Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX2769

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-07-2012
Datum publicatie
26-07-2012
Zaaknummer
AWB 10-39728 en AWB 10-39730
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:1611, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft verblijfsrecht. Eiseres heeft sinds 1999 een relatie met de levenslang gestrafte man. Ze bezochten elkaar in de gevangenis en kliniek waar de man verblijft. In 2004 werd hun kind geboren. Omdat de man de Nederlandse nationaliteit heeft, heeft het kind deze ook. De vrouw zorgt voor het kind en woont bij familie in Nederland. De vrouw en het kind zien de man regelmatig in de kliniek waar de man momenteel verblijft. De rechter oordeelt dat het weigeren van een verblijfsrecht aan de moeder in strijd is met de Europese regelgeving. Aangezien het kind een burger van de Europese Unie is, heeft hij het recht om in de Europese Unie te wonen. Dit is één van de belangrijkste rechten van burgers van de Europese Unie. Als de moeder geen verblijfsrecht zou krijgen, wordt het kind feitelijk gedwongen om samen met zijn moeder de Europese Unie te verlaten. De vader kan vanwege zijn levenslange gevangenisstraf niet voor het kind zorgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Utrecht

Sector bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

zaaknummers: AWB 10/39728 en AWB 10/39730

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiseres], geboren op [1963], van Turkse nationaliteit, eiseres/verzoekster

gemachtigde: mr. D. Schaap, advocaat te Rotterdam,

en

de minister voor Immigratie en Asiel, thans de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde: mr T. Boekholt.

Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen zijn besluit van 29 april 2010 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 8 maart 2010 om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de zin van artikel 14 van de Vreemdelingenwet (hierna: de Vw), met als doel “uitoefenen gezinsleven conform artikel 8 EVRM” te verlenen afgewezen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Ter zitting van 8 maart 2011 heeft verweerder de rechtbank verzocht hem in de gelegenheid te stellen om een aanvullende motivering op het bestreden besluit te geven. Daarop heeft de rechtbank de behandeling van de zaak geschorst en bepaald dat verweerder binnen drie maanden een aanvullende motivering op het bestreden besluit dient uit te brengen.

Op 14 juni 2011 heeft verweerder een nieuw besluit genomen, waarbij het bezwaar van eiseres wederom ongegrond is verklaard. Daarbij heeft verweerder vermeld dat het besluit van

14 juni 2011 het bestreden besluit van 8 november 2010 vervangt.

Bij brief van 8 juli 2011 heeft eiseres een reactie op het besluit van 14 juni 2011 gegeven.

Verweerder heeft bij schrijven van 26 juli 2011 gereageerd op het standpunt van eiseres.

Bij brief van 2 augustus 2011 heeft verweerder toestemming verleend om een nadere zitting achterwege te laten. Eiseres heeft bij brief van 12 augustus 2011 meegedeeld deze toestemming niet te verlenen. Daarop heeft de rechtbank een nieuwe zittingsdatum bepaald.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2011. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is - naar eigen zeggen in 1995- zonder een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) Nederland binnengekomen. Eiseres heeft sinds 1999 een relatie met de heer [X] (referent). Referent is in 1984 in Nederland tot een levenslange gevangenisstraf veroordeeld. De relatie is tijdens de strafrechtelijke detentie ontstaan. Vanaf 31 augustus 2001 verblijft referent in de [A]kliniek te Utrecht. In 2004 is uit deze relatie een zoon ([Y]) geboren. Referent en [Y] hebben beiden de Nederlandse nationaliteit. Op 16 juli 2007 zijn eiseres en referent in Utrecht gehuwd. Referent deelt het ouderlijke gezag en geeft invulling aan het gezinsleven door middel van een maandelijkse financiële bijdrage van € 300,00. [Y] geniet daarnaast een bijstandsuitkering. Eiseres en [Y] verblijven bij de broer van eiseres in [woonplaats] die hen ook financieel onderhoudt. Verder zien zij referent gemiddeld vier dagen in de twee weken in een flat op het terrein van de [A]kliniek.

2. Het bestreden besluit gaat over de weigering aan eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “uitoefenen van gezinsleven conform artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden” (EVRM) te verlenen. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat zij niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en er geen aanleiding bestaat haar van dit vereiste vrij te stellen.

3. Eiseres heeft ter zitting van 1 november 2011 in aanvulling op de beroepsgronden van 8 juli 2011, aangevoerd dat het handhaven van het mvv-vereiste in strijd is met het Unierecht. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) van

8 maart 2011, C-34/09, Ruiz Zambrano (Zambrano) (LJN: BP9130) heeft zij gesteld dat [Y] als burger van de Unie, bij een gedwongen vertrek van eiseres naar Turkije, feitelijk wordt verplicht het grondgebied van de Europese Unie (Unie) te verlaten, waardoor sprake is van strijd met artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en [Y] het effectieve genot van het recht op gezinsleven met beide ouders wordt ontzegd. Eiseres acht het disproportioneel wanneer zij naar Turkije dient terug te keren en [Y] in Nederland achterblijft, waardoor sprake is van schending van het gezinsleven. In dit kader heeft eiseres tevens aangevoerd dat in het Nederlandse vreemdelingenrecht een andere waarde wordt toegekend aan de feitelijke omgang tussen ouders en kinderen dan in het familierecht zodat sprake is van strijd met het consistentiebeginsel.

4. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat in het geval van eiseres geen sprake is van individuele feiten en omstandigheden die zich in het arrest Zambrano voordeden. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat [Y] nimmer staatloos is geweest en dat hij naast de Nederlandse nationaliteit ook de Turkse nationaliteit bezit.

Referent heeft de Nederlandse nationaliteit, verblijft in Nederland en geniet inkomsten in de gevangenis die hij beschikbaar kan stellen voor de verzorging van [Y], die daarnaast ook een bijstandsuitkering ontvangt. In de brief van 26 juli 2011 heeft verweerder er nog op gewezen dat het feit dat met de Nederlandse ouder niet permanent in gezinsverband kan worden samengeleefd niet tot een ander oordeel leidt. In dit verband verwijst verweerder naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 8 juli 2011 (LJN: BR0795). Daarbij heeft verweerder nog van belang geacht dat de reden dat de Nederlandse ouder niet zelfstandig voor het kind kan zorgen het gevolg is van zijn eigen keuzes en onveranderd blijft, waar het gezinsleven ook wordt uitgeoefend. Indien eiseres naar Turkije terugkeert en [Y] in Nederland achterblijft, is zijn situatie vergelijkbaar met die van kinderen met maar één verzorgende ouder, die bovendien in detentie verblijft, zodat er aanspraak is op hulp van reguliere instanties. Volgens verweerder is het eventuele vertrek van eiseres en [Y] naar Turkije een keuze van haar en referent en niet het noodzakelijke en onvermijdelijke gevolg van het bestreden besluit in combinatie met de detentie van referent. Verder kan, aldus het bestreden besluit, in redelijkheid ook een beroep worden gedaan op de familie van eiseres in [woonplaats], die door inwoning en financiële ondersteuning de thans ontstane situatie mede mogelijk heeft gemaakt. Bij de bewezen gastvrijheid die zij gedurende lange jaren achtereen heeft geboden is niet aannemelijk dat zij zich, in het belang van het welzijn van [Y], geen verdere inspanningen zou willen getroosten en is daarvan ook objectief niet gebleken.

5. In het arrest Zambrano (LJN:BP9130) heeft het HvJ in de overwegingen 42 en 43, voor zover hier van belang, geoordeeld dat artikel 20 VWEU zich verzet tegen nationale maatregelen die tot gevolg hebben dat burgers van de Unie het genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan hun status van burger van de Unie ontleende rechten en dat een dergelijke situatie ontstaat wanneer een staatsburger van een derde staat het echt wordt ontzegd te verblijven in de lidstaat waar zijn kinderen van jonge leeftijd, staatsburgers van die lidstaat en te zijnen laste, verblijven.

6. De ABRvS heeft in een aantal uitspraken van 7 maart 2012 (onder meer nummers: 201102780/1/V1 en 201105729/1/V1), voor zover hier van belang, geoordeeld dat uit het arrest Zambrano volgt dat het criterium van de ontzegging van het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten, betrekking heeft op gevallen die erdoor gekenmerkt worden dat de burger van de Unie feitelijk wordt verplicht om het grondgebied van niet alleen de lidstaat waarvan hij staatsburger is, maar ook dat van de Unie als geheel te verlaten. Het enkele feit dat het voor een staatsburger van een lidstaat misschien wenselijk is, om economische redenen of om de eenheid van de familie op het grondgebied van de Unie te bewaren, dat de leden van zijn familie die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, bij hem op het grondgebied van de Unie verblijven, volstaat bijgevolg op zichzelf niet om aan te nemen dat de burger van de Unie verplicht zal worden om het grondgebied van de Unie te verlaten indien een dergelijk recht niet wordt toegekend.

7. Voorts heeft de ABRvS in voornoemde uitspraken van 7 maart 2012 overwogen dat uit het arrest van het HvJ inzake Dereci van 15 november 2011 (LJN: BU5953) volgt dat slechts beperkte betekenis toekomt aan het recht op bescherming van het gezinsleven bij de beantwoording van de vraag of een burger van de Unie die gezinsleven uitoefent met een burger van een derde land, zijn uit artikel 20 van het VWEU voortvloeiende recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven wordt ontzegd. Dit recht wordt niet als zodanig door artikel 20 van het VWEU beschermd, maar door andere internationaal-, Unie- en nationaalrechtelijke regelingen en bepalingen, zoals artikel 8 van het EVRM, artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, Unierechtelijke verblijfsrichtlijnen en artikel 15 van de Vw.

Bij de beantwoording van genoemde vraag is onder meer de wens van gezinsleden om als gezin in Nederland of in de Unie te verblijven dus eveneens van beperkt belang. De situatie dat de burger van de Unie zijn recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven wordt ontzegd, doet zich slechts voor als de burger van de Unie zodanig afhankelijk is van de burger van een derde land, dat hij als gevolg van de besluitvorming van de minister geen andere keus heeft dan met de burger van het derde land buiten de Unie te verblijven, aldus de ABRvS.

8. De ABRvS heeft verder in twee andere uitspraken van 7 maart 2012 (zie nummers: 201011743/1/V1 en 201108763/1/V2, in het bijzonder rechtsoverwegingen 2.3.4 en 2.5.4) geoordeeld dat in het geval het gezin bestaat uit één ouder die burger is van een derde land en één ouder die burger van de Unie is, en ook een minderjarig kind dat burger van de Unie is, bij de beantwoording van voornoemde vraag, betekenis toekomt aan het gegeven dat Nederlanders in Nederland in beginsel aanspraak kunnen maken op verstrekking van een uitkering uit de openbare kas. Voorts wordt van overheidswege en door maatschappelijke instellingen hulp en ondersteuning bij – bijvoorbeeld – zorg en opvoeding geboden.

Van leden van een dergelijk gezin kan dan ook worden verlangd dat zij gebruik maken van de mogelijkheid deze aanspraken en hulp te ontvangen als daarmee kan worden voorkomen dat een burger van de Unie feitelijk wordt verplicht niet alleen Nederland, maar het grondgebied van de Unie als geheel te verlaten. Van de situatie dat een burger van de Unie niettemin zijn recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven wordt ontzegd, zal in dergelijke gevallen dan ook slechts sprake zijn, indien de burger van het derde land aannemelijk maakt dat de andere ouder, ook indien deze van vorenbedoelde mogelijkheid om aanspraken en hulp te ontvangen, gebruik maakt, feitelijk niet geacht kan worden voor het kind zorg te dragen, zodat verblijf voor het kind bij die ouder in Nederland of de Unie, zonder die vreemdeling, in wezen onmogelijk is. In dat geval zal het kind immers gedwongen zijn de ouder die burger van een derde land is, te volgen naar buiten het grondgebied van de Unie.

9. De rechtbank is, anders dan verweerder betoogt, van oordeel dat [Y], bij gedwongen terugkeer van eiseres naar Turkije, feitelijk zal worden verplicht om haar te volgen en het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat [Y] volledig afhankelijk is van de zorg van eiseres c.q. ten laste komt van eiseres, nu zij hem sinds zijn geboorte verzorgt en hij altijd bij haar heeft gewoond. Dat [Y] maandelijks een financiële bijdrage van referent ontvangt en een bijstandsuitkering heeft, maakt nog niet dat hij niet ten laste van eiseres komt, zoals bedoeld in rechtsoverweging 43 van het arrest Zambrano. De omstandigheid dat referent het ouderlijk gezag deelt en eiseres in de woning van haar broer in [woonplaats] verblijft, doet er evenmin aan af dat zij [Y] altijd heeft verzorgd. Daar komt bij dat in de in overweging 6 genoemde uitspraken van de ABRvS (in het bijzonder in de overwegingen 2.3.8 en 2.7.10) is geoordeeld dat de vraag of minderjarige burgers van een lidstaat van de Unie die ten laste komen van hun ouders, staatsburgers van een derde land, het grondgebied van de Unie moeten verlaten indien aan die ouders het recht wordt ontzegd in de desbetreffende lidstaat te verblijven, bij het HvJ slechts is gerezen vanuit het enkele uitgangspunt dat een dergelijke weigering de kinderen zal verplichten de ouders te volgen. Hieruit volgt, aldus de ABRvS, dat de aanwezigheid van familieleden in de desbetreffende lidstaat bij wie het kind eventueel zou kunnen verblijven, niet bij de beoordeling van voornoemde vraag wordt betrokken. Verweerder heeft de omstandigheid dat de familie van eiseres jarenlang voor haar en [Y] heeft verzorgd en de eventuele mogelijkheid voor [Y] om bij deze familie in [woonplaats] te verblijven, dan ook ten onrechte tegengeworpen.

De rechtbank overweegt verder dat verweerders verwijzing naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch van

8 juli 2011 (LJN: BR0795) geen doel treft, reeds omdat geen sprake is van gelijke gevallen. Anders dan in het onderhavige geval, kwamen de kinderen (Unieburgers) in die zaak ten laste van een pleeggezin, omdat de partner (Unieburger) van de vreemdeling wegens psychische problemen niet zelfstandig voor de kinderen kon zorgen. De kinderen waren vrijwillig in een pleeggezin geplaatst en niet was komen vast te staan dat het verblijf in het pleeggezin structureel van aard was. Hoewel de rechtbank verweerders standpunt volgt dat referent verantwoordelijk is voor het feit dat hij tot levenslang is veroordeeld en daarom niet zelfstandig voor [Y] kan zorgen, kan deze omstandigheid niet leiden tot het oordeel dat referent feitelijk in staat moet worden geacht om met hulp en ondersteuning van maatschappelijke instellingen de zorg voor [Y] te dragen. In het onderhavige geval is, anders dan in de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch van

8 juli 2011 (LJN: BR0795) geen sprake van een tijdelijke onmogelijkheid om zelfstandig de zorg voor een kind te dragen vanwege psychische klachten. Vanwege de levenslange gevangenisstraf van referent kan met voldoende zekerheid worden aangenomen dat [Y]s verblijf in Nederland zonder eiseres in wezen onmogelijk is en hij bij terugkeer van eiseres naar Turkije gedwongen zal zijn om haar te volgen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat referent al sinds 1984 in detentie verkeert en dat niet is gebleken dat binnen afzienbare tijd perspectief op terugkeer in de samenleving bestaat. Hieruit volgt dat eventuele plaatsing van [Y] in een pleeggezin, dan wel nagenoeg gehele overname van de zorg door maatschappelijke instellingen in deze (zeer) uitzonderlijke situatie structureel van aard zal zijn, wat naar het oordeel van de rechtbank niet verlangd mag worden. Gelet hierop betekent de in het bestreden besluit vervatte tegenwerping van het mvv -vereiste aan eiseres dat [Y] feitelijk het grondgebied van de Unie moet verlaten. Daarmee is het bestreden besluit in strijd met artikel 20 VWEU.

10. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt wegens strijd met 20 VWEU voor vernietiging in aanmerking. Nu een levenslange gevangenisstraf in Nederland echt levenslang is en deze omstandigheid alleen zal wijzigen wanneer de koningin gratie verleent, en bovendien van een andere mogelijke weigeringsgrond voor het verlenen van de gevraagde vergunning dan de afwezigheid van een mvv niet is gebleken, dient verweerder, bij de nieuwe beslissing op het bezwaar aan eiseres het gevraagde verblijfsrecht, met datum van ingang en bepalingen als gebruikelijk, te verlenen. Gelet op het voorgaande behoeven de gronden die eiseres heeft aangevoerd ter onderbouwing van de stelling dat zij op grond van het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije (Besluit 1/80) dan wel op grond van artikel 8 van het EVRM voor vrijstelling van het mvv vereiste in aanmerking komt geen bespreking.

11. Eiseres heeft nog aangevoerd dat de door haar betaalde leges van € 830,00 onevenredig hoog zijn en in strijd is met artikel 9 van het Besluit 1/80. In dit kader heeft zij verwezen naar de arresten van het HvJ van 17 september 2009, Sahin (LJN: BJ8590), van 29 april 2010, Commissie tegen Koninkrijk der Nederlanden (LJN: BM3843) en de uitspraak van de ABRvS van 17 maart 2010 (LJN: BL8074).

12. Verweerder heeft zich hierover in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat naar aanleiding van de door eiseres genoemde arresten het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV) met ingang van 1 juli 2010 met terugwerkende kracht vanaf 29 april 2010 is gewijzigd. Eiseres heeft weliswaar de Turkse nationaliteit, maar beoogt geen verblijfsdoelen zoals genoemd in artikel 3.34, derde of vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Nu zij verblijf beoogt om gezinsleven uit te oefenen valt zij onder het toepassingsbereik van artikel 3.34, tweede lid, van het VV. De enkele stelling dat zij voornemens is arbeid in loondienst te verrichten maakt dat niet anders. Ter aanvulling hiervan heeft verweerder in zijn schrijven van 26 juli 2011 nog overwogen dat eiseres geen familielid is van een Turks onderdaan die rechten ontleent aan Besluit 1/80, omdat zowel referent als [Y] de Nederlandse nationaliteit hebben.

13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat in het geval van eiseres artikel 3.34, tweede lid, van het VV, van toepassing is. De rechtbank verwijst in dit kader naar de duidelijke tekst in de toelichting op de Regeling van de Minister van Justitie van 23 juni 2010, nr. 5687933/10 (Staatscourant 30 juni 2010, nr. 10091) houdende wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 waarin – voor zover hier van belang – is vermeld dat uit het arrest van het HvJ van 29 april 2010 (LJN:BM3843) volgt dat de standstill-bepaling van artikel 13 van Besluit 1/80 betrekking heeft op de eerste toelating van Turkse werknemers die voornemens zijn in Nederland binnen het wettelijke kader gebruik te maken van het vrije verkeer van werknemers in het kader van de associatieovereenkomst (en hun gezinsleden). Dit voornemen blijkt uit het doel dat bij de toelatingsaanvraag wordt opgegeven. Voor onder meer Turkse onderdanen die worden toegelaten in het kader van het verrichten van arbeid en die na aankomst in Nederland binnen de wettelijke kaders zullen voldoen aan de definitie van werknemer die het HvJ heeft gesteld, geldt een legestarief van € 41,00 (cursiveringen door rechtbank). De uitspraken waarnaar in punt 10 is verwezen kunnen eiseres niet baten, reeds omdat deze zien op Turkse onderdanen op wie artikel 13 van Besluit 1/80 van toepassing is, wat niet voor eiseres geldt. Onder verwijzing naar de uitspraak van de ABRvS van 27 november 2008 (LJN: BG6193), waarin is overwogen dat artikel 9 van Besluit 1/80, gelet op de doelstelling van Besluit 1/80 om de geleidelijke integratie van Turkse werknemers op de arbeidsmarkt van een lidstaat van de Gemeenschap te bevorderen, welke is uitgewerkt in de artikelen 6 en 7 van Besluit 1/80 door rechten toe te kennen aan Turkse werknemers onderscheidenlijk hun gezinsleden, hetzelfde toepassingsbereik heeft als deze twee artikelen, is de rechtbank van oordeel dat het beroep op artikel 9 van Besluit 1/80 niet slaagt. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank, in de omstandigheid dat eiseres een aanvraag tot het verlenen van een reguliere verblijfsvergunning heeft ingediend met als doel ‘uitoefenen van gezinsleven conform artikel 8 EVRM’ tezamen met de enkele niet onderbouwde stelling dat zij voornemens is in Nederland arbeid te verrichten, terecht geen aanleiding gezien een ander legestarief dan € 830,00, zoals dat ten tijde van de aanvraag gold, te hanteren.

14. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. De kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 2.622,-- (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift, 0,5 punt voor het nadere beroepschrift van 8 juli 2011,1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de nadere zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt

€ 437,00)

15. Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder de betaalde griffierechten ad € 300,- aan eiseres dient te vergoeden.

16. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

Over het beroep

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 14 juni 2011;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van eiseres dient te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding ten bedrage van

€ 2.185,00, te betalen aan eiseres;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht ten bedrage van € 150,- vergoedt.

De voorzieningenrechter:

Over de gevraagde voorlopige voorziening

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding ten bedrage van € 437,-

- bepaalt dat verweerder het griffierecht ten bedrage van € 150,- vergoedt

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. ter Brugge, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.Y. Wong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2012.

de griffier is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Tegen deze uitspraak staat, voor zover het verzoek om een voorlopige voorziening betreft, geen rechtsmiddel open.