Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX2854

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
27-07-2012
Zaaknummer
AWB 11/5116 ABP
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bestuursrecht/militair ambtenarenrecht

bodemprocedure

Bij eiser is sprake van PTSS, waarvoor oorzakelijk dienstverband aanwezig wordt geacht.

Aan eiser is met ingang van 27 augustus 2006 een militair invaliditeitspensioen toegekend, berekend naar een mate van invaliditeit van 15%.

Verweerder pleegt, bij een verzoek gedaan vóór 1 juli 2008, ter zake van vaststelling van de mate van invaliditeit als gevolg van PTSS een militair invaliditeitspensioen, de benaderingswijze van prof. dr. M. Kuilman, psychiater, in combinatie met de WPC-schaal te volgen.

Dat in een geval, waarin de mate van invaliditeit mogelijk lager is dan 40%, naast de methode Kuilman en de WPC-schaal aansluiting wordt gezocht bij de AMA-schaal, acht de rechtbank niet ontoelaatbaar.

Eiser was ten tijde hier van belang niet zodanig beperkt dat de mate van invaliditeit met 15% is onderschat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/5116 ABP

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juli 2012 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats],

(gemachtigde: mr. W.B. Knook),

en

de minister van Defensie; Stichting Pensioenfonds ABP; Staf Juridische en Fiscale Zaken Pensioenen, verweerder

(gemachtigde: mr. W.R.C. Adang).

Procesverloop

Eiser heeft bij brief van 16 juni 2011 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 6 mei 2011.

Verweerder heeft de stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 19 maart 2012 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W.B. Knook als zijn raadsman.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1 Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1 Eiser is op 13 juli 1992 opgekomen in werkelijke dienst als dienstplichtige. Van

28 september 1992 tot 29 maart 1993 heeft hij in Sarajevo, in het voormalig Joegoslavië, verbleven in het kader van een uitzending voor UNPROFOR. Op 5 mei 1993 ging eiser met groot verlof. Van 1998 tot 2003 is eiser aangesteld geweest bij het beroepspersoneel voor bepaalde tijd (BBT) bij de Koninklijke Landmacht in de rang van korporaal der eerste klasse. Aan eiser is met ingang van 1 december 2003 eervol ontslag verleend wegens het expireren van zijn tijdelijke aanstelling.

1.2 Bij brief van 23 augustus 2007, ontvangen bij verweerder op 27 augustus 2007, heeft eiser verzocht om toekenning van een militair invaliditeitspensioen. Eiser heeft daarbij aangegeven dat hij vanaf het moment van terugkeer van de uitzending in toenemende mate last heeft van een aanpassingsproblemen en psychische klachten.

1.3 Eiser is onderworpen aan een militair geneeskundig onderzoek (MGO), waarna op

19 mei 2008 door verzekeringsarts S. Woudstra een rapportage is uitgebracht. Hierin is overwogen dat sprake is van een Posttraumatische stress stoornis (PTSS), waarvoor oorzakelijk dienstverband aanwezig wordt geacht. Voorts is sprake van middelenmisbruik, thans in remissie. Met toepassing van de War Pensions Committee (WPC)-schaal is op grond van WPC-nr. 0712 (vergelijkenderwijs WPC-nr. 0704) een mate van invaliditeit van 15% vastgesteld. Aan deze rapportage ligt het rapport van M.J. van Weers, psychiater-psychoanalyticus, (Van Weers) van 6 april 2008 ten grondslag.

1.4 Bij besluit van 4 december 2009 heeft verweerder eiser met ingang van

27 augustus 2006 een militair invaliditeitspensioen toegekend, berekend naar een mate van invaliditeit van 15%.

1.5 Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 8 december 2009 bezwaar gemaakt.

Eiser heeft in bezwaar verwezen naar het rapport van dr. R.V. Schwarz, psychiater, (hierna: Schwarz) van 13 maart 2010 en de ongedateerde, aan Schwarz verstrekte inlichtingen van behandelend psychiater D. Keles van het Psychotraumacentrum Zuid Nederland. Schwarz heeft de invaliditeit met toepassing van de WPC-nrs. 0712 en 0708 gesteld op 40%.

1.6 Bij brief van 17 augustus 2010 heeft (bezwaar)verzekeringsarts M. Levy een nadere reactie ingediend, onder verwijzing naar de rapportage van Van Weers van

10 augustus 2010.

1.7 Bij brief van 4 oktober 2010 heeft eiser verwezen naar de memo van Schwarz van

15 september 2010.

1.8 Eiser is op 19 november 2010 gehoord in het kader van zijn bezwaar.

1.9 Naar aanleiding van hetgeen tijdens de hoorzitting is besproken, heeft eiser bij brief van 1 maart 2011 het besluit van het UWV van 18 januari 2011 overgelegd, waarbij hem met ingang van 15 september 2009 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschikt-heidsverzekering (WAO) is toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Voorts heeft hij een (arbeidspsychologisch) rapport van

drs. R.M.T. Mokveld, psycholoog, van 21 september 2010 overgelegd.

1.10 Bij brief van 26 april 2011 heeft bezwaarverzekeringsarts P. Verkerk een nadere reactie gegeven, onder verwijzing naar de reactie van Van Weers in diens rapportage van

22 april 2011. Van Weers heeft onder meer verwezen naar de rapportage van P.J.H. Notten, psychiater, van 26 augustus 2010.

2 Bij besluit van 6 mei 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Hij meent dat zijn mate van invaliditeit dient te worden vastgesteld op 40%. Eiser heeft daartoe verwezen naar de contra-expertise van Schwarz. Schwarz heeft zich gebaseerd op de benaderingswijze van prof. dr. M. Kuilman en de WPC-schaal. Van Weers heeft de AMA-systematiek gehanteerd en de beperkingen conform de WPC-schaal geschat, zonder daarbij een concreet WPC-nr. aan te geven.

3 Niet in geschil is dat bij eiser met toepassing van de DSM-IV TR classificatie de diagnose chronische PTSS met verlaat begin is gesteld. Verweerder pleegt, bij een verzoek gedaan vóór 1 juli 2008, ter zake van vaststelling van de mate van invaliditeit als gevolg van PTSS een militair invaliditeitspensioen, de benaderingswijze van prof. dr. M. Kuilman, psychiater, (hierna: Kuilman) in combinatie met de WPC-schaal te volgen.

De waardering van de mate van invaliditeit zoals in de WPC-schaal per aandoening is aangegeven, is gebaseerd op een vergelijking van het vermogen tot het volbrengen van de normale levensfuncties van betrokkene met dat vermogen van een niet-invalide persoon. Bij het op eiser van toepassing zijnde WPC-nr. 0712 is vermeld dat het niet mogelijk of raadzaam is gebleken een schaal op te maken waarnaar de invaliditeit vastgesteld kan worden, en dat ieder geval met zijn individuele factoren als afzonderlijk probleem is te beschouwen en daarnaar moet worden beoordeeld.

Bij de methode Kuilman wordt bepaald in hoeverre de stoornis consequenties heeft voor een aantal aspecten van het dagelijks functioneren. In het voorstel van Kuilman over de WPC-schaal op dit punt is vermeld dat bij deze beoordeling een aantal aspecten van het dagelijks functioneren aan de orde komt, te weten:

"1 communicatieve en sociale vaardigheden;

2 kwaliteit en omvang van sociale contacten;

3 de algemene dagelijkse levensverrichtingen;

4 de mate waarin een persoon zich zelfstandig kan handhaven c.q. de mate waarin hijaangewezen is op al dan niet professionele zorg en begeleiding;

5 de mate waarin een persoon voor zijn functioneren afhankelijk is van medicamenten alsook de impact van eventuele bijwerkingen op zijn gedrag;

6 de geografische actieradius;

7 activiteiten in de recreatieve sfeer, door de persoon in kwestie benut om zijn dagen te vullen c.q. de verveling te verdrijven;

8 de kwaliteit en het niveau van het cognitie functioneren;

9 het niveau van stress- en frustratietolerantie. Anders gezegd en meer in het algemeen de weerbaarheid van de persoon in kwestie en zijn vermogen om de dagelijkse teleurstellingen en tegenslagen te incasseren."

Voorts is vermeld:

"De WPC geeft voor de PTSS geen correlatie aan tussen de aard en de ernst van de klachten enerzijds en percentages of percentagetrajecten invaliditeit anderzijds. Meer in het algemeen biedt de WPC in de rubriek van de psychiatrische stoornissen echter wel aanwijzingen voor de wijze waarop de schatting op basis van de beperkingen van de patiënt dient plaats te vinden. We lezen dat een percentage van omstreeks 100% wordt toegekend aan patiënten die een (nagenoeg) volkomen a-sociaal leven leiden, niet of nauwelijks in staat tot verstrooiing c.q. nuttige bezigheden, al dan niet aangewezen op permanente gestichts-verpleging. Een percentage van 50% komt toe aan patiënten bij wie nog enige beperkte sociale omgang mogelijk is en die nog tot 'enige nuttige bezigheden' in staat zijn. 40% wordt toegekend wanneer de stoornissen (nog) een beperkte sociale omgang en activiteit 'toelaten'."

4 In het onderhavige geval betreft het een verschil in waardering van de mate van invaliditeit, gelegen beneden de in de methode Kuilman genoemde 40%, welke door Van Weers op 15% is gesteld en door Schwarz op 40%. Het betreft hier de peildata

27 augustus 2007 en 27 augustus 2006.

5.1 Van Weers heeft in zijn rapport van 6 april 2008 de volgende diagnose gesteld:

As I chronische PTSS met verlaat begin

afhankelijkheid van alcohol in vroege volledige remissie

afhankelijkheid van cannabis deels in vroege remissie

As II persoonlijkheidsproblematiek

As III geen bijzonderheden

As IV werkproblemen, financiële problemen

As V GAF-score 60

Vitale symptomen in het kader van een depressieve stoornis werden niet aangetroffen.

Er is sprake van een oorzakelijk dienstverband voor wat betreft de PTSS, verergerend dienstverband voor wat betreft de middelenafhankelijkheid en geen dienstverband voor wat betreft de persoonlijkheidsproblematiek.

5.2 Schwarz heeft in zijn rapport van 13 maart 2010 de volgende diagnose gesteld:

As I chronische PTSS

depressieve stoornis, eenmalig, zonder psychotische kenmerken

As II geen diagnose

As III geen somatische problematiek

As IV oorlogstrauma

problemen binnen de primaire steungroep

As V GAF-score 50

Schwarz stelt dat er geen aanwijzingen zijn voor een persoonlijkheidsstoornis. Het is hem niet duidelijk waarom Van Weers concludeert dat sprake is van persoonlijkheids-problematiek. Deze categorie bestaat niet in de DSM-IV classificatie en voegt ook niets toe aan de onderhavige beoordeling. Schwarz heeft de in de methode Kuilman genoemde aspecten 1, 2, 3, 7 en 8 als matig beperkt beoordeeld en de aspecten 4, 5, 6 en 9 als ernstig beperkt. Schwarz heeft in zijn rapport van 13 maart 2010 naast WPC-nr. 0712 aansluiting gezocht bij WPC-nr. 0708 en in zijn memo van 15 september 2010 heeft hij tevens aansluiting gezocht bij WPC-nr. 0704.

5.3 Van Weers heeft in zijn nadere rapportage van 10 augustus 2010 vermeld dat Schwarz terecht heeft gesteld dat persoonlijkheidsproblematiek geen bestaande categorie is in de DSM-IV TR classificatie. De persoonlijkheidsproblematiek dan wel -kenmerken houden verband met de gestoord verlopen persoonlijke en emotionele ontwikkeling.

Van Weers merkt op dat Schwarz in zijn informatie vrijwel geen aandacht heeft geschonken aan de levensgeschiedenis van eiser in zijn kinder- en jeugdjaren en de verwikkelingen die zich hierin voordeden.

5.4 Schwarz heeft vervolgens in zijn memo van 15 september 2010, in reactie op de nadere rapportage van Van Weers van 10 augustus 2010, verwezen naar zijn scores bij de in de methode Kuilman genoemde aspecten in relatie tot de door Van Weers gegeven scores. Hij gaat hierbij niet meer in op de persoonlijkheidsproblematiek dan wel -kenmerken.

6.1 De rechtbank overweegt dat de verzekeringsarts S. Woudstra in zijn ongedateerde vraagstelling aan Van Weers bij vraag 7 verzocht om, indien dienstverband aanwezig wordt geacht, de ernst van het toestandsbeeld te waarderen middels het functioneren op micro-, meso- en macroniveau met gebruikmaking van de zogeheten AMA-schaal (American Medical Association). De AMA-schaal is een 5-puntsschaal (van klasse 1- geen beperkingen tot klasse 5 - zeer ernstige beperkingen) gebaseerd op beperkingen in dagelijkse activiteiten, sociaal functioneren, concentratie en aanpassingsvermogen. De rechtbank overweegt dat de methode Kuilman met name een toelichting geeft indien sprake is van een mate van invaliditeit vanaf 40%. Dat in een geval, waarin de mate van invaliditeit mogelijk lager is dan 40%, naast de methode Kuilman en de WPC-schaal aansluiting wordt gezocht bij de AMA-schaal, acht de rechtbank niet ontoelaatbaar. Voor zover is gesteld dat Van Weers geen WPC-nr. heeft genoemd, overweegt de rechtbank dat de verzekeringsarts deze wel heeft vermeld in het geneeskundig gedeelte van het MGO-rapport van 19 mei 2008.

6.2 De rechtbank is van oordeel dat het MGO zorgvuldig is verricht en voldoende grondslag biedt voor het standpunt van verweerder dat de mate van invaliditeit van eiser op de peildata met toepassing van WPC-nr. 0712 (vergelijkenderwijs WPC-nr. 0704) 15% bedraagt. De rechtbank acht in de rapportages van Schwarz, waarin wordt verwezen naar de methode Kuilman betreffende de toepassing van de WPC-schaal in de psychiatrie, niet een visie aanwezig die overtuigend wijst op een hoger invaliditeitspercentage.

Gelet op de anamnese bij het MGO, inclusief de anamnese bij het onderzoek van

Van Weers, blijkt dat eiser van februari 2006 tot in februari 2008 werkzaam is geweest, dat hij de ADL-verrichtingen zelf kan verrichten, zelf boodschappen doet en gaat winkelen op een rustig tijdstip omdat hij drukte zoveel mogelijk wil vermijden, als liefhebberij computert, vaker gaat fietsen en wandelen met zijn hond, veel en graag leest, tv kijkt, een beperkt aantal kennissen en vrienden heeft waarmee hij actief contact onderhoudt en af en toe naar een café of een koffieshop gaat. Eiser maakt voor woon-werkverkeer gebruik van zijn auto. Reizen met de bus of de trein gaat moeilijk, hij zit niet graag bij vreemden of groepen. Hij gebruikt joints alleen af en toe, om zijn gedachten weg te drukken. Eerst vanaf januari 2008 is eiser onder behandeling bij het Psychotrauma Centrum Zuid Nederland te

's-Hertogenbosch. Van medicijngebruik was ten tijde hier van belang geen sprake.

Uit het voorgaande volgt dat eiser ten tijde hier van belang niet zodanig beperkt was dat de mate van invaliditeit met 15% is onderschat. Hieraan kan niet afdoen dat ten aanzien van eiser per 15 september 2009 in het kader van de WAO een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% is vastgesteld. Dit betreft een latere (peil)datum en een ander beoordelingskader.

De rechtbank overweegt ten slotte dat eiser, indien hij meent dat zijn mate van invaliditeit na de peildata is toegenomen, een verzoek om verhoging van de mate van invaliditeit kan indienen.

7 Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

8 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. Steinhauser, rechter, in aanwezigheid van

J. Dijkhuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.