Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX2800

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-03-2012
Datum publicatie
26-07-2012
Zaaknummer
411865 HA RK 12-36 Wrakingnummer 2012/5
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Mondeling verzoek tot wraking. Verzoeker heeft gesteld dat het risico van een subjectieve en partijdige beoordeling van zijn zaak door de bestuursrechter groot is vanwege zijn ervaringen met deze rechter bij de behandeling van een eerdere zaak. Verzoeker vreest daarom dat de uitspraak voor hem negatief zal uitvallen. Aangezien dit niet met feiten of omstandigheden is onderbouwd, levert deze stelling geen grond voor wraking op. Voor zover verzoeker stelt dat een rechter vanwege het risico van partijdigheid of de schijn van partijdigheid nooit twee zaken van dezelfde rechtzoekende zou mogen behandelen, levert dat evenmin een grond voor wraking op. Een rechter is een professional van wie verwacht mag worden dat hij iedere afzonderlijke zaak op zijn merites beoordeelt. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2012/5

rekestnummer: 411865 HA RK 12-36

zaaknummer: AWB 11/1282 BESLU

datum beschikking: 12 maart 2012

BESLISSING

op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht, in de zaak van:

[verzoeker]

wonende [adres],

verzoeker,

tegen

Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen

gevestigd te Zoetermeer,

gemachtigden mr. drs. F.M. Schuit en mr. P. Boudeling.

strekkende tot wraking van:

mr. D. Biever,

rechter in de rechtbank te 's-Gravenhage, sector bestuursrecht,

hierna te noemen: de bestuursrechter.

1. De voorgeschiedenis en het procesverloop.

1.1 De Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen (hierna: de Stichting) heeft bij haar besluit van 31 mei 2010 beslist dat verzoeker niet in aanmerking komt voor kwijtschelding van de restantschuld uit hypotheek die na de gedwongen verkoop van zijn woning is ontstaan. Tegen dat besluit heeft verzoeker een bezwaarschrift ingediend bij de Stichting, welk bezwaarschrift bij besluit van 30 december 2010 ongegrond is verklaard. Tegen laatstgenoemd besluit heeft verzoeker een beroepschrift ingediend, dat op 3 februari 2011 ter griffie van de rechtbank is ontvangen.

1.2 Op 18 januari 2012 stond op de zitting van de bestuursrechter de behandeling van twee zaken van verzoeker gepland. De eerste zaak betrof een andere beroepschriftprocedure waarin verzoeker de eisende partij is. Bij aanvang van de behandeling van het beroepschrift in de onderhavige procedure (de tweede zaak) heeft verzoeker de bestuursrechter gewraakt.

2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek.

Op 27 februari 2012 is ter openbare terechtzitting het wrakingsverzoek behandeld.

Verzoeker is niet verschenen. De bestuursrechter heeft in zijn schriftelijk standpunt betreffende het wrakingsverzoek, gedateerd 23 februari 2012, de wrakingskamer medegedeeld niet op de terechtzitting te zullen verschijnen. Verzoeker heeft via een op 24 februari 2012 aan de griffie van de rechtbank verzonden e-mailbericht gereageerd op het standpunt van de bestuursrechter. Namens de Stichting is mr. drs. F.M. Schuit verschenen, die ten aanzien van het wrakingsverzoek geen standpunt heeft ingenomen.

3. Het standpunt van verzoeker.

Verzoeker heeft de wraking van de bestuursrechter verzocht, omdat hij bij de behandeling van de eerste zaak de indruk kreeg dat de bestuursrechter subjectief is. Door nu dezelfde rechter twee zaken van verzoeker te laten behandelen wordt volgens verzoeker het risico van 'persoonlijke vermenging' en daarmee het risico van een partijdige beoordeling door de rechter vergroot. Verzoeker stelt voorts in zijn reactie van 24 februari 2012 op het standpunt van de bestuursrechter dat het risico van partijdigheid of de schijn daarvan standaard wordt verminderd als de behandeling van zaken over rechters wordt verspreid.

4. Het standpunt van de bestuursrechter.

De bestuursrechter stelt dat het wrakingsverzoek ongegrond is, nu verzoeker op de zitting van 18 januari 2012 te kennen heeft gegeven dat zijn ervaring bij de behandeling van de eerste zaak bij hem twijfel heeft opgeroepen of de bestuursrechter de tweede zaak op objectieve wijze zou kunnen behandelen doch zonder daarbij te verwijzen naar een concrete uitlating of handeling van de bestuursrechter. Daardoor is het volgens de bestuursrechter voor hem niet mogelijk om een concreet verweer daarop te formuleren.

5. De beoordeling.

5.1 Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.2 Verzoeker heeft gesteld dat het risico van een subjectieve en partijdige beoordeling van zijn zaak door de bestuursrechter groot is vanwege zijn ervaringen met deze rechter bij de behandeling van een eerdere zaak. Verzoeker vreest daarom dat de uitspraak voor hem negatief zal uitvallen. Aangezien dit niet met feiten of omstandigheden is onderbouwd, levert deze stelling geen grond voor wraking op.

5.3 Voor zover verzoeker stelt dat een rechter vanwege het risico van partijdigheid of de schijn van partijdigheid nooit twee zaken van dezelfde rechtzoekende zou mogen behandelen, levert dat evenmin een grond voor wraking op. Een rechter is een professional van wie verwacht mag worden dat hij iedere afzonderlijke zaak op zijn merites beoordeelt.

5.4 Nu het door verzoeker aangevoerde het wrakingsverzoek niet kan dragen en zich naar het oordeel van de rechtbank overigens geen omstandigheden hebben voorgedaan die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor vooringenomenheid van mr. Biever dan wel voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bij verzoeker, dient het verzoek te worden afgewezen.

5.5 Derhalve zal als volgt worden beslist.

6. De beslissing.

De wrakingskamer:

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:

• de verzoeker;

• de verweerster in de hoofdzaak via haar gemachtigde mr. drs. F.M. Schuit;

• de bestuursrechter mr. D. Biever;

Deze beslissing is gegeven door mrs E. Rabbie, G.P. van der Ham en S.J. Hoekstra-van Vliet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Gest als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2012.