Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX2426

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-07-2012
Datum publicatie
24-07-2012
Zaaknummer
12/5415, 12/5414
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verzoeker betoogt, onder verwijzing naar het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 2 februari 2012 (I.M. tegen Frankrijk, 9152/09), dat er een reëel risico bestaat dat hij bij overdracht aan Frankrijk wordt onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) waartegen geen “effective remedy” kan worden ingeroepen. Hij voert hiertoe - samengevat - aan dat uit de circulaire van 1 april 2011 (NOR IOCL1107084C) volgt dat er een reële kans bestaat dat Frankrijk artikel L.741-4 op hem van toepassing acht en dat hij als gevolg daarvan het risico loopt te worden opgenomen in een procedure waarvan het EHRM in voornoemd arrest reeds heeft geoordeeld dat deze in strijd is met artikel 3 en artikel 13 EVRM. Gesteld, noch gebleken is dat detentie dreigt als verzoeker aan Frankrijk wordt overgedragen. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de lidstaten bij overdrachten op grond van de Verordening over het algemeen vreemdelingen niet in detentie stellen. Verzoeker heeft daar geen andere informatie over aangedragen. Bovendien is gebleken dat verzoeker enkel een alias heeft gebruikt in verband met zijn visumaanvraag en uit de door verzoeker overgelegde stukken blijkt dat de verkorte procedure in Frankrijk met name aan de orde is in het geval van opzettelijke fraude en het indienen van gelijktijdige of meerdere asielaanvragen onder verschillende namen. Uit het gebruik van het woord “notammant” in punt 3.1 van annex 2 bij de circulaire van 1 april 2011 in de zin: “La fraude délibérée est notamment caractérisée lorsqu’une demande d’asile est présentée sous une fausse identitité destinée à abuser les autorités auprès desquelles elle est formulée” maakt, anders dan verzoeker betoogt niet aannemelijk dat verzoeker een reëel risico loopt om in de versnelde procedure terecht te komen en geconfronteerd te worden met de omstandigheden als waarvan sprake was in het arrest I.M. tegen Frankrijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12 / 5415 (voorlopige voorziening)

AWB 12 / 5414 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juli 2012 in de zaak tussen

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum], van Vietnamese nationaliteit,

verzoeker,

(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman, advocaat te Utrecht),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.M. Hollebrandse, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage).

Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist. De voorzieningenrechter in deze rechtbank en nevenzittingsplaats heeft bij uitspraak van 11 mei 2012 bij wijze van ordemaatregel bepaald dat verweerder wordt verboden verzoeker uit Nederland te (doen) verwijderen voordat de behandeling van het verzoek ter zitting heeft plaatsgevonden en daarop uitspraak is gedaan (AWB 12 / 5415).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2012. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

3. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval is van toepassing Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening).

4. Uit het dossier blijkt het volgende. Verzoeker heeft verklaard dat hij op een door Frankrijk verstrekt visum via dat land naar is Nederland gereisd. Verweerder heeft daarom de Franse autoriteiten verantwoordelijk gehouden voor de behandeling van de asielaanvraag van verzoeker en de Franse autoriteiten op 21 november 2011 verzocht om de behandeling van de asielaanvraag van verzoeker over te nemen. Frankrijk is op 13 januari 2012 daarmee akkoord gegaan.

5. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die een belemmering vormen voor overdracht van verzoeker aan de Franse autoriteiten.

6. Verzoeker betoogt, onder verwijzing naar het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 2 februari 2012 (I.M. tegen Frankrijk, 9152/09), dat er een reëel risico bestaat dat hij bij overdracht aan Frankrijk wordt onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) waartegen geen “effective remedy” kan worden ingeroepen. Hij voert hiertoe - samengevat - aan dat uit de circulaire van 1 april 2011 (NOR IOCL1107084C) volgt dat er een reële kans bestaat dat Frankrijk artikel L.741-4 op hem van toepassing acht en dat hij als gevolg daarvan het risico loopt te worden opgenomen in een procedure waarvan het EHRM in voornoemd arrest reeds heeft geoordeeld dat deze in strijd is met artikel 3 en artikel 13 EVRM. Verzoeker stelt daarom primair dat overdracht aan Frankrijk in casu in strijd kan zijn met artikel 3 EVRM, althans dat het aan verweerder is de aangedragen informatie te weerleggen en subsidiair dat verweerder verplicht is het asielverzoek aan zich te trekken door toepassing te geven aan artikel 3, tweede lid, van de Verordening, althans zich ervan dient te vergewissen dat verzoeker een asielaanvraag kan indienen en over een effectief rechtsmiddel zal beschikken.

7. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Verordening, voor zover thans van belang, kan, in afwijking van het eerste lid, verweerder een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in de Verordening neergelegde criteria niet verplicht.

8. Verweerders beleid terzake is neergelegd in de paragrafen C3/2.3.6.1 en C3/2.3.6.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Blijkens dat beleid wordt op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgegaan dat de lidstaten van de Europese Unie de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waaraan de betrokkene wordt overgedragen zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Indien er concrete aanwijzingen bestaan dat de verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt, bestaat de mogelijkheid voor Nederland om het asielverzoek aan zich te trekken op basis van voornoemd artikellid van de Verordening. Het ligt op de weg van de asielzoeker om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging door verdragspartijen van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM wordt weerlegd. Hiervan is sprake als de vreemdeling aannemelijk maakt dat in de asielprocedure van de verantwoordelijke lidstaat ten aanzien van de asielzoeker niet zal worden onderzocht en vastgesteld of sprake is van een schending van het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 van het EVRM.

9. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van 14 juli 2011 (LJN: BR3771) onder meer het volgende overwogen:

“2.5.3 Uit het arrest van het EHRM in de zaak M.S.S. blijkt dat het EHRM bij de beoordeling of overdracht van een vreemdeling met toepassing van de Verordening aan een andere lidstaat in strijd is met artikel 3, dan wel 13 van het EVRM, in het bijzonder de detentie- en/of levensomstandigheden waarmee de overgedragen asielzoeker in dat land wordt geconfronteerd en de kwaliteit van de asielprocedure in dat land betrekt. Voorts houdt het arrest in dat ook in een situatie waarin ten aanzien van deze aspecten informatie is overgelegd die niet specifiek op de betrokken vreemdeling ziet, een lidstaat die een asielzoeker wenst over te dragen, zich ervan dient te vergewissen dat de wetgeving van de lidstaat waaraan de vreemdeling wordt overgedragen, op deze punten wordt toegepast op een wijze die in overeenstemming is met het EVRM.”

10. In het arrest van het EHRM van 14 februari 2012, I.M. tegen Frankrijk heeft het EHRM, voor zover hier van belang, overwogen dat de beperkingen die aan I.M. zijn opgelegd tijdens de versnelde Franse asielprocedure (korte duur van het interview, I.M. had na binnenkomst in Frankrijk vergeefs geprobeerd asiel aan te vragen, de verkorting van de termijn om zijn asielverzoek naar voren te brengen en het gebrek aan juridische en linguïstische bijstand), samen met het feit dat hij in detentie verbleef, de mogelijkheden van I.M. ondermijnd hebben om de gegrondheid van zijn claim dat uitzetting artikel 3 EVRM zal schenden, te onderbouwen. De klacht wordt gegrond verklaard en schending van artikel 3 en artikel 13 EVRM werd aangenomen.

11. De vraag ligt voor of verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat de omstandigheden waarin hij komt te verkeren na overdracht aan Frankrijk dusdanig lijken op de omstandigheden in de zaak die ten grondslag lag aan het arrest I.M. tegen Frankrijk, dat ook in zijn geval sprake is van een dreigende schending van artikel 3 EVRM en artikel 13 EVRM.

12. Verzoeker heeft daartoe gesteld dat uit bijlage 2, onder punt 1.3 van de door hem overgelegde circulaire van 1 april 2011, blijkt dat verzoeker, nu hij bij zijn visumaanvraag in [land] gebruik heeft gemaakt van een alias, het risico loopt om in dezelfde versnelde procedure terecht te komen, zoals het geval was in het arrest van 2 februari 2012, I.M. tegen Frankrijk.

Verweerder heeft in dit verband aangevoerd dat bij het arrest I.M. tegen Frankrijk, wellicht niet doorslaggevend, maar wel belangrijk was dat de asielzoeker de gehele asielprocedure in detentie verbleef en subsidiair dat de versnelde procedure niet aan de orde is, omdat geen sprake is van opzettelijke fraude, maar alleen van het gebruik van een alias.

13. Gesteld, noch gebleken is dat detentie dreigt als verzoeker aan Frankrijk wordt overgedragen. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de lidstaten bij overdrachten op grond van de Verordening over het algemeen vreemdelingen niet in detentie stellen. Verzoeker heeft daar geen andere informatie over aangedragen.

Bovendien is gebleken dat verzoeker enkel een alias heeft gebruikt in verband met zijn visumaanvraag en uit de door verzoeker overgelegde stukken blijkt dat de verkorte procedure in Frankrijk met name aan de orde is in het geval van opzettelijke fraude en het indienen van gelijktijdige of meerdere asielaanvragen onder verschillende namen. Uit het gebruik van het woord “notammant” in punt 3.1 van annex 2 bij de circulaire van 1 april 2011 in de zin: “La fraude délibérée est notamment caractérisée lorsqu’une demande d’asile est présentée sous une fausse identitité destinée à abuser les autorités auprès desquelles elle est formulée” maakt, anders dan verzoeker betoogt niet aannemelijk dat verzoeker een reëel risico loopt om in de versnelde procedure terecht te komen en geconfronteerd te worden met de omstandigheden als waarvan sprake was in het arrest I.M. tegen Frankrijk.

14. Gelet op het voorgaande heeft verzoeker niet met concrete aanwijzingen aannemelijk heeft gemaakt dat het hiervoor weergegeven uitgangspunt in zijn geval niet opgaat zodat verweerder daarin geen aanleiding heeft hoeven zien zijn asielverzoek met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Verordening aan zich te trekken dan wel dat verweerder documenten die zien op procedure in Frankrijk, welke verzoeker in beroep heeft overgelegd, onvoldoende zorgvuldig heeft beoordeeld.

15. De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond.

16. Nu in de hoofdzaak is beslist, wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kleij, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Boomsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2012.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het de hoofdzaak betreft, kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.