Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX2190

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-07-2012
Datum publicatie
20-07-2012
Zaaknummer
09-758539-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag, meermalen gepleegd. Verdachte heeft met een pistool een aantal malen geschoten op [Y] en [X]. Hij deed dit naar aanleiding van een eerder conflict met [Y] en twee Marokkaanse jongens, waarbij laatstgenoemden zich overigens evenmin onbetuigd hebben gelaten van zeer gewelddadig handelen. De schietpartij vond plaats tijdens een zeer druk bezocht strandfeest, waarbij er grote paniek ontstond onder de vele (1400 tot 2000) feestgangers. [X] - nota bene de persoon die op het moment dat verdachte in elkaar werd geslagen heeft ingegrepen - is hierbij zeer ernstig gewond geraakt in zijn buik, met spoed naar het ziekenhuis gebracht en tot op heden twee keer geopereerd. Het mag een bijzonder toeval worden genoemd dat [Y] noch de overige omstanders zijn getroffen. De manier waarop verdachte heeft gemeend met [Y] (en haar vriend en broer) te moeten afrekenen, getuigt van een geringschatting van haar lichamelijke integriteit alsmede haar leven, waarbij verdachte de risico's voor de omstanders op stuitende wijze op de koop toe heeft genomen. Gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/758539-11

Datum uitspraak: 19 juli 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats]

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Noord Holland Noord-HvB Zwaag" te Zwaag.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 5 juli 2012.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.P. Peters en van hetgeen door de raadsvrouwe van verdachte mr. A.N. Slijters, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 10 juli 2011 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [X] van het leven te beroven, opzettelijk met een met een pistool, in elk geval een vuurwapen een (aantal) kogel(s) heeft afgevuurd op of in de richting van het bovenlichaam van die [X], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 juli 2011 te 's-Gravenhage, aan een persoon genaamd [X], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (schotwond in buik), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een pistool, althans een vuurwapen meermalen, althans eenmaal, in zijn buik te schieten;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 10 juli 2011 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om (telkens) opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade een of meer perso(o)n(en) genaamd [Y] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (telkens) opzettelijk en al dan niet na rustig overleg en kalm beraad met een pistool, in elk geval met een vuurwapen meermalen, althans eenmaal, (telkens) in de richting van die [Y] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 303 Wetboek van Strafrecht

art 302 Wetboek van Strafrecht

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 juli 2011 te 's-Gravenhage, [Y] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een pistool, in elk geval met een vuurwapen meermalen, althans eenmaal, (telkens) in de richting van die [Y] heeft geschoten

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. Bewijsoverwegingen

3.1 Inleiding

In de avond van 10 juli 2011 vond bij strandtent '[strandtent]' te Scheveningen ('s-Gravenhage) het drukbezochte feest '[naam feest]' plaats. Tijdens dit feest ontstond er onenigheid tussen een aantal Antillianen enerzijds en een vrouw, aangeefster [Y], in gezelschap van twee Marokkaans uitziende mannen anderzijds. Omstreeks 22.51 uur vond er een schietpartij plaats, waarbij een slachtoffer, aangever [X], ernstig gewond is geraakt. Uit uitgebreid opsporingsonderzoek van de politie is verdachte naar voren gekomen als mogelijke schutter van voornoemde schietpartij. Verdachte heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging doodslag van [X] (feit 1 primair) dan wel het plegen van zware mishandeling van [X] (feit 1 subsidair) en een poging tot moord ten aanzien van [Y], dan wel een poging tot doodslag van [Y] (feit 2 primair), subsidiair een bedreiging van [Y] met enig misdrijf tegen het leven gericht, dan wel met zware mishandeling (feit 2 subsidiair).

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1 primair:

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de poging tot doodslag van [X].

Feit 2 primair:

De officier van justitie acht tevens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 2 primair ten laste gelegde poging tot moord op [Y].

3.3 Het standpunt van de verdediging

Feit 1 primair en subsidiair:

De raadsvrouwe van verdachte heeft vrijspraak van de onder feit 1 ten laste gelegde poging tot doodslag, dan wel de zware mishandeling van [X] bepleit, nu het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. De verklaringen van de getuigen die [verdachte], al dan niet op basis van een foto, als de schutter aanwijzen zijn onbetrouwbaar en kunnen derhalve niet dienen tot het bewijs. Voorts heeft zij bepleit dat het opzet van de schutter niet was gericht op het doden of verwonden van [X].

Feit 2 primair:

De raadsvrouwe van verdachte heeft eveneens vrijspraak van de onder feit 2 primair ten laste gelegde poging tot moord, dan wel poging tot doodslag van [Y] bepleit, nu ook de getuigenverklaringen die daarop betrekking hebben onbetrouwbaar zijn en het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Zij heeft voorts bepleit dat er sprake was van een absoluut ondeugdelijke poging van de schutter, omdat het wapen blokkeerde.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging1

Ten aanzien van de getuigen [getuige 1] ([getuige 1]) en [getuige 2] ([getuige 2]) heeft de raadsvrouwe van verdachte aangevoerd dat zij beiden bij de rechter-commissaris hebben verklaard dat zij op een locatie stonden, vanwaar zij de schietpartij niet hebben kunnen zien. Voorts is duidelijk dat zij niet hebben gezegd dat zij verdachte hebben zien schieten. Ook is uit de opname van het verhoor van [getuige 1] gebleken dat het proces verbaal van verhoor bij de politie op dit punt onjuist is, aldus de raadsvrouwe.

De rechtbank overweegt hierover dat [getuige 1] direct na het incident tegenover verbalisanten heeft verklaard dat zij bij de uitgang stond en de schutter, over een hek heen hangende, had gezien, dat zij de schutter bij naam kende, dat hij [bijnaam 1] heet en op de [straat] te [woonplaats] woonde en een oudere broer heeft die [bijnaam 2] wordt genoemd. Vervolgens heeft de politie daags na het schietincident telefonisch contact met haar waarin zij herhaalt wat ze de avond ervoor heeft gezegd en voorts het telefoonnummer geeft van haar zus [getuige 2] die meer over [bijnaam 1] zou kunnen verklaren. De politie neemt vervolgens telefonisch contact op met [getuige 2], die eveneens verklaart dat zij bij de uitgang stond en [bijnaam 1], van wie zij een signalement opgeeft, heeft zien schieten. Zij verklaart voorts dat ze het heel moeilijk vindt om te verklaren, omdat zij de schutter kent en niet goed weet wat ze hiermee moet doen en dat ze eerst wil nadenken of ze een verklaring wil afleggen. [getuige 1] verschijnt vervolgens diezelfde middag bij de politie en geeft aan dat zij het moeilijk vindt om te verklaren en te tekenen, omdat zij bang is voor de gevolgen.

[getuige 1] en [getuige 2] hebben dus allebei eerst een duidelijke verklaring tegenover de politie afgelegd en vervolgens allebei hun twijfels geuit omtrent het afleggen van een nadere, formele verklaring. Bij de rechter-commissaris hebben zij beiden verklaard dat zij blijven bij de hierboven omschreven verklaringen, maar verklaren zij ook dat zij de schutter niet hebben zien schieten en dat zij op een plek stonden waar zij de schutter ook helemaal niet konden zien. De rechtbank acht dit laatste, mede ook gelet op de door [getuige 1] en [getuige 2] geuite twijfels over het afleggen van een verklaring ongeloofwaardig. Zij wordt daarin gesterkt door het feit dat [getuige 2] in eerste instantie op de plattegrond aankruist dat zij - zoals zij tegen de politie heeft verklaard - tijdens het schietincident dichtbij de uitgang heeft gestaan, op een plek waar de schutter zichtbaar was en pas in tweede instantie, nadat zij was geconfronteerd met de verklaring van haar zus, een geheel andere plek aankruist. De rechtbank zal de processen-verbaal van bevindingen, waarin de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] zijn opgenomen, bezigen tot het bewijs.

De raadsvrouwe heeft voorts aangevoerd dat getuigen verdachte hebben aangewezen als schutter op basis van één en dezelfde foto van verdachte, die via internet werd verspreid. Deze onbetrouwbare herkenningen zijn onvoldoende om een veroordeling op te baseren.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Mocht het al zo zijn dat getuigen zijn beïnvloed in hun verklaringen door de rondgestuurde foto van verdachte, dan nog laat dit onverlet dat een aantal getuigen in grote lijnen gelijkluidend heeft verklaard over de betrokkenheid van de schutter bij de eerdere vechtpartij met de Marokkaanse jongens, waarvan verdachte heeft bevestigd dat hij daarbij betrokken is geweest. Dat de voornoemde getuigen verdachte tevens herkennen op een foto, zal de rechtbank dan ook buiten beschouwing laten.

Uit het dossier leidt de rechtbank de volgende redengevende feiten en omstandigheden af.

Aantreffen munitie en onderzoek NFI:

Er zijn twee hulzen op de plaats delict aangetroffen.2 Door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is onderzoek aan de hulzen ingesteld en is geconcludeerd dat het waarschijnlijker is dat de hulzen zijn verschoten met één en hetzelfde vuurwapen dan dat de hulzen zijn verschoten met twee vuurwapens van hetzelfde kaliber.3

Verklaring aangever [X]:

[X] heeft verklaard dat hij zich op 10 juli 2011 in de strandtent '[strandtent]' te Scheveningen bevond. Hij zag dat een Antilliaanse jongen begon te vechten met twee Marokkanen. Hij zag dat er ook een vrouw bij hoorde.4 De Antilliaan was rond de 20 jaar oud en had niet zo'n hele diepe donkere huidskleur. De Antilliaan werd in zijn gezicht geslagen en getrapt, op een dergelijke manier dat hij er zeker verwondingen aan over heeft moeten houden. [X] heeft echter geen verwondingen waargenomen. De Antilliaanse jongen werd op een gegeven moment 'helemaal lens' geslagen door de Marokkanen, waarop [X] heeft ingegrepen en de jongens uit elkaar heeft gehaald.5 De vechtpartij vond plaats in een verbindingsgang tussen twee feestzalen.6 De Antilliaanse jongen is daarna weggerend in de richting van de in- en uitgang. Een kwartier na de vechtpartij, is [X] naar de in- en uitgang gelopen. Hij zag plotseling een donkere persoon boven het hek uitkomen, die ging schieten. [X] zag en hoorde twee keer een vlam met tegelijk een knal en voelde direct een scherpe brandende pijn in zijn buik.7 [X] heeft zes dagen in het ziekenhuis gelegen, waarbij een kogel uit zijn lichaam is verwijderd.8 [X] heeft de schutter die hem heeft neergeschoten, herkend als de Antilliaanse jongen die in elkaar werd geslagen.9

Verklaring [getuige 3]:

[getuige 3] heeft gezien dat er in het verbindingsgangetje tussen twee feesttenten een vechtpartij plaatsvond tussen Marokkaanse jongens en één Antilliaanse jongen, die hij na een vechtpartij eerder die avond had zien weggaan. [X] heeft de vechtpartij proberen te sussen. Er waren meer mensen die zich met die vechtpartij bemoeiden, mensen die bij de Noord-Afrikanen hoorden. Zij gooiden ook met een flesje richting de Antilliaan. Er waren op dat moment geen mensen bij de Antilliaan. Hij was toen echt alleen. Tijdens de vechtpartij keek hij de Antilliaan in zijn gezicht.10 Uiteindelijk is de Antilliaanse jongen weer naar buiten gegaan. Ongeveer 15 minuten later zag [getuige 3] dat die Antilliaanse jongen terug kwam en op het hek klom. Hij zag dat de Antilliaanse jongen een pistool in zijn rechterhand had en in het wilde weg begon te schieten. [getuige 3] stond ongeveer op vijf of zes meter bij de schutter vandaan. De Antilliaanse jongen was lang, ongeveer 22 tot 23 jaar oud en gekleed in een donkerkleurige spijkerbroek en donkerkleurig shirt.11

Verklaring aangeefster [Y]:

[Y] heeft verklaard dat zij samen met haar broertje en haar vriend, [vriend van Y], bij de strandtent '[strandtent]' aanwezig was. Zij heeft een woordenwisseling gekregen met een Antilliaan. Een andere Antilliaan is zich met de ruzie gaan bemoeien. Aangeefster heeft deze Antilliaan een stomp in zijn gezicht gegeven. De Antilliaanse mannen zijn door portiers uit de strandtent gezet.

Later op de avond zag [Y] een groep van drie Antillianen staan en is er een gevecht ontstaan tussen [vriend van Y] en één Antilliaanse man, die zij had horen zeggen "Dat is haar." Het betrof een lange Antilliaanse man met een blauwe spijkerbroek en zwarte jas. De man was kaal en had een grote neus.12 Portiers hebben [vriend van Y] en de Antilliaanse man met de grote neus naar de uitgang meegenomen. [Y] is bij de ingang door haar broer meegetrokken naar een bankje. Zij hoorde daar schoten van een wapen. [Y] werd op dat moment door haar broertje omlaag gedrukt, omdat hij haar wilde beschermen. [Y] kwam daardoor met haar rug op het bankje te liggen, waardoor haar gezicht naar boven was gericht. Boven zich zag zij een arm met een zwarte mouw en een pistool over het hek komen. Zij herkende de Antilliaanse man met de grote neus van de tweede vechtpartij die bij '[strandtent]' had plaatsgevonden. Na het derde schot zag de Antilliaanse man [Y] achter het hek zitten.13 De Antilliaanse man keek [Y] recht in haar ogen aan en richtte het pistool op haar. [Y] zag dat de man met zijn wijsvinger de trekker overhaalde en hoorde dat het vuurwapen leeg was. [Y] verklaart ten slotte dat zij via via heeft gehoord dat de bijnamen van de schutter [bijnaam 3], [bijnaam 4] en [bijnaam 5] zijn.14

Verklaring getuige [vriend van Y]:

[vriend van Y] heeft verklaard dat er die avond een incident plaatsvond had plaatsgevonden tussen zijn vriendin [Y] en twee onbekende jongens waarbij zijn vriendin was uitgescholden en een onbekende jongen een klap in zijn gezicht had gegeven. Die jongens werden eruit gezet. Later die avond zei een andere jongen: "Daar zijn ze". Zijn vriendin reageerde daarop en het liep uit op een gevecht tussen hem en de jongen. Het was een lange - in ieder geval langer dan 1.82 m -, negroïde jongen met een spijkerbroek en een zwarte jas. Er was nog een andere jongen bij hem maar die deed niets en is er ook niet uitgezet. Die jongen was ook een negroïde jongen, stevig gebouwd, ongeveer 1,78 m en had een witte blouse aan. Na het vechtincident zocht hij zijn vriendin en zag dat zij met haar broertje op een bankje zat. Op dat moment zag hij de lange jongen van het vechtincident over het hek hangen met iets in zijn rechterhand. [vriend van Y] hoorde schoten en is weggedoken achter het hek. Hij hield zijn vriendin in de gaten en zag dat diezelfde jongen het wapen op zijn vriendin richtte. De jongen probeerde de trekker over te halen, maar die blokkeerde.15

Verklaring getuige [getuige 4]:

Getuige [getuige 4] liep omstreeks 23.00 uur met een vriend naar beneden bij de strandafgang in de richting van strandtent '[strandtent]'. Tegelijk met getuige en zijn vriend liep er een Antilliaanse jongen sneller naar beneden. De jongen keek woest en keek erg gefocust naar beneden, richting '[strandtent]'. De jongen had een wondje aan de rechterkant van zijn gezicht, boven zijn neus. [getuige 4] zag de jongen staan naast de ingang van '[strandtent]'. [getuige 4] zag de jongen eerst over het hek kijken en vervolgens over het hek klimmen, terwijl hij in zijn rechterhand een pistool vast hield. [getuige 4] hoorde twee tot drie knallen.16 De Antilliaanse jongen was tussen de 21 en 26 jaar oud en tussen de 1.80 meter en 1.90 meter lang. De jongen droeg een zwart leren jasje en een spijkerbroek.17

Verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]:

Omstreeks 23.20 uur kwamen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ter plaatse bij strandtent '[strandtent]', omdat daar een vechtpartij tussen Antillianen bezig zou zijn, waarbij zou zijn geschoten. Een vrouw, welke later genaamd bleek te zijn [getuige 1], verklaarde tegen verbalisant [verbalisant 1] dat zij bij de uitgang stond en de schutter, over een hek heen hangende, had gezien. Zij verklaarde de schutter bij naam te kennen. De schutter was volgens haar genaamd '[bijnaam 1]' en woonachtig op de [straat] te [woonplaats]. Tevens verklaarde zij dat de schutter ook een oudere broer genaamd '[bijnaam 2]' heeft. 18

Op 11 juli 2011 heeft verbalisant [verbalisant 3] telefonisch contact opgenomen met [getuige 1]. Zij verklaarde desgevraagd dat er eerder op de avond al problemen waren geweest met de jongen die later geschoten heeft. Zij kent de jongen via haar zus. Zij herkende de schutter meteen als de jongen die eerder problemen binnen had gehad. Zij kent de schutter als '[bijnaam 1]' die woonachtig is in [woonplaats]. [bijnaam 1] is ongeveer 21 jaar oud. Hij is groot en heeft een lichtgetinte huidskleur. Hij had in het verleden een gouden tand.

Vervolgens heeft verbalisant [verbalisant 3] telefonisch contact opgenomen met [getuige 2], die verklaarde dat zij op 10 juli 2011 met haar zus [getuige 1] op een feest in Scheveningen was geweest. Zij had gezien dat er problemen waren geweest waar [bijnaam 1] mee te maken had. Zij stond met haar zus bij de uitgang en zag [bijnaam 1] schieten. Zij kent [bijnaam 1] sinds een jaar.19

Verklaring [getuige 5]:

Getuige [getuige 5] heeft bij de politie verklaard dat het een man is met een Antilliaans uiterlijk, smal postuur, plat geschoren haar en een dikke neus. Hij was verder donker gekleed.20 Bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat hij de schutter goed heeft kunnen zien, want hij stond ongeveer drie tot vier meter van de schutter vandaan. De schutter schoot naar beneden in de richting van de twee Marokkaanse jongens en het meisje, maar kon kennelijk niet helemaal goed over het hek heenbuigen. [getuige 5] heeft voorts verklaard dat [getuige 1] na de schietpartij naar hem is toegekomen en heeft gezegd dat zij wist wie de schutter was en hoe hij heette. Zij heeft zelf tegen [getuige 5] gezegd dat de schutter [bijnaam 1] heette.21

Onderzoek van de politie:

Naar aanleiding van de naar voren gekomen signalementen, heeft de politie [korps woonplaats verdachte] de naam van verdachte [verdachte] verstrekt. [verdachte] zou staan ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats]. De [straat adres] is een zijstraat van de [straat] in [woonplaats]. De bijnaam van [verdachte] zou zijn '[bijnaam 1]' of '[bijnaam 5]'. Hij heeft een tatoeage met de letters [...] en een broer met als bijnaam '[bijnaam broer]'. In het politie herkenningssysteem kwam de code 'tanden goud/zilverkleurig' bij [verdachte] naar voren.22

Verklaring verdachte ter terechtzitting:

Tijdens de terechtzitting van 5 juli 2012 heeft verdachte een verklaring afgelegd. Verdachte heeft onder meer verklaard dat hij op 10 juli 2011 met zijn broer [broer] en een vriend naar voornoemd feest in Scheveningen is geweest. Zijn vriend kreeg op een gegeven moment een discussie met een Marokkaanse jongen en een meisje. Verdachte heeft gezegd dat de Marokkaanse jongen rustig aan moest doen. Zijn broer kwam er ook bij en kreeg meteen een klap van deze Marokkaanse jongen, waardoor zijn broer een bloedneus opliep. Verdachte en zijn broer zijn vervolgens naar buiten gegaan. Na drie kwartier tot een uur is verdachte zonder zijn broer terug naar binnen gegaan en heeft zich aangesloten bij kennissen. Verdachte heeft verklaard dat het meisje, waar hij eerder ruzie mee had gehad, naar hem toe kwam en met een fles gooide. Dit deed pijn aan zijn hoofd. Verdachte is ook geslagen door de Marokkaanse jongens, maar anderen werden ook geslagen. Hij werd vastgepakt door een man en is naar buiten gegaan. Na het gevecht is verdachte in een auto naar [woonplaats] gegaan. Verdachte wil niet verklaren met welke personen hij zich in de auto bevond. Verdachte weet dat er iemand heeft geschoten, maar wil niet verklaren over anderen.

Verdachte heeft verklaard dat hij die avond geen donkere kleding droeg, maar een kaki pantalon, blauwe loafers en een zalmkleurig shirt van Yves Saint Laurent. Verdachte heeft een tatoeage met de letters [...] op zijn onderarm.

Uit bovengenoemde bewijsmiddelen concludeert de rechtbank het volgende.

Op de bewuste avond heeft er een incident plaatsgevonden tussen aangeefster [Y] en de broer van verdachte, waarbij verdachte slechts zijdelings betrokken was. Verdachte en zijn broer hebben hierop het feestterrein verlaten, maar verdachte is later terug naar binnen gegaan.

Vervolgens vindt er weer een vechtpartij plaats, waarbij één Antilliaanse jongen die eerder die avond was weggegaan betrokken is. Hij wordt in elkaar geslagen door getuige [vriend van Y] en een andere Marokkaan en er wordt met een fles in de richting van die Antilliaanse jongen gegooid. Aanleiding voor dit gevecht is een opmerking van die Antilliaan richting aangeefster [Y] in de trant van "Dat is haar". Ook hieruit maakt de rechtbank op dat deze Antilliaan weet heeft van het eerder genoemde incident tussen aangeefster [Y] en de broer van verdachte.

Door alle getuigen die zowel de jongen die in elkaar werd geslagen als de schutter hebben gezien, wordt verklaard dat het gaat om één en dezelfde persoon. Daarbij komt dat de getuigen in grote lijnen hetzelfde signalement opgeven. Het betrof grofweg een lange, jonge, Antilliaanse man, met een donkere jas en spijkerbroek en een opvallend grote neus. Dit signalement wordt ook door getuige [getuige 4], die overigens niet aanwezig was op het feest, omschreven. Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat de schutter vóór de schietpartij langs hem liep. [getuige 4] heeft toen een verwonding in het gezicht van verdachte waargenomen en had de indruk dat verdachte terug ging om te vechten, hetgeen passend is bij de verklaring van onder meer getuige [X], die heeft verklaard dat verdachte kort daarvoor 'helemaal lens' was geslagen door de Marokkaanse jongens.

Verdachte past niet alleen in dit signalement, ook heeft hij ter terechtzitting verklaard dat hij het eerste incident heeft zien gebeuren en daarna samen met zijn broer het feestterrein heeft verlaten en daarna zonder zijn broer is teruggekomen. Voorts heeft hij verklaard dat hij bij de tweede vechtpartij geslagen is en dat er een fles naar hem is gegooid. Weliswaar heeft verdachte verklaard dat er op dat moment ook anderen werden geslagen, maar dat vindt geen steun in het dossier.

[getuige 1] en [getuige 2] hebben beiden verklaard dat zij '[bijnaam 1]' hebben zien schieten. [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard dat zij [bijnaam 1] al langere tijd kennen. Dit blijkt onder meer uit de wetenschap van [getuige 1] van verdachtes gouden tand, die hij thans niet meer heeft. De rechtbank acht het niet waarschijnlijk dat zowel [getuige 1] als [getuige 2] verdachte heeft verward met een andere persoon.

Ten slotte heeft verdachte, pas voor het eerst ter terechtzitting, verklaard dat hij direct na de (tweede) vechtpartij in een auto met anderen naar [woonplaats] is gereden. Verdachte wil echter geen namen noemen van personen die bij hem in de auto zaten. Tevens heeft verdachte verklaard dat hij weet wie er heeft geschoten, maar dat hij geen verklaring wil afleggen over anderen.

De rechtbank vindt het onaannemelijk dat verdachte, die zich reeds sinds oktober 2011 in voorlopige hechtenis bevindt op verdenking van zeer ernstige feiten, geen medepassagier bereid heeft gevonden om zijn verklaring te bevestigen, terwijl er zulke grote belangen op het spel staan. Tevens vindt de rechtbank het onaannemelijk dat verdachte wel zou weten wie de schutter is, maar over deze persoon geen verklaring wil afleggen, ten koste van zijn eigen positie. Verdachte heeft daarnaast ter terechtzitting verklaard dat hij geen donkere kleding droeg, maar een kaki pantalon, blauwe loafers en een zalmroze shirt. Deze verklaring acht de rechtbank eveneens ongeloofwaardig. Verdachte heeft immers bevestigd dat hij bij twee incidenten met de Marokkaanse jongens en het meisje betrokken was, maar geen van beiden heeft het over een Antilliaan met de door verdachte ter terechtzitting beschreven, toch redelijk opvallende, kleding.

Gezien het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier - de herkenning door getuigen van verdachte op (dezelfde) foto buiten beschouwing latend - blijkt van redengevende feiten en omstandigheden, waaruit kan worden afgeleid dat verdachte de schutter is geweest.

Voorts leidt de rechtbank uit voornoemde bewijsmiddelen af dat verdachte eerst over het hek heeft geschoten zonder op iemand in het bijzonder te richten. Hierdoor werd aangever [X] in zijn buik geraakt. Daarna heeft hij het pistool op aangeefster [Y] gericht en de trekker overgehaald, maar het wapen ging niet af.

Ten aanzien van aangever [X] acht de rechtbank voorwaardelijk opzet op de dood wettig en overtuigend bewezen. Door met een vuurwapen kogels af te vuren tijdens een drukbezocht evenement, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er iemand, in dit geval [X], dodelijk geraakt kon worden.

Ten aanzien van aangeefster [Y] overweegt de rechtbank dat gelet op de geringe afstand, waarop verdachte op het lichaam van die [Y] heeft proberen te schieten eveneens wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het opzet had om haar te doden. Van een absoluut ondeugdelijke poging is in onderhavig geval geen sprake, aangezien het pistool van verdachte wel degelijk functioneerde. Verdachte had immers al kogels uit het pistool afgevuurd, waarvan één aangever [X] heeft geraakt.

Hoewel verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het besluit om te schieten, zijn er naar het oordeel van de rechtbank indicaties dat verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, gelet op de fikse ruzie die kort voor de schietpartij plaatsvond, waarbij verdachte naar eigen zeggen op zijn hoofd is geslagen met een lege fles. De rechtbank acht daarom niet bewezen dat verdachte heeft gepoogd om met voorbedachte raad [Y] van het leven te beroven, zodat verdachte voor dit deel van feit 2 primair dient te worden vrijgesproken.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in onderling verband beschouwd, wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte heeft gepoogd om met voorbedachte raad [Y] van het leven te beroven, zodat verdachte voor dit deel van feit 2 primair dient te worden vrijgesproken.

3.5 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1 primair.

hij op 10 juli 2011 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [X] van het leven te beroven, opzettelijk met een pistool, een aantal kogels heeft afgevuurd op of in de richting van het lichaam van die [X], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 primair.

hij op 10 juli 2011 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om telkens opzettelijk een persoon genaamd [Y] van het leven te beroven, opzettelijk met een pistool, meermalen, in de richting van die [Y] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft geen expliciet verweer gevoerd betreffende de strafmaat.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende overwogen:

Verdachte heeft met een pistool een aantal malen geschoten op [Y] en [X]. Hij deed dit naar aanleiding van een eerder conflict met [Y] en twee Marokkaanse jongens, waarbij laatstgenoemden zich overigens evenmin onbetuigd hebben gelaten van zeer gewelddadig handelen. De schietpartij vond plaats tijdens een zeer druk bezocht strandfeest, waarbij er grote paniek ontstond onder de vele (1400 tot 2000) feestgangers. [X] - nota bene de persoon die op het moment dat verdachte in elkaar werd geslagen heeft ingegrepen - is hierbij zeer ernstig gewond geraakt in zijn buik, met spoed naar het ziekenhuis gebracht en tot op heden twee keer geopereerd. [X] ondervindt nog dagelijks veel pijn en hinder door het opgelopen letsel, zowel lichamelijk als geestelijk. Het mag een bijzonder toeval worden genoemd dat [Y] noch de overige omstanders zijn getroffen. De manier waarop verdachte heeft gemeend met [Y] (en haar vriend en broer) te moeten afrekenen, getuigt van een geringschatting van haar lichamelijke integriteit alsmede haar leven, waarbij verdachte de risico's voor de omstanders op stuitende wijze op de koop toe heeft genomen. Één van de omstanders is dan ook op bijna fatale wijze getroffen. Dergelijk buitensporig geweld in het uitgaansleven bewerkstelligt grote gevoelens van onveiligheid bij diegenen die er al dan niet direct mee worden geconfronteerd. Daarnaast heeft het handelen van verdachte ook vervelende gevolgen gehad voor de organisatoren van het feest en de strandtent waar het feest plaatsvond. Geplande feesten zouden zijn afgelast.

Ten aanzien van de persoon van verdachte merkt de rechtbank op dat uit het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 4 juli 2012 betreffende verdachte blijkt dat hij eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie en tevens in 2008 is veroordeeld voor een soortgelijk feit als de onderhavige feiten.

Het bovenstaande in overweging nemende, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, van na te melden duur, passend en geboden.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

45, 57, 287 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 primair en 2 primair:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) jaren;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Timmermans, voorzitter,

mrs. A.J.J.M. Weijnen en J.J. Peters, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.A.I. Hendricks, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 juli 2012.

mr. A.J.J.M. Weijnen is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van het proces-verbaal met het nummer PL1522 2011146261, van de regiopolitie Haaglanden, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 335).

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 december 2011, nummer PL1522 2011146261(blz. 262-267, 264)

3 Munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Den Haag op 10 juli 2011 d.d. 22 september 2011 (blz. 246-252)

4 Proces-verbaal verhoor aangever [X] d.d. 4 augustus 2011, nummer PL1522 2011146261-36 (blz. 59-65, 60)

5 Proces-verbaal verhoor aangever [X] d.d. 4 augustus 2011, nummer PL1522 2011146261-36 (blz. 59-65, 61); proces-verbaal verhoor aangever [X] bij de rechter-commissaris d.d. 19 juni 2012

6 Proces-verbaal verhoor aangever [X] bij de rechter-commissaris d.d. 19 juni 2012

7 Proces-verbaal verhoor aangever [X] d.d. 4 augustus 2011, nummer PL1522 2011146261-36 (blz. 59-65, 62)

8 Proces-verbaal verhoor aangever [X] d.d. 4 augustus 2011, nummer PL1522 2011146261-36 (blz. 59-65, 64)

9 Proces-verbaal verhoor aangever d.d. 19 augustus 2011, nummer PL1522 2011146261(blz. 67-69, 68); proces-verbaal verhoor aangever [X] bij de rechter-commissaris d.d. 19 juni 2012

10 Proces-verbaal verhoor [getuige 3] bij de rechter-commissaris d.d. 19 juni 2012

11 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3] d.d. 11 juli 2011, nummer PL1522 2011146261-15 (blz. 139-141)

12 Proces-verbaal verhoor aangever [Y] d.d. 12 augustus 2011, nummer PL1522 2011146261 (blz. 74-80, 76)

13 Proces-verbaal verhoor aangever [Y] d.d. 12 augustus 2011, nummer PL1522 2011146261 (blz. 74-80, 77)

14 Proces-verbaal verhoor aangever [Y] d.d. 12 augustus 2011, nummer PL1522 2011146261 (blz. 74-80, 78)

15 Proces-verbaal verhoor getuige [vriend van Y] d.d. 12 augustus 2011, nummer PL1522 2011146261 (blz. 199-202, 200,201)

16 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 4] d.d. 15 augustus 2011, nummer PL1522 2011146261 (blz. 203-207, 204)

17 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 4] d.d. 15 augustus 2011, nummer PL1522 2011146261 (blz. 203-207, 205)

18 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 juli 2011, nummer PL PL1522 2011146261-4 (blz. 92-95,93)

19 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 juli 2011, nummer PL PL1522 2011146261-11 (blz. 97-98)

20 Proces-verbaal van verhoor [getuige 5] d.d. 11 juli 2011

21 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] bij de rechter-commissaris d.d. 19 juni 2012

22 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 juli 2011, nummer PL1522 2011146261-20 (blz. 101-103)