Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX2336

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-02-2012
Datum publicatie
23-07-2012
Zaaknummer
411242 HA RK 12-22 Wrakingnummer 2012/4
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Mondeling verzoek tot wraking kantonrechter. Verzoek afgewezen. Uit de enkele omstandigheid dat de rechter reeds een (voorlopig) inhoudelijk oordeel heeft gegeven in het vonnis in het incident met betrekking tot de hoofdzaak, valt niet een objectief gerechtvaardigd vermoeden af te leiden dat zij bij de beoordeling van de hoofdzaak niet onpartijdig zal zijn. Het is inherent aan de aard van een rechterlijke beslissing in een incident, dat met die beslissing een voorlopige blik kan worden geworpen op de hoofdzaak. Dat betekent echter nog niet dat het stelsel van hoor en wederhoor wordt geschonden of dat de rechter vooringenomen is. In het algemeen zal in de hoofdzaak, na verdere standpuntuitwisseling tussen partijen, alsnog ten gronde worden beslist waarbij de rechter niet is gebonden aan haar voorlopige beslissing in het incident.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Meervoudige wrakingskamer

wrakingnummer 2012/4

rekestnummer: 411242 HA RK 12-22

zaaknummer: 1046189 CV EXPL 11-2086

datum beschikking: 13 februari 2012

BESLISSING

op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Red Point Alloys B.V.

gevestigd te Zoetermeer,

verzoekster,

gemachtigde: mr. O.J. Praamstra,

tegen

[verweerder]

wonende te [woonplaats],

verweerder,

gemachtigde: mr. A.C.M. Verhoeven,

strekkende tot wraking van:

mr. G.M.A. van Zaltbommel-Uittenbogaard

rechter in de rechtbank te 's-Gravenhage, locatie Leiden, sector kanton,

hierna te noemen: de kantonrechter.

1. De voorgeschiedenis en het procesverloop

Op 14 juni 2011 heeft in bovenvermelde zaak een comparitie van partijen plaatsgevonden in het incident ex artikel 843 a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Op 13 juli 2011 heeft de kantonrechter een vonnis in het incident gewezen. Daarbij is de hoofdzaak verwezen naar de rol voor nadere conclusiewisseling. Bij vonnis van 30 november 2011 is vervolgens een comparitie van partijen gelast. Op 10 januari 2012 heeft ten overstaan van de kantonrechter de comparitie van partijen een aanvang genomen. Verzoekster heeft ter zitting voornoemde rechter gewraakt. Het onderzoek ter zitting is vervolgens geschorst en het wrakingsverzoek is voorgelegd aan de wrakingskamer.

2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 30 januari 2012 is ter openbare terechtzitting het wrakingsverzoek behandeld. Verzoekster is bij haar gemachtigde ter zitting verschenen. Het wrakingsverzoek is door de advocaat aan de hand van de door hem overgelegde pleitaantekeningen toegelicht. De kantonrechter heeft bij brief van 11 januari 2012 aangegeven dat zij niet in de wraking berust. Zij heeft haar standpunt ten aanzien van het wrakingsverzoek kenbaar gemaakt en tevens meegedeeld niet op de zitting te zullen verschijnen. Namens verweerder is mr. A.C.M. Verhoeven ter zitting verschenen.

Mr. Verhoeven heeft ter zitting eveneens aan de hand van pleitaantekeningen zijn standpunt toegelicht.

3. Het standpunt van verzoekster

Het wrakingsverzoek komt, kort en zakelijk weergegeven, op het volgende neer.

De hoofdzaak wordt behandeld door dezelfde kantonrechter die ook het tussenvonnis in het incident heeft gewezen. De kantonrechter is in het tussenvonnis reeds zodanig vooruitgelopen op het geschil in de hoofdzaak dat er geen of onvoldoende sprake is van objectieve onpartijdigheid.

4. Het standpunt van mr. Van Zaltbommel-Uittenbogaard

Het standpunt van de kantonrechter komt, kort en zakelijk weergegeven, op het volgende neer.

Zij verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Zij heeft aan het slot van de zitting in het incident aan mr. Praamstra gevraagd of zij, bij afwijzing van de vordering, in het tussenvonnis de mogelijkheid van hoger beroep daarvan moest opnemen. Dit was voor mr. Praamstra niet nodig. Het is gebruikelijk dat de hoofdzaak wordt afgedaan door de rechter die een beslissing over een incidentele vordering heeft genomen. Bij vonnis van 30 november 2011 heeft zij een comparitie van partijen gelast. In dat vonnis heeft zij aangegeven dat de bewijslastverdeling tussen partijen ter sprake zou komen. Mr. Praamstra had er dan ook vanuit moeten gaan dat zij de comparitie zou leiden.

5. Het standpunt van verweerder in de hoofdzaak

[verweerder] is van oordeel dat het wrakingsverzoek tardief is. Ook inhoudelijk zijn er geen gronden voor toewijzing van het wrakingsverzoek. Een ongunstig (voorlopig) oordeel vormt in de regel geen aanwijzing voor partijdigheid. Ook heeft verzoekster niet gemotiveerd waarom de gewraakte beslissingen zouden doen twijfelen aan de objectieve onpartijdigheid van de rechter.

6. De beoordeling

6.1. Aan de orde is in de eerste plaats de vraag of het wrakingsverzoek tijdig is gedaan. Artikel 37 eerste lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering schrijft voor dat een verzoek tot wraking wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoekster bekend zijn geworden. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek tijdig is gedaan. Hoewel het in kantonzaken zeer gebruikelijk is dat de rechter die een vonnis in een incident heeft gewezen ook de hoofdzaak zal behandelen, kan dit ook anders zijn. Nu het wrakingsverzoek is ingediend op het moment dat verzoekster de zekerheid had dat ook de hoofdzaak door dezelfde rechter zou worden behandeld, is het verzoek tijdig gedaan. Het verzoek is derhalve ontvankelijk.

6.2. Ter beoordeling van de wrakingskamer ligt vervolgens de vraag voor of de kantonrechter blijk heeft gegeven van partijdigheid dan wel de schijn van partijdigheid heeft gewekt. Daartoe wordt als volgt overwogen. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6 lid 1 EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

6.3. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing van de hoofdzaak te onthouden, omdat rechtzoekenden in het rechterlijke apparaat vertrouwen moeten kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

6.4. De door verzoekster aangevoerde feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder 3. weergegeven geven geen grond te vrezen dat het deze rechter aan onpartijdigheid ontbreekt noch is ten aanzien van haar de schijn van partijdigheid gewekt. Uit de enkele omstandigheid dat de rechter reeds een (voorlopig) inhoudelijk oordeel heeft gegeven in het vonnis in het incident met betrekking tot de hoofdzaak, valt niet een objectief gerechtvaardigd vermoeden af te leiden dat zij bij de beoordeling van de hoofdzaak niet onpartijdig zal zijn. Het is inherent aan de aard van een rechterlijke beslissing in een incident, dat met die beslissing een voorlopige blik kan worden geworpen op de hoofdzaak. Dat betekent echter nog niet dat het stelsel van hoor en wederhoor wordt geschonden of dat de rechter vooringenomen is. In het algemeen zal in de hoofdzaak, na verdere standpuntuitwisseling tussen partijen, alsnog ten gronde worden beslist waarbij de rechter niet is gebonden aan haar voorlopige beslissing in het incident.

6.5. De rechtbank merkt hierbij nog op dat, gelet op de achterliggende gedachte bij het wrakingsincident - te waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid of de schijn van rechterlijke partijdigheid - in een wrakingsprocedure niet kan worden opgekomen tegen onwelgevallige (proces)beslissingen. Het is immers niet de taak van

de wrakingskamer om te beoordelen of deze beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende motiveringen inhoudelijk juist zijn, maar om te onderzoeken of deze beslissingen en motiveringen feiten en omstandigheden opleveren waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Dat is niet het geval.

6.6. Derhalve zal als volgt worden beslist.

6. De beslissing

De wrakingskamer:

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:

• verzoekster p/a haar advocaat mr. O.J. Praamstra;

• verweerder in de hoofdzaak p/a zijn advocaat mr. A.C.M. Verhoeven;

• de kantonrechter mr. G.M.A. van Zaltbommel-Uittenbogaard;

Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2012 door mr. G.P. Verbeek, voorzitter, en mrs. K.M. Braun en H.M.D. de Jong, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Schreuder als griffier.