Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX2853

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
27-07-2012
Zaaknummer
AWB 11/6120
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

1(F) / Somalië / personal participation / overmacht / dwang / bevoegd gegeven (ambtelijk) bevel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/6120

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juli 2012 in de zaak tussen

[eiser]

(gemachtigde: mr. M.J. van Basten Batenburg),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder

(gemachtigde: mr. A.M. de Wit).

Procesverloop

Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [datum] 1975 en de Somalische nationaliteit te bezitten. Op 5 december 2008 heeft hij een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Verweerder heeft op 7 juni 2010 eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Eiser heeft zijn zienswijze op deze mededeling schriftelijk naar voren gebracht. Bij besluit van 1 februari 2011 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen.

Bij schrijven van 21 februari 2011 heeft eiser tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft partijen uitgenodigd voor de openbare behandeling van het beroep op

15 december 2011. Naar aanleiding van een verzoek van de gemachtigde van eiser, heeft de rechtbank de behandeling van het beroep verdaagd. Vervolgens zijn partijen uitgenodigd voor de behandeling van het beroep ter zitting op 18 april 2012. Aangezien ter zitting bleek dat verweerder niet op de hoogte was van de zitting en om die reden niet op zitting aanwezig was, is het beroep in overleg met eiser opnieuw verdaagd. Voorts heeft de openbare behandeling van het beroep plaatsgevonden op 8 juni 2012. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting A. Abdi, tolk in de Somalische taal, aanwezig.

Overwegingen

1 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag - voor zover van belang en samengevat - het navolgende aangevoerd. Eiser behoort tot een stam Abgal die bestaat uit vier substammen. De substam waartoe eiser behoort is de kleinste substam en heet Wasuge Mohamed. In 2000 is eisers broer vermoord door [A], een lid uit de substam Soman Mohamed. Eiser moest daarna dit lid vermoorden omdat dat gedaan dient te worden door iemand die dichtbij degene staat die is vermoord. De substammen begonnen daarna tegen elkaar te vechten. Daarbij zijn eisers oom, neef en zwager vermoord. In 2005 kwam een van de substammen naar Mogadishu, alwaar eiser ook verbleef. Toen eiser niet thuis was, hebben mensen van de substam de kinderen van eiser geslagen en eisers vrouw verwond. Eisers vrouw heeft de leden van de substam meegedeeld dat eiser bij zijn schoonouders verbleef. Hierop vielen de leden van de substam eiser en zijn schoonouders aan. Eiser raakte gewond en zijn schoonouders werden vermoord. In 2007 heeft de substam eiser wederom aangevallen en is eiser opnieuw gewond geraakt. Toen eisers vrouw erachter kwam dat er problemen waren binnen de stam, is zij met eisers kinderen vertrokken. Nadat eiser uit het ziekenhuis is ontslagen, is hij opnieuw ondergedoken en is hij op zoek gegaan naar zijn vrouw en kinderen. In september 2008 heeft hij Somalië verlaten.

2 Verweerder heeft met verwijzing naar artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder k, van dat artikel, de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft het bestreden besluit mede gebaseerd op artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (hierna: het Vluchtelingenverdrag).

3 In beroep heeft eiser het volgende aangevoerd. Gelet op het feit dat het relaas geloofwaardig wordt geacht en een risico op schending als bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) aanwezig wordt geacht, had de aanvraag ingewilligd moeten worden. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat de aanvraag op grond van een onjuiste wettelijke grondslag is afgewezen. Voorts heeft eiser gesteld dat verweerder in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot de conclusie dat eiser gedragingen heeft vertoond welke vallen onder de reikwijdte van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Volgens eiser is zijn beroep op overmacht, psychische dwang, althans op een bevoegd gegeven (ambtelijk) bevel niet dan wel onvoldoende meegewogen in de besluitvorming. Eiser heeft voorts gesteld dat verweerder de feiten in een geheel westers perspectief heeft geplaatst en dat geenszins is komen vast te staan dat de handelingen van eiser naar internationale maatstaven gemeten een schending opleveren van enige nationale of internationale rechtsregel.

4 Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is Onze Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder k en l, van de Vw 2000, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

Ingevolge artikel 1(A) van het Vluchtelingenverdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat de vreemdeling, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

In artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is bepaald dat de bepalingen van het verdrag niet van toepassing zijn op een persoon ten aanzien van wie ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat:

a hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b hij een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

In het ter zake geldend beleid, paragraaf C4/3.11.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), is bepaald dat het aan verweerder is om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag valt. Teneinde te bepalen of betrokkene individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, past hij de "personal and knowing participation test" toe. Beoordeeld wordt of ten aanzien van betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het misdrijf of de betreffende misdrijven ("knowing participation") én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen ("personal participation"). Indien hiervan sprake is kan de betrokkene artikel 1(F) worden tegengeworpen.

Ingevolge artikel 3.107, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt, indien artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in de weg staat, aan die vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning verleend op één van de andere gronden, als bedoeld in artikel 29 van de Vw 2000.

5.1 Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van knowing participation. De rechtbank ziet zich thans voor de vraag gesteld of verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van personal participation van eiser ten aanzien van de gedragingen als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag.

Ingevolge paragraaf C4/3.11.3.3 van de Vc 2000 is sprake van personal participation indien uit verklaringen van betrokkene of uit ontvangen informatie blijkt dat betrokkene het misdrijf als bedoeld in 1(F) van het Vluchtelingenverdrag persoonlijk heeft gepleegd. Niet in geschil is dat eiser [A] (persoonlijk) heeft gedood. Eiser heeft zich echter op het standpunt gesteld dat hij gevrijwaard dient te worden van de verantwoordelijkheid van zijn handeling, omdat sprake was van overmacht en psychische dwang dan wel dat sprake was van een bevoegd gegeven (ambtelijk) bevel.

5.2 Ten aanzien van eisers betoog dat sprake was van overmacht en psychische dwang, overweegt de rechtbank het volgende. Volgens bovengenoemd beleid van verweerder is een vreemdeling niet gevrijwaard van verantwoordelijkheid voor zijn daden indien voor de vreemdeling de mogelijkheid bestond zich te onttrekken aan het begane misdrijf. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich niet aan het begane misdrijf kon onttrekken. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser in het nader gehoor op

18 augustus 2009 heeft verklaard: "Toen zeiden zij tegen mij dat ik hem moest vermoorden. Ik zei dat ik dat niet wilde. Toen hebben we verder gepraat en uiteindelijk heb ik hem vermoord." Daarnaast heeft eiser verklaard: "Er zijn drie mogelijkheden als iemand, iemand vermoord heeft. Ik kan hem vermoorden, ik kan ook om geld of vee vragen. Je kan ook zeggen dat je niks van hem wilt en dat je hem niet gaat vermoorden." Op de vraag op welke wijze eiser is gedwongen en of hij is bedreigd, heeft eiser geantwoord: "Hier hebben jullie een centrale regering. Dat is bij ons niet. Bij ons bepaalt de stam dat. Ze hebben gezegd, besloten dat ik hem moest vermoorden. De mensen die hem opgepakt hebben, daar was de vader van de moordenaar bij. Hij zei ook dat ik hem moest vermoorden." en "Ja, ze hebben tegen mij gezegd dat als ik hem vrij zou laten en hij zou iemand anders vermoorden, ik schuldig zou zijn." Daarnaast heeft eiser verklaard in het aanvullend gehoor op 3 februari 2010 dat hij niet weet welke problemen hij zou hebben gekregen als hij geweigerd zou hebben de handeling te verrichten, maar dat hij wellicht zelf geëxecuteerd zou zijn geworden of uit de clan zou zijn gestoten. Ook heeft eiser verklaard: "Wanneer ik zou hebben geweigerd dan had mijn jongere broer [A] moeten doden." Gelet op deze verklaringen is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij heeft geprobeerd zich aan het begane misdrijf te onttrekken. Dat eiser in eerste instantie heeft gezegd dat hij [A] niet wilde doden, is, met name omdat eiser niet heeft volhard in dit standpunt, onvoldoende voor de conclusie dat eiser vervolgens onder dwang [A] heeft gedood. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser niet kan aangeven wat de gevolgen zouden zijn geweest als hij had geweigerd het misdrijf te plegen, zodat ook niet kan worden geconcludeerd dat eiser vanwege de angst voor de gevolgen van een weigering zich in redelijkheid niet aan het misdrijf heeft kunnen onttrekken.

5.3 Ten aanzien van eisers betoog dat sprake was van een bevoegd gegeven ambtelijk bevel en dat hem om die reden niet aangerekend kan worden dat hij [A] heeft gedood, overweegt de rechtbank het volgende. In het beleid is bepaald dat het uitgangspunt is dat handelen op bevel van een meerdere of in officiële hoedanigheid niet ertoe leidt dat betrokkene daarmee gevrijwaard is van verantwoordelijkheid voor zijn handelingen. Gezien de ernst van een misdrijf in de zin van artikel 1(F) dient het handelen van betrokkene voor zover dat onder artikel 1(F) valt als manifest onwettig te worden beschouwd. Evenwel, binnen de rechtsmacht van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (artikel 33) wordt een persoon niet ontheven van zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid indien hij een misdrijf heeft gepleegd op bevel van een regering of van een meerdere, militair of burger, tenzij de persoon onder meer wettelijk verplicht was bevelen van de desbetreffende regering of meerdere op te volgen. De rechtbank overweegt dat eiser niet (wettelijk) verplicht was bevelen van clanoudsten op te volgen, maar heeft betoogd dat hij vanwege zijn vrees voor mogelijke gevolgen voor hemzelf, dan wel voor zijn broertje, zich genoodzaakt voelde [A] te doden. Gelet op het door verweerder gehanteerde beleid en gelet op artikel 33 van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof wordt eiser, reeds nu eiser niet (wettelijk) verplicht was het bevel van de clanoudsten op te volgen, niet gevrijwaard van de verantwoordelijkheid van zijn handelen. Eisers vergelijking met de personen die in Amerika de doodstraf uitvoeren, slaagt gelet op het voorgaande dan ook niet. Anders dan in het geval van eiser, voert de persoon die de doodstraf uitvoert, een wettelijk gegeven ambtelijk bevel uit.

5.4 Evenmin volgt de rechtbank eiser in zijn betoog dat 'moord pas moord is als het in Somalië moord is'. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de verdragsluitende partijen van het Vluchtelingenverdrag overeen zijn gekomen dat de bepalingen van het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing zijn op personen van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan handelingen als genoemd in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Dat in het land waar de handeling is gepleegd een andere kwalificatie wordt gegeven aan de handeling, zoals eiser heeft gesteld, maakt niet dat de handeling geen handeling is als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag en dat het Vluchtelingenverdrag ten onrechte niet op de vreemdeling van toepassing is geacht.

6 Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat sprake is van personal en knowing participation en dat eiser niet gevrijwaard dient te worden van de verantwoordelijkheid van zijn handeling. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder terecht, onder verwijzing naar artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, heeft gesteld dat het Vluchtelingenverdrag niet op eiser van toepassing is en dat eiser dientengevolge niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Dat verweerder hierbij in het bestreden besluit tevens heeft verwezen naar artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000, terwijl dit artikel in deze situatie niet van toepassing is omdat eiser geen vluchteling is, maakt niet dat het besluit niet op goede gronden is genomen.

7 Nu vaststaat dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan het verlenen van een vergunning tot verblijf op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in de weg staat, is artikel 3.107 van het Vb 2000 van toepassing en komt eiser evenmin in aanmerking voor een vergunning tot verblijf op één van de andere gronden van artikel 29 van de Vw 2000.

8 Verweerder heeft gelet op het voorgaande de aanvraag terecht afgewezen.

9 Het beroep is derhalve ongegrond.

10 De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.C. Dijkstra, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.J.T. van der Maarl-Pruijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

11 juli 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).