Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX2847

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
27-07-2012
Zaaknummer
415920 / HA RK 12-154 Wrakingnummer 2012/17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Schriftelijk verzoek tot wraking voorzitter meervoudige strafkamer. Een opmerking van de voorzitter tijdens de ondervraging van verzoeker kan volgens verzoeker niet anders worden uitgelegd, althans gekwalificeerd, dan als partijdig, althans als woorden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De wrakingskamer heeft de tijdens de zitting gemaakte geluidsopnamen beluisterd. De wrakingskamer is van oordeel dat het wrakingsverzoek naar voren gebracht had moeten worden op het moment dat de discussie over de betreffende opmerking van de voorzitter ontstond. Uit de geluidsopnamen is echter overduidelijk gebleken dat het misverstand tussen de voorzitter en de verdediging uit de wereld was. Het gaat naar het oordeel van de wrakingskamer niet aan dat enige tijd later alsnog een wrakingsverzoek wordt gedaan met - op dat moment - als enige grond de hiervoor bedoelde opmerking. Tijdens de mondelinge behandeling is het wrakingsverzoek weliswaar aangevuld met een tweede grond, maar artikel 513, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat alle feiten of omstandigheden tegelijk moeten worden voorgedragen. Dit leidt tot de conclusie dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek tot wraking. Ten overvloede merkt de wrakingskamer op dat het verzoek tot wraking - zo verzoeker ontvankelijk was in zijn verzoek - zou zijn afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2012/17

rekestnummer: 415920 / HA RK 12-154

parketnummer: 09/754140-08

datum beschikking: 27 maart 2012

BESLISSING

op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 513 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Haaglanden Zoetermeer,

verzoeker,

raadsvrouwen mr. G.E.M. Later en mr. J.I. Echteld,

tegen:

Mr. R. ELKERBOUT,

rechter in de rechtbank 's-Gravenhage.

1. De voorgeschiedenis en het procesverloop

1.1. Na meerdere pro forma zittingen is de strafzaak tegen verzoeker op 23 maart 2012 inhoudelijk behandeld door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank onder voorzitterschap van mr. Elkerbout. De zaak tegen een medeverdachte is (deels) gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld.

1.2. Verzoeker wordt - kort samengevat - verweten dat hij, samen met een ander, tijdens een proefvaart met een zeilboot voor de kust van Brazilië, de op de boot meevarende matroos overboord heeft gewerkt. Voor zover bekend is er van de matroos nadien nooit meer iets vernomen.

1.3. Na het horen van vier deskundigen is op verzoek van de verdediging van verzoeker besloten dat het horen van de twee verdachten buiten elkaars aanwezigheid zou plaatsvinden. De behandeling van de zaak tegen de medeverdachte van verzoeker is daarom na het verhoor van de deskundigen onderbroken. Vervolgens heeft alleen het verhoor van verzoeker plaatsgevonden. Na beëindiging van de ondervraging van verzoeker is hem door de rechtbank medegedeeld dat de behandeling zal worden voortgezet op woensdag 28 maart 2012 om 09.00 uur. Nadat verzoeker de zittingzaal had verlaten om vervoerd te worden naar de penitentiaire inrichting is de strafzaak, na een korte onderbreking, ten aanzien van de medeverdachte hervat. Mr. Echteld kondigde direct na de hervatting aan dat zij mr. Elkerbout wilde wraken. Aangezien de behandeling van de zaak tegen haar cliënt inmiddels was onderbroken heeft mr. Elkerbout haar daartoe niet de gelegenheid gegeven.

1.4. Bij brief van 26 maart 2012 hebben mrs. Later en Echteld namens verzoeker een schriftelijk verzoek tot wraking van mr. Elkerbout ingediend. Mr. Elkerbout heeft op 26 maart 2012 een verweerschrift ingediend.

2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 27 maart 2012 is ter openbare terechtzitting van deze wrakingskamer het wrakingsverzoek behandeld. Verschenen zijn verzoeker, bijgestaan door zijn raadsvrouwen mr. G.E.M. Later en mr. J.I. Echteld, mr. R. Elkerbout en de officier van justitie mr. E.M.A.F. Vos. Het wrakingsverzoek is aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen toegelicht door mrs. Later en Echteld. Mr. Elkerbout heeft zijn verweer toegelicht.

3. Het standpunt van verzoeker

3.1. Verzoeker voert ter onderbouwing van zijn verzoek aan dat hij tijdens de ondervraging op 23 maart 2012 op enig moment heeft verklaard "ik wenste hem niet dood". Hierop reageerde mr. Elkerbout met de opmerking "Je kan iemand niet dood wensen die toch doodgaat". Deze woorden van mr. Elkerbout kunnen volgens verzoeker niet anders worden uitgelegd, althans gekwalificeerd, dan als partijdig, althans als woorden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.2. Ter zitting is het wrakingsverzoek aangevuld. Mrs. Later en Echteld hebben aangevoerd dat de wijze van ondervraging door mr. Elkerbout intimiderend was.

4. Het standpunt van mr. Elkerbout

Mr. Elkerbout berust niet in de wraking. In zijn verweerschrift heeft hij een aantal passages van hetgeen ter zitting van 23 maart 2012 is gezegd op basis van tijdens die zitting gemaakte geluidsopnamen letterlijk weergegeven. Mr. Elkerbout heeft tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek verklaard dat de opname door de griffier is uitgewerkt en dat hij die opname niet zelf heeft gehoord. Hij concludeert dat uit de gewraakte zinsnede niet kan worden afgeleid dat hij het verweer van verzoeker dat de matroos levend de kust heeft bereikt op voorhand zou hebben verworpen. Hij voert aan verzoeker ter zitting kritisch te hebben ondervraagd zonder daarbij ook maar de geringste schijn te wekken dat hij de stelling van de verdediging zou hebben verworpen. Hij heeft verzoeker slechts voorgehouden dat een mogelijk gevolg van het handelen van hem en/of zijn medeverdachte kan zijn geweest dat de matroos is overleden, ook als hij die matroos niet heeft doodgewenst. Hij bedoelde hiermee te zeggen dat ook iemand die niet wordt doodgewenst kan komen te overlijden. Mocht zijn opmerking tot misverstand aanleiding hebben gegeven, dan is hij van oordeel dat dit misverstand ter zitting reeds uit de wereld is geholpen. De bewuste opmerking kan daarom niet later alsnog ten grondslag worden gelegd aan een verzoek tot wraking, aldus mr. Elkerbout.

5. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie voert aan dat de gewraakte opmerking van mr. Elkerbout gezien moet worden in de context van de gehele behandeling. Aldus bezien blijkt niet dat de bewuste opmerking een uiting is van een mening of opvatting van mr. Elkerbout.

6. De beoordeling

6.1. De wrakingskamer merkt op dat zij de in het verweerschrift van mr. Elkerbout uitgewerkte geluidsopnamen heeft beluisterd. Daarbij is het volgende gebleken. Na ongeveer anderhalf uur verklaart verzoeker dat hij altijd wel gedacht heeft dat de matroos de kust heeft bereikt. Op de vraag van mr. Elkerbout waarom hij daar al drie jaar van uitgegaan is, antwoordt verzoeker dat hij hem (de matroos) nooit heeft dood gewenst. Mr. Elkerbout merkt vervolgens op: "Ja, je kan iemand niet doodwensen die toch doodgaat toch?". Naar aanleiding van die opmerking verklaart mr. Echteld: "Meneer de voorzitter, ik hoor u een opmerking maken die ik niet helemaal kan plaatsen". Na verloop van ongeveer twintig minuten komt mr. Echteld op haar opmerking terug. Nadat de voorzitter heeft uitgelegd wat hij met zijn opmerking heeft bedoeld, verklaart mr. Echteld: "Ik ben blij dat u dat nog even verduidelijkt". De voorzitter spreekt de hoop uit dat het hiermee is rechtgezet, waarna mr. Echteld antwoordt met: "Dank u wel".

6.2. De wrakingskamer is van oordeel dat het wrakingsverzoek naar voren gebracht had moeten worden op het moment dat de discussie over de betreffende opmerking van mr. Elkerbout ontstond. Uit de geluidsopnamen is echter overduidelijk gebleken dat het misverstand tussen mr. Elkerbout en de verdediging uit de wereld was. Het gaat naar het oordeel van de wrakingskamer niet aan dat enige tijd later alsnog een wrakingsverzoek wordt gedaan met - op dat moment - als enige grond de hiervoor bedoelde opmerking van mr. Elkerbout. Tijdens de mondelinge behandeling is het wrakingsverzoek weliswaar aangevuld met een tweede grond, maar artikel 513, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat alle feiten of omstandigheden tegelijk moeten worden voorgedragen. Dit leidt tot de conclusie dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek tot wraking.

6.3. Ten overvloede merkt de wrakingskamer op dat het verzoek tot wraking - zo verzoeker ontvankelijk was in zijn verzoek - zou zijn afgewezen. Zij overweegt daartoe als volgt. In een wrakingsprocedure dient beslist te worden of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Daarbij dient onderscheid gemaakt te worden tussen subjectieve en objectieve onpartijdigheid. De subjectieve onpartijdigheid heeft betrekking op de persoonlijke instelling van de rechter: een gebleken persoonlijke overtuiging en/of een zodanig gedrag van een rechter, dat door verzoeker de conclusie moet worden getrokken dat de rechter partijdig is. Hier geldt als criterium dat een rechter op grond van zijn aanstelling als zodanig moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel of de vrees dat een rechter ten opzichte van een rechtzoekende vooringenomen is. Die vrees voor subjectieve partijdigheid van de rechter moet dan wel objectief gerechtvaardigd zijn. Bij de toets aan objectieve partijdigheid gaat het om feiten of omstandigheden die, ongeacht de persoonlijke instelling van de rechter, grond geven te vrezen dat een rechter partijdig is. Hierbij is ook de schijn van partijdigheid van belang. De verzoeker hoeft niet te bewijzen dat die feiten of omstandigheden daadwerkelijk tot vooringenomenheid hebben geleid: 'legitimate doubt' kan voldoende zijn. Dit houdt in dat de feiten of omstandigheden waarop de verzoeker zich beroept aannemelijk moeten zijn geworden; zij moeten zwaarwegende redenen opleveren voor de (objectiveerbare) twijfel aan de onpartijdigheid van de rechter.

6.4. De beluisterde geluidsopnamen geven de wrakingskamer geen enkele aanleiding te concluderen dat bij de wijze van ondervraging de grenzen van de wet, in het bijzonder artikel 271 van het Wetboek van Strafvordering, zouden zijn overschreden. Er is sprake van een gesprek waarin de voorzitter en verzoeker rustig op elkaar reageren. Voorts merkt de wrakingskamer op dat het tot de taak van de strafrechter behoort om op basis van de processtukken en hetgeen op de zitting is behandeld kritische vragen te stellen over relevante feiten en omstandigheden. In de wijze van vraagstelling komt de rechter een grote mate van vrijheid toe. De bewuste opmerking van mr. Elkerbout dient gezien te worden in de context van de gehele ondervraging waarbij met name de hoofdvraag of de matroos al dan niet de kust heeft bereikt beantwoord dient te worden. De wijze waarop mr. Elkerbout de verzoeker heeft ondervraagd biedt geen enkel aanknopingspunt om daaruit een reeds door hem ingenomen standpunt met betrekking tot die hoofdvraag af te leiden.

7. De beslissing

De wrakingskamer:

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk is zijn verzoek tot wraking;

- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:

- de verzoeker p/a zijn raadsvouwe mr. Later;

- mr. Elkerbout;

- de officier van justitie.

Aldus beslist in raadkamer door mrs. E. Rabbie, F.J. Verbeek en K.M. Braun, in tegenwoordigheid van J. Kriense Lokker als griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2012.