859 (dossier: 2e Dossier Forensisch onderzoek TGO KILO 11).

8 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 13 juli 2012

9 Proces-verbaal van verhoor [B], op 5 juni 2012 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier, onder punt 19 van dit verhoor.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte [B], pagina's 346 (dossier: BIJLAGE VERDACHTE(N) VERHOREN 0/0PV/V).

11 Proces-verbaal van verhoor van [B], op 5 juni 2012 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier, onder punt 19 van dit verhoor.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte [B], pagina 361 (dossier: BIJLAGE VERDACHTE(N) VERHOREN 0/0PV/V).

13 Proces-verbaal van verhoor van [B], op 5 juni 2012 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier, onder punt 23 van dit verhoor.

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte [B], pagina 361 (dossier: BIJLAGE VERDACHTE(N) VERHOREN 0/0PV/V).

15 Proces-verbaal van verhoor van [C], op 8 december 2011 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier, pagina 300, onder punt 7, 8 en 9 (dossier: BIJLAGE VERDACHTE(N) VERHOREN 0/0PV/V).

16 Proces-verbaal van verhoor verdachte [B], pagina's 361 en 362 (dossier: BIJLAGE VERDACHTE(N) VERHOREN 0/0PV/V).

17 Proces-verbaal van verhoor verdachte [B], pagina 348 (dossier: BIJLAGE VERDACHTE(N) VERHOREN 0/0PV/V).

18 Proces-verbaal van verhoor verdachte [C], pagina's 306 en 307 (dossier: BIJLAGE VERDACHTE(N) VERHOREN 0/0PV/V).

19 Proces-verbaal van verhoor van [D], op 5 juni 2012 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier, onder punt 25 en 26 van dit verhoor.

20 Proces-verbaal van verhoor verdachte [B], pagina's 349 (dossier: BIJLAGE VERDACHTE(N) VERHOREN 0/0PV/V).

21 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 13 juli 2012

22 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], pagina 387 (dossier: BIJLAGE VERDACHTE(N) VERHOREN 1/0PV/V).

23 Proces-verbaal van verhoor verdachte [B], pagina 322 (dossier: BIJLAGE VERDACHTE(N) VERHOREN 0/0PV/V).

24 Een rapport met als onderwerp: Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, d.d. 21 maart 2011 opgesteld door A. Maes, arts en patholoog, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 857 en 869 (dossier: 2e Dossier Forensisch onderzoek TGO KILO 11).

25 Een rapport met als onderwerp: Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, d.d. 21 maart 2011 opgesteld door A. Maes, arts en patholoog, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 859 (dossier: 2e Dossier Forensisch onderzoek TGO KILO 11).

26 Een rapport met als onderwerp: Vezel- en textielonderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [X] in Den haag op 2 november 2011, d.d. 2 februari 2012 opgesteld door dr. ir. J. van der Weerd, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, pagina's 827/828 (dossier: 2e Dossier Forensisch onderzoek TGO KILO 11)

27 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 64 (dossier: 1e Dossier Forensisch onderzoek TGO KILO 11).

28 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van de rechtbank van 13 juli 2012.

29 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 176 tot en met 184 (dossier: BIJLAGE AMBTSHANDELINGEN 0/0PV/AH)

30 Proces-verbaal van verhoor verdachte [B], pagina's 361 en 362 (dossier: BIJLAGE VERDACHTE(N) VERHOREN 0/0PV/V).

31 Proces-verbaal van verhoor verdachte [C], pagina 307 (dossier: BIJLAGE VERDACHTE(N) VERHOREN 0/0PV/V).

32 Proces-verbaal van verhoor verdachte [B], pagina's 361 en 362 (dossier: BIJLAGE VERDACHTE(N) VERHOREN 0/0PV/V).

33 Proces-verbaal van verhoor verdachte [B], pagina's 323 (dossier: BIJLAGE VERDACHTE(N) VERHOREN 0/0PV/V).

34 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 juli 2012.

35 Proces-verbaal van verhoor verdachte [B], pagina's 361 en 362 (dossier: BIJLAGE VERDACHTE(N) VERHOREN 0/0PV/V).

36 Verklaring van getuige [D] van 4 november 2011, 0/OPV/G, p. 31.

37 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 juli 2012.

38 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 juli 2012.

39 Proces-verbaal van bevindingen, pagina's 294 tot en met 296 (dossier: 1e Dossier Forensisch onderzoek TGO KILO 11).

40 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 296 (dossier: 1e Dossier Forensisch onderzoek TGO KILO 11).

41 Een rapport met als onderwerp: Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [X] in Den Haag op 2 november 2011, d.d. 19 januari 2012 opgesteld door ir. H.J.T. Jansen, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, pagina's 811, 815 en 817 (dossier: 2e Dossier Forensisch onderzoek TGO KILO 11)

42 Proces-verbaal van sporenonderzoek in de caravan, bijlage A10, p. 293 e.v. en NFI-rapportage bijalge A31, p. 833 e.v..

43 Een rapport met als onderwerp: Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, d.d. 21 maart 2012 opgesteld door A. Maes, arts en patholoog, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 858 (dossier: 2e Dossier Forensisch onderzoek TGO KILO 11).

44 Een rapport met als onderwerp: Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, d.d. 21 maart 2012 opgesteld door A. Maes, arts en patholoog, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, pagina's 859 en 860 (dossier: 2e Dossier Forensisch onderzoek TGO KILO 11).

45 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 296 (dossier: 1e Dossier Forensisch onderzoek TGO KILO 11).

46 Een rapport met als onderwerp: Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, d.d. 21 maart 2011 opgesteld door A. Maes, arts en patholoog, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, pagina's 858 tot en met 860 (dossier: 2e Dossier Forensisch onderzoek TGO KILO 11).

47 Een rapport te weten, Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [X] in Den Haag op 2 november 2011, d.d. 19 januari 2012 opgesteld door ir. H.J.T. Jansen werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, pagina's 815 en 817 (dossier: 2e Dossier Forensisch onderzoek TGO KILO 11)

48 Proces-verbaal van verhoor verdachte [D], pagina 40 (dossier: BIJLAGE VERDACHTE(N) VERHOREN 0/0PV/V).

49 Proces-verbaal van verhoor verdachte [B], pagina 346 (dossier: BIJLAGE VERDACHTE(N) VERHOREN 0/0PV/V).

50 Proces-verbaal van verhoor getuige [D], pagina 242 (dossier: BIJLAGE GETUIGE(N) VERHOREN 0/0PV/G).

51 Proces-verbaal van verhoor verdachte [C], pagina 307 (dossier: BIJLAGE VERDACHTE(N) VERHOREN 0/0PV/V).

52 Proces-verbaal van verhoor getuige [D], pagina 242 (dossier: BIJLAGE GETUIGE(N) VERHOREN 0/0PV/G).

53 Proces-verbaal van verhoor van [D], op 5 juni 2012 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier, onder punt 25 van dit verhoor.

54 Proces-verbaal van verhoor verdachte [B], pagina 323 (dossier: BIJLAGE VERDACHTE(N) VERHOREN 0/0PV/V).