Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX2213

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
20-07-2012
Zaaknummer
AWB 12/3817 WVW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

CBR. Nieuwe Regeling niet gunstiger. Verzoeker had überhaupt niet aan het wegverkeer deel moeten nemen. Op goede gronden een onderzoek naar de geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/3817 WVW

uitspraak ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker], te [plaats],

(gemachtigde: mr. B.D.W. Martens),

ten aanzien van het besluit van 14 februari 2012 (gerectificeerd op 16 maart 2012) van de

Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder, waarbij aan verzoeker een onderzoek naar de geschiktheid is opgelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 27 maart 2012 een bezwaarschrift bij verweerster ingediend. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter, bij brief van 8 mei 2012, verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 19 juni 2012 ter zitting behandeld.

Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Namens verweerster is verschenen mr. S.J.M. van der Ark.

I Overwegingen

1.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2.1 Op 4 februari 2012 is door de Politie Haaglanden aan verweerster de mededeling ex artikel 130 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) gedaan van het vermoeden dat verzoeker niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën waarvoor zijn rijbewijs is afgegeven. Dit naar aanleiding een geconstateerd adem-alcoholgehalte van 430 µg/l op 2 februari 2012. Voorts is op 5 januari 2008 een adem-alcoholgehalte van 410 µg/l geconstateerd en op 16 mei 2008 een adem-alcoholgehalte van 330 µg/l.

2.2 In het bestreden besluit heeft verweerster verzoeker de verplichting opgelegd mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid (hierna: het onderzoek) op grond van artikel 131 WVW, artikel 6, eerste lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (hierna: de Regeling) en artikel 8, tweede lid, van de Regeling. Aan verzoeker is geen Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (hierna: EMA) opgelegd aangezien hij in de afgelopen vijf jaar reeds aan een EMA heeft deelgenomen en derhalve niet nogmaals in aanmerking komt voor een EMA.

2.3 Bij de mededeling heeft de politie processen-verbaal overgelegd. Uit de processen-verbaal volgt, kort samengevat, dat een verbalisant heeft waargenomen dat verzoeker met zijn auto uit de parkeergarage onder het Plein, te Den Haag, kwam rijden en rechtsaf de Korte Vijverberg op reed. Vervolgens bracht verzoeker zijn voertuig tot stilstand, reed achteruit en parkeerde hij zijn voertuig op een invalidenparkeerplaats.

2.4 Verzoeker heeft de kosten van het onderzoek tijdig betaald. Het onderzoek heeft verzoeker nog niet ondergaan.

3 Verzoeker stelt zich primair op het standpunt dat het bestreden besluit ten onrechte is gebaseerd op de oude Regeling, het besluit mist daarmee wettelijke grondslag en dient om die reden vernietigd te worden.

Voorts stelt verzoeker zich op het standpunt dat uit het proces-verbaal valt op te maken dat hij in het geheel niet de intentie heeft gehad om onder invloed van alcohol deel te nemen aan het verkeer. Verzoeker heeft zijn auto uit de parkeergarage gehaald, niet zijnde de openbare weg, in afwachting van een reeds bestelde RENT-A-BOB. Uit het feit dat verzoeker een RENT-A-BOB had besteld volgt dat hij zijn verantwoordelijkheid heeft genomen om niet deel te nemen aan het verkeer. Om die reden dient te worden afgezien van het onderzoek.

Ten slotte stelt verzoeker dat, gelet op de geldende Regeling, in plaats van het onderzoek een Lichte educatieve maatregel alcohol (hierna: LEMA) zou moeten worden opgelegd.

4 Verweerder voert in verweer aan dat het overgangsrecht van toepassing is aangezien twee van de drie overtredingen dateren van vóór 1 december 2011. Verzoeker heeft reeds in 2008 deelgenomen aan een EMA en komt derhalve niet nogmaals in aanmerking voor een (L)EMA.

Uit het proces-verbaal blijkt dat verzoeker zijn voertuig heeft bestuurd op de openbare weg, daarbij is niet bepalend of sprake is van een overtreding op de openbare weg of op privé terrein. De omstandigheid dat verzoeker een RENT-A-BOB had besteld doet en slechts enkele meters heeft gereden doet niet af aan het feit dat verzoeker met een te hoog alcoholpercentage op heeft gereden en dat derhalve een vermoeden van ongeschiktheid bestaat.

5.1 Ingevolge artikel 7, aanhef en onder a van de Regeling zoals die geldt vanaf 1 november 2011 besluit het CBR tot een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer indien bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰, maar lager is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰.

5.2 Ingevolge artikel 8, aanhef en onder d van de Regeling zoals die geldt vanaf 1 november 2011 komt betrokkene niet in aanmerking voor de lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer indien hij de afgelopen vijf jaar aan een educatieve maatregel alcohol en verkeer heeft deelgenomen.

5.3 Ingevolge artikel 17, aanhef en onder d van de Regeling zoals die geldt vanaf 1 november 2011 besluit het CBR dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan het alcoholslotprogramma indien ten aanzien van betrokkene binnen een periode van vijf jaar tenminste drie maal proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van de wet, waarbij bij één van die verdenkingen een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰, dan wel 88 µg/l, respectievelijk 0,2‰ indien een van de feiten is begaan als beginnende bestuurder, of waarbij hij ten minste eenmaal heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in dat artikel.

5.4 Ingevolge artikel V van de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994 (aanpassing Vorderingsprocedure en invoering alcoholslotprogramma) worden mededelingen die zijn gebaseerd op een of meer overtredingen van het bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 of de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften strafbaar gestelde die zijn geconstateerd vóór de datum van inwerkingtreding van artikel I van deze wet, behandeld overeenkomstig de bepalingen zoals die golden voor de inwerkingtreding van artikel I.

5.5 Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (hierna: de Regeling), zoals die gold tot 1 november 2011, besluit het CBR tot oplegging van een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer indien betrokkene binnen een periode van vijf jaar meermalen is aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 8, eerste, tweede of derde lid, van de wet, waarbij bij één van de aanhoudingen een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8 ‰.

5.6 Ingevolge artikel 8, tweede lid, aanhef en onder c van de Regeling zoals die gold tot 1 november 2011 komt betrokkene niet in aanmerking voor de Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer indien hij de afgelopen 5 jaar reeds eerder aan de Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer heeft deelgenomen.

5.7 Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e van de Regeling zoals die gold tot 1 november 2011 besluit het CBR dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet indien betrokkene op grond van artikel 8, tweede lid, niet in aanmerking komt voor een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer.

6.1 De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verzoeker is in de afgelopen vijf jaar drie maal aangehouden waarbij een te hoog adem-alcoholgehalte is geconstateerd, te weten op 2 februari 2012, op 5 januari 2008 en op 16 mei 2008. In 2008 heeft verzoeker deelgenomen aan een EMA. Aangezien twee van de drie aanhoudingen dateren van vóór 1 november 2011 is ingevolge artikel V van de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994 (aanpassing Vorderingsprocedure en invoering alcoholslotprogramma) de Regeling zoals die gold tot 1 november 2011 van toepassing.

6.2 Met betrekking tot verzoekers stelling dat de Regeling zoals die geldt na 1 november 2011 op hem van toepassing is omdat deze Regeling voor hem gunstiger is en dat hij in dat geval een LEMA opgelegd zou moeten krijgen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Indien verzoeker enkel op 2 februari 2012 zou zijn aangehouden, waarbij een adem-alcoholgehalte van 430 µg/l is geconstateerd, dan zou hij in aanmerking zijn gekomen voor een LEMA. Echter bij het opleggen van de maatregel wordt, tot vijf jaar terug, ook gekeken naar eerder geconstateerde overtredingen. Nu verzoeker op 5 januari 2008 en op 16 mei 2008 met een adem-alcoholgehalte van respectievelijk 410 µg/l en 330 µg/l is aangehouden zou, ingevolge artikel 17, aanhef en onder d van de Regeling zoals die geldt na 1 november 2011, verzoeker zich hebben dienen te onderwerpen aan een alcoholslotprogramma, hetgeen geen gunstigere regelgeving is. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn stelling dat dit artikel alleen van toepassing is op beginnende bestuurders en personen die hebben geweigerd deel te nemen aan een onderzoek naar het adem-alcoholgehalte.

6.3 Verzoekers stelling dat hij, gelet op het feit dat hij een RENT-A-BOB had besteld, geheel niet de intentie heeft gehad om onder invloed van alcohol aan het wegverkeer deel te nemen, kan de voorzieningenrechter niet volgen aangezien vast staat dat verzoeker zijn auto zelf uit de parkeergarage heeft gereden en hij enkele meters op de openbare weg heeft gereden. Verzoeker had, zoals hij ook ter zitting heeft erkend, überhaupt niet aan het wegverkeer moeten deelnemen en de RENT-A-BOB zijn auto ook uit de parkeergarage moeten laten rijden.

7 Gelet op het voorgaande heeft verweerster naar het oordeel van de voorzieningenrechter op goede gronden verzoeker een onderzoek naar zijn geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen opgelegd.

8 Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt derhalve afgewezen.

9 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de voorzieningenrechter niet gebleken.

II Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

De uitspraak is gedaan door mr. A.H. Bergman, rechter, in aanwezigheid van

mr.drs. C.M.A. Demetriadis, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.