Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX2431

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-06-2012
Datum publicatie
24-07-2012
Zaaknummer
12/16751, 12/16750, 12/16817
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu verzoeker wordt gevolgd in zijn vrees op grond van de algemene situatie ten aanzien van Banyamulenge en niet is gebleken van een individuele persoonlijke vrees, hem een binnenlands vluchtalternatief wordt tegengeworpen. Volgens verweerder kan verzoeker zich onttrekken aan eventueel dreigende of zich voordoende moeilijkheden door zich in Kinshasa te vestigen. Verzoeker heeft aangevoerd dat hem ten onrechte een vluchtalternatief is tegengeworpen, omdat in het beleid, neergelegd in Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2012/6, staat dat geen vluchtalternatief wordt tegengeworpen, met uitzondering van asielzoekers van wie de vrees een gevolg is van de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van de Definitierichtlijn en dat in het geval van verzoeker niet enkel sprake is van vrees op grond van de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van de Definitierichtlijn.

Zoals verweerder ter zitting heeft erkend, wordt een vluchtalternatief eerst tegengeworpen indien sprake is van gegronde vrees voor vervolging. Gelet op beleid in paragraaf 6.1 van WBV 2012/6, valt zonder nadere motivering niet in te zien dat verzoeker een vluchtalternatief wordt tegengeworpen. Zoals ter zitting door verweerder is bevestigd, is bij verzoeker immers niet enkel sprake van vrees als gevolg van de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van de Definitierichtlijn. Dat mogelijk geen sprake is van individuele persoonlijke vrees, omdat verzoeker heeft verklaard dat de genoemde groeperingen naar hem op zoek zijn vanwege zijn afkomst, maakt het voorgaande niet anders, nu verweerder met de tegenwerping van een vluchtalternatief heeft erkend dat sprake is van gegronde vrees voor vervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12 / 16751 (voorlopige voorziening)

AWB 12 / 16750 (beroep)

AWB 12 / 16817 (vrijheidsontneming)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 11 juni 2012 in de zaak tussen

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum], van Congolese nationaliteit, verblijvende in het grenshospitium Schiphol,

verzoeker,

(gemachtigde: mr. F.S. van Nierop, advocaat te Utrecht),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder,

(gemachtigde: mr. R.C. van Keeken, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage).

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

De ambtenaar belast met de grensbewaking heeft op 11 mei 2012 aan verzoeker op grond van artikel 13 juncto artikel 5 van de Schengengrenscode de toegang tot Nederland geweigerd en bij besluit van 13 mei 2012 aan hem op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vreemdelingenwet (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de vrijheidsontnemende maatregel voortgezet. Verzoeker heeft op 22 mei 2012 beroep ingesteld tegen de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2012. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

3. Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Verzoeker behoort tot de Banyamulenge in Zuid-Kivu en heeft -samengevat- verklaard dat hij vanwege zijn Banyamulenge afkomst bij terugkeer naar Congo vreest te worden gedood door de groeperingen Interehamwe, Mai Mai, regeringssoldaten en Gumino in Congo en dat hij evenals anderen behorend tot de Banyamulenge stam gedwongen zal worden om te gaan vechten. Verzoeker stelt sinds 1995 tot aan zijn vertrek in april 2012 problemen te hebben ondervonden op grond van zijn etniciteit en diverse keren te zijn opgepakt, vastgehouden en weer te zijn vrijgelaten.

4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op de volgende gronden. Verweerder heeft verzoeker het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw tegengeworpen omdat hij toerekenbaar geen documenten ter staving van zijn nationaliteit, identiteit en reisroute heeft overgelegd. Nu verzoeker wordt gevolgd in zijn vrees op grond van de algemene situatie ten aanzien van Banyamulenge en niet is gebleken van een individuele persoonlijke vrees, wordt een binnenlands vluchtalternatief tegengeworpen. Volgens verweerder kan verzoeker zich onttrekken aan eventueel dreigende of zich voordoende moeilijkheden door zich in Kinshasa te vestigen. Het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon, die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (verder: Definitierichtlijn) kan niet slagen, aangezien verzoeker een binnenlands vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen.

5. De voorzieningenrechter stelt vast dat aan verzoeker artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw is tegengeworpen. Gelet op het feit dat verweerder het relaas van verzoeker geloofwaardig heeft geacht, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding hierover een oordeel te geven.

6. Verzoeker heeft aangevoerd dat hem ten onrechte een vluchtalternatief is tegengeworpen, omdat in het beleid dat is neergelegd in Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2012/6, staat dat geen vluchtalternatief wordt tegengeworpen, met uitzondering van asielzoekers van wie de vrees een gevolg is van de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van de Definitierichtlijn en dat in het geval van verzoeker niet enkel sprake is van vrees op grond van de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van de Definitierichtlijn.

6.1 In het voornemen is op pagina 4, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“Nu betrokkene wordt gevolgd in zijn vrees op grond van de algemene situatie ten aanzien van Banyamulenge en niet is gebleken van een individuele persoonlijke vrees, wordt betrokkene dit vluchtalternatief in Kinshasa tegengeworpen.”

6.2 In C4/2.3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is, voor zover hier van belang het volgende vermeld:

“(…) Het bestaan van een beschermingsalternatief komt bij de beoordeling van een asielaanvraag in beginsel pas aan de orde indien en nadat is vastgesteld dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van problemen die in beginsel voldoende zijn om als beschermingswaardig te gelden.(…) Het vluchtalternatief biedt bescherming tegen dreigende vluchtelingrechtelijke vervolging zoals bepaald in het Vluchtelingenverdrag.(…) Bij de beoordeling of een vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Wet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, geldt op grond van artikel 3.37d VV dat een vreemdeling geen behoefte heeft aan bescherming, indien er in een deel van het land van herkomst geen gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen bestaat en van de vreemdeling redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij in dat deel van het land verblijft. De vreemdeling komt in dat geval niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning op bovengenoemde gronden.”

6.3 In WBV 2012/6, van 29 maart 2012, is onder 6.1, opgenomen:

“6.1 Vlucht- en/of vestigingsalternatief.

Gezien de huidige situatie in de DRC, wordt geen vlucht- of vestigingsalternatief tegengeworpen, met uitzondering van asielzoekers van wie de vrees een gevolg is van de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van de richtlijn 2004/83/EG. Asielzoekers die uit die provincies komen en een gegronde, individuele persoonlijke vrees hebben, wordt geen vlucht- of vestigingsalternatief tegengeworpen.”

6.4 Zoals verweerder ter zitting heeft erkend, wordt, zoals uit het hiervoor onder 6.2 opgenomen beleid volgt. een vluchtalternatief eerst tegengeworpen indien sprake is van gegronde vrees voor vervolging. Gelet op het aangehaalde beleid in paragraaf 6.1 van WBV 2012/6, valt zonder nadere motivering niet in te zien dat verzoeker een vluchtalternatief wordt tegengeworpen. Zoals ter zitting door de gemachtigde van verweerder is bevestigd, is bij verzoeker niet enkel sprake van vrees als gevolg van de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van de Definitierichtlijn. Dat mogelijk geen sprake is van individuele persoonlijke vrees, omdat verzoeker heeft verklaard dat de genoemde groeperingen naar hem op zoek zijn vanwege zijn afkomst, maakt het voorgaande niet anders, nu verweerder met de tegenwerping van een vluchtalternatief heeft erkend dat sprake is van gegronde vrees voor vervolging.

6.5 De voorzieningenrechter zal het beroep gegrond verklaren. De overige gronden kunnen onbesproken blijven. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:46 Awb.

6.6 De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

6.7 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

6.8 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoeker heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) en € 437,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1). Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, worden deze bedragen ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb betaald aan de griffier.

Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel

7. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw het beroep gegrond. Indien de rechtbank de opheffing van een maatregel strekkende tot vrijheidsontneming beveelt, kan zij ingevolge artikel 106, eerste lid, Vw aan de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen.

8. Ingevolge artikel 6, eerste en tweede lid, Vw kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.

9. Verzoeker heeft aangevoerd dat er geen enkele reden is om aan te nemen dat verzoeker zich aan het toezicht van de Nederlandse autoriteiten te onttrekken. Het is juist zijn wens om in Nederland te verblijven. Verweerder had met een lichter middel kunnen volstaan, bijvoorbeeld een meldplicht.

In navolging van de uitspraken van 29 december 2011 (LJN: BV0964) en 29 juni 2011 (LJN: BR0158) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder de Afdeling), is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft kunnen oordelen dat in het geval van eiser niet met een lichter middel kan worden volstaan. Daartoe wordt overwogen dat indien aan eiser een minder dwingende maatregel wordt opgelegd, bijvoorbeeld een meldplicht, dit tot gevolg heeft dat eiser verdere toegang tot Nederland verkrijgt. In beginsel kan steeds worden aangenomen dat het grensbewakingsbelang niet kan worden veilig gesteld door de oplegging van een minder dwingende maatregel. Het beleid terzake, neergelegd in paragraaf C12/2.3 van de Vc, is niet kennelijk onredelijk te achten. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder dit beleid in dit geval niet in redelijkheid heeft mogen toepassen of de vrijheidsontneming anderszins onevenredig moet worden geacht, is niet gebleken. Namens verzoeker is ter zitting bevestigd dat van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder dit beleid in dit geval niet in redelijkheid heeft mogen toepassen of de vrijheidsontneming anderszins onevenredig moet worden geacht, geen sprake is.

10. Ten aanzien van de voortduring van de maatregel, overweegt de rechtbank dat verzoeker de gronden die verweerder, blijkens het voornemen en het besluit, ten grondslag heeft gelegd aan het standpunt dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, niet heeft betwist. Gelet hierop wordt verzoeker niet gevolgd in zijn betoog dat er geen risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. De enkele stelling dat er geen enkele reden is om aan te nemen dat hij zich aan toezicht zal onttrekken is hiertoe onvoldoende. Hetzelfde heeft te gelden voor zijn wens om in Nederland te verblijven. Reeds daarom bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat de voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.

11. De rechtbank ziet daarnaast geen grond voor het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

12. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep (AWB 12/16750) gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag;

3.4 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 874,- te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening en € 437,- in verband met het beroep.

De rechtbank verklaart het beroep (AWB 12/16817) ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries - van den Heuvel, voorzieningenrechter en rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Boomsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2012.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het de hoofdzaken betreft, kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.