Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX2823

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-03-2012
Datum publicatie
26-07-2012
Zaaknummer
411900 / HA RK 12/37
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Schriftelijk verzoek tot wraking. Het verzoek tot wraking is in de kern gestoeld op beslissingen die dienen te worden aangemerkt als processuele beslissingen. Uitgangspunt is dat processuele beslissingen geen grond vormen voor wraking. Alleen indien die beslissingen dermate onbegrijpelijk zijn dat deze een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechters jegens verzoeker een vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees voor een

dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. Dat nu is hier niet het geval. De onderhavige processuele beslissingen, zo deze al onjuist moeten worden geacht, lenen zich niet

voor een oordeel door de wrakingskamer en kunnen slechts in appel worden getoetst. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2012/6

rekestnummer: 411900 / HA RK 12/37

parketnummers: 09/650013-11 en 09/650017-11

datum beslissing: 12 maart 2012

BESLISSING

op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 513 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

raadsman: mr. M.M.H. Zuketto, advocaat te Maastricht,

strekkende tot wraking van:

1) mr. A.H.T. de Boer,

2) mr. M.C. Bruining en

3) mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel

rechters in de rechtbank te 's-Gravenhage, sector strafrecht,

hierna gezamenlijk te noemen: de meervoudige strafkamer,

belanghebbende: de officier van justitie van het Arrondissementsparket 's-Gravenhage.

1 De voorgeschiedenis en het procesverloop

Verzoeker is gedagvaard in het kader van het zogenaamde Kiekendief-onderzoek. De meervoudige strafkamer heeft tijdens de zitting van 8 december 2011 het onderzoek van de zaak geschorst.

Het onderzoek is in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing hervat ter zitting van de meervoudige strafkamer van 20 december 2011. Verzoeker en zijn advocaat zijn niet verschenen. In het proces-verbaal van de zitting van 20 december 2011 is - thans zakelijk weergegeven - vermeld dat deze zaak samenhangt met eerder bij deze rechtbank tegen verzoeker en andere (mede)verdachten gevoerde strafprocedures. Verzoeker is eerder in voormeld feitencomplex onder parketnummer 09/754083-06 gedagvaard. Uiteindelijk zijn negen feiten in de tenlastelegging opgenomen. Op 19 november 2010 heeft de rechtbank drie vonnissen gewezen, te weten:

a) een vonnis waarbij een (eind-)uitspraak is gegeven op een aantal feiten;

b) een vonnis waarbij ten aanzien van feit 9 het onderzoek is heropend en geschorst; en

c) een vonnis waarbij ten aanzien van feit 4A de dagvaarding nietig is verklaard.

Het genoemde feit genummerd 9 is ter (verdere) behandeling aangebracht tegen de hiervoor vermelde zitting van de rechtbank van 8 december 2011 via een oproeping van verzoeker (thans parketnummer 09/650017-11).

Verzoeker is vanwege de nietigverklaring van de dagvaarding ter zake van het genoemde feit genummerd 4A opnieuw gedagvaard (thans parketnummer 09/650013-11).

In voornoemd proces-verbaal is voorts het volgende opgenomen:

"9. Wat betreft het feit c.q. de verdenking van witwassen kan weliswaar strikt formeel gesteld worden dat met het opnieuw dagvaarden voor het witwassen sprake is van een "nieuwe zaak", doch de rechtbank is van oordeel dat, nu de oorspronkelijke dagvaarding blijkens de door de rechtbank gegeven motivering na behandeling van de zaak ter terechtzitting op dit punt nietig is verklaard uitsluitend vanwege een formeel juridisch-technische misslag, er materieel bezien sprake is van een voortgezette behandeling. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door de rechtbank in de zaak met parketnummer 09/754083-06 bij tussenbeslissingen en bij voornoemde vonnissen omtrent onder meer verzoeken en verweren (zoals de opgeworpen niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie) van de verdachte c.q. de verdediging gedane uitspraken in beginsel in stand dienen te blijven ook voor zover die betrekking hebben op het onder dat parketnummer behandelde feit 4A wat betreft het witwassen.

10. De rechtbank verwerpt aldus het standpunt van de verdediging dat in de thans onder parketnummer 09/650013-11 aangebrachte zaak betreffende het witwassen aan alle eerdere onder parketnummer 09/754083-06 door de rechtbank gegeven beslissingen en uitspraken zonder meer geen gelding meer toekomt."

Uit voornoemd proces-verbaal blijkt ten slotte dat de meervoudige strafkamer een beslissing heeft genomen op de in de brief van 25 november 2011 en ter terechtzitting van 8 december 2011 door de raadsman van verzoeker gedane verzoeken, in verband waarmee het onderzoek voor onbepaalde tijd is geschorst.

Bij brief van 12 januari 2012 heeft verzoeker de meervoudige strafkamer gewraakt.

2 De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Het wrakingsverzoek is op 27 februari 2012 ter openbare terechtzitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn raadsman. Het wrakingsverzoek is ter zitting door de raadsman van verzoeker toegelicht.

De meervoudige strafkamer is niet verschenen. Bij brief van 30 januari 2012 heeft de meervoudige strafkamer te kennen gegeven niet in de wraking te berusten en het standpunt met betrekking tot het wrakingsverzoek kenbaar gemaakt.

Belanghebbende is niet verschenen. Bij brief van 27 februari 2012 heeft belanghebbende eveneens een reactie gegeven op het wrakingsverzoek.

3 Het standpunt van verzoeker

Verzoeker meent dat uit de genomen beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende motivering zwaarwegende aanwijzingen volgen voor het oordeel dat de meervoudige strafkamer jegens hem een vooringenomenheid koestert, althans bij verzoeker de, objectief gerechtvaardigde, vrees daartoe bestaat. Meer concreet volgen die zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid met name uit de onder 9. en 10. in het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 december 2011 geformuleerde opvatting van de rechtbank. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de rechtbank een onoorbaar voorschot neemt op beslissingen. Dit volgt uit het onjuiste standpunt dat de, door een andere samenstelling van de rechtbank, na afsplitsing, ten aanzien van andere feiten, genomen beslissingen, zonder enige belemmering geldingskracht zouden hebben in de zaken met betrekking tot het witwasfeit en de criminele organisatie. Nietigheid van de dagvaarding is een eindbeslissing.

Een strafzaak vangt bij een (eventuele nieuwe) dagvaarding opnieuw aan. Strafvordering kent geen figuur van voortgezette behandeling in dit soort situaties. Dit geldt evenzeer voor een feit ten aanzien waarvan de rechtbank in andere samenstelling na afsplitsing de heropening van het onderzoek ter terechtzitting heeft bevolen. Daaruit volgt al dat het onderzoek ter terechtzitting niet volledig is geweest. Het standpunt van de rechtbank dat eerder genomen beslissingen als bedoeld in artikel 322, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in stand blijven is op zichzelf genomen wel juist.

De rechtbank heeft echter nooit op preliminaire verweren beslist. Op de verweren die bij pleidooi zijn gevoerd, ten aanzien van dit feit, zijn formeel nimmer beslissingen genomen.

4 Het standpunt van de meervoudige strafkamer

De meervoudige strafkamer stelt zich op het standpunt dat verzoeker in zijn wrakingsverzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het proces-verbaal van de zitting van 20 december 2011 is op dezelfde datum om 13.50 uur per faxbericht aan de raadsman van verzoeker gezonden. Nu eerst bij brief van 12 januari 2012 een verzoek tot wraking is gedaan, is niet voldaan aan het vereiste dat het verzoek moet worden gedaan 'zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden'. Indien het wrakingsverzoek ontvankelijk wordt geacht, stelt de meervoudige strafkamer zich op het standpunt dat de gronden van verzoeker zich richten tegen juridische- en procesrechtelijke onderwerpen en dat deze niet langs de weg van een wraking inhoudelijk dienen te worden getoetst. Uit de beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende motivering, zoals opgenomen in het proces-verbaal van de zitting van 20 december 2011, blijkt geenszins van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het wrakingsverzoek dient dan ook te worden afgewezen.

5 Het standpunt van belanghebbende

Belanghebbende stelt zich eveneens op het standpunt dat het wrakingsverzoek te laat is ingediend. Het is belanghebbende voorts niet duidelijk hoe uit de uitlatingen en beslissingen van de meervoudige strafkamer vooringenomenheid (jegens verzoeker) kan blijken.

6 De beoordeling

6.1 Aan de orde is in de eerste plaats de vraag of het wrakingsverzoek tijdig is gedaan. De wrakingskamer is van oordeel dat dit het geval is. Artikel 513, eerste lid, Sv schrijft voor dat een verzoek tot wraking wordt gedaan zodra de relevante feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.

Blijkens de toelichting die de raadsman van verzoeker ter zitting van de wrakingskamer heeft gegeven heeft hij het proces-verbaal van de zitting van 20 december 2011 op 21 december 2011 gelezen en is dit proces-verbaal per post aan verzoeker doorgezonden. In verband met vakantie van de raadsman, heeft bespreking van voornoemd proces-verbaal met verzoeker eerst op 11 januari 2012 kunnen plaatsvinden. Op 12 januari 2012 is het wrakingsverzoek ingediend. De raadsman stelt zich op het standpunt dat hij het wrakingsverzoek, gelet op de complexiteit van de zaak en de omstandigheid dat het hierdoor niet mogelijk was om een kantoorgenoot op korte termijn te laten inlezen in het dossier, niet eerder heeft kunnen indienen.

De wrakingskamer is, gelet op de door verzoeker naar voren gebrachte omstandigheden, van oordeel dat het wrakingsverzoek ontvankelijk moet worden geacht. De wrakingskamer komt derhalve toe aan een inhoudelijke beoordeling van het wrakingsverzoek.

6.2.1 Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

6.2.2 Het verzoek tot wraking van de meervoudige strafkamer is in de kern gestoeld op de beslissingen van de meervoudige strafkamer als verwoord in het proces-verbaal van de zitting van 20 december 2011. De wrakingskamer overweegt dat deze beslissingen dienen te worden aangemerkt als processuele beslissingen.

Uitgangspunt is dat processuele beslissingen geen grond vormen voor een wraking van de rechters die de beslissingen hebben gegeven. Alleen indien die beslissingen dermate onbegrijpelijk zijn dat deze een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechters jegens verzoeker een vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. Dat nu is hier niet het geval.

De onderhavige processuele beslissingen, zo deze al onjuist moeten worden geacht, lenen zich niet voor een oordeel door de wrakingskamer en kunnen slechts in appel worden getoetst.

De door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder 3. weergegeven geven derhalve geen grond te vrezen dat het de rechters van deze meervoudige strafkamer aan onpartijdigheid ontbreekt noch is ten aanzien van hen de schijn van partijdigheid gewekt.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

7 De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 515, derde lid, Sv wordt toegezonden aan:

• de verzoeker p/a zijn raadsman;

• belanghebbende;

• de meervoudige strafkamer.

Aldus beslist in raadkamer door mr. L. Alwin, voorzitter, mr. G.P. van Ham en mr. S.J. Hoekstra-van Vliet, rechters, in tegenwoordigheid van A.J. Faasse-van Rossum als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2012.