Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX2172

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
20-07-2012
Zaaknummer
AWB 12/4386
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dat eiser weet waar zijn moeder in Somalië zich bevindt is geen reden af te zien van toepassing van artikel 15, derde lid van de Vo 343/2003 (zie AbRS 15 september 2010, 201000393/1/V3). Evenmin staat aan toepassing van artikel 15, derde lid, van de Vo 343/2003 in de weg dat eisers gestelde nicht geen asielzoeker is (zie AbRS 19 juli 2010, LJN: BN2228). Niet is gebleken dat het niet mogelijk is eiser met zijn nicht te herenigen of dat deze hereniging niet in het belang van eiser zou zijn.

Gezien het bovenstaande staat enkel de betwisting van de familieband door verweerder in de weg aan toepassing van artikel 15, derde lid, van de Vo 343/2003. Het besluit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/4386

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 juli 2012 in de zaak tussen

[eiser], V-nummer [nummer]

(gemachtigde: mr. V. Senczuk),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder

(gemachtigde: mr. A. J. Hakvoort).

Procesverloop

Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [datum] 1994 en de Somalische nationaliteit te bezitten. Hij verblijft als vreemdeling in Nederland. Op 9 september 2011 heeft hij een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Bij besluit van 8 februari 2012 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Bij brief van 8 februari 2012 heeft eiser tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. Gelijktijdig heeft eiser verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterweg te laten totdat op het beroep is beslist.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 29 februari 2012, 23 en 30 maart 2012 heeft eiser de gronden van het beroep en de voorlopige voorziening aangevuld.

Het beroep en de voorlopige voorziening zijn ter zitting behandeld op 4 april 2012. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigd mr. K.E. van der Lugt. Tevens waren ter zitting aanwezig A. Abdi, tolk in de Somalische taal, [A], voogd van eiser, en

[B], medewerker van Stichting Nidos, jeugdbescherming voor vluchtelingen, te Utrecht (Nidos). Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en de zaak verwezen voor behandeling door de meervoudige kamer.

Op 5 april 2012 heeft de rechtbank de voorlopige voorziening toegewezen (AWB 12/4388).

Bij brieven van 22, 24, 29 en 30 mei 2012 heeft eiser de gronden van beroep aangevuld.

Op 4 juni 2012 is het beroep opnieuw ter zitting behandeld. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. A.J. Hakvoort. Tevens waren ter zitting aanwezig A. Abdi, tolk in de Somalische taal, [A], voogd van eiser, en [B] en [C], medewerkers van Nidos.

Overwegingen

1 Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval is van toepassing Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van

18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (Vo 343/2003).

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Vo 343/2003, voor zover thans van belang, kan verweerder, in afwijking van het eerste lid, een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

Ingevolge artikel 15, derde lid, van de Vo 343/2003 herenigen de lidstaten, indien de asielzoeker een niet begeleide minderjarige is die in een andere lidstaat één of meer familieleden heeft die voor hem kunnen zorgen, indien mogelijk, de minderjarige met deze verwant(en), tenzij dit niet in het belang van de minderjarige is.

De Italiaanse autoriteiten hebben niet (tijdig) gereageerd op het terugnameverzoek van

16 november 2011, zodat Italië op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vo 343/2003 wordt geacht in te stemmen met terugname van eiser.

Ingevolge artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: IVRK) vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind een eerste overweging en verbinden de staten die partij zijn zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn.

Ingevolge artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) hebben kinderen recht op bescherming en zorg die nodig is voor hun welzijn en vormen de belangen van het kind bij alle handelingen in verband met kinderen de eerste overweging.

Ingevolge paragraaf C3/2.3.6.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 gaat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten principale vanuit dat de lidstaten de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waaraan de vreemdeling wordt overgedragen zijn internationale verplichtingen niet nakomt.

Het is in dat geval volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) aan eiser om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging door Italië van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM wordt weerlegd (zie onder meer de uitspraken van de ABRS van 30 oktober 2009, LJN BK2300, BK2240 en BK2296). Eerst indien hij daarin is geslaagd, kan verweerder niet langer volstaan met een algemeen beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel en is het aan hem om concreet te weerleggen dat eiser bedoelde risico's loopt.

Ingevolge paragraaf C3/2.3.6.3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 kan iedere lidstaat op grond van artikel 3, tweede lid, in samenhang met artikel 15 van de Vo 343/2003, ook wanneer hij met toepassing van de in de Vo 343/2003 vastgestelde criteria niet verantwoordelijk is voor de behandeling, gezinsleden en andere afhankelijk familieleden herenigen op humanitaire gronden, in het bijzonder op grond van familiebanden of op culturele gronden. In dat geval behandelt deze lidstaat op verzoek van een andere lidstaat het asielverzoek van de vreemdeling. De betrokken familieleden moeten hun instemming geven.

Van deze mogelijkheid wordt terughoudend gebruik gemaakt.

In paragraaf C3/2.3.6.3 van de Vc 2000 is voor minderjarigen, voor zover thans van belang, het volgende beleid vastgelegd.

Op grond van artikel 15, derde lid, Verordening 343/2003 herenigen de lidstaten, indien mogelijk, de minderjarige met verwant(en) die hij in een andere lidstaat heeft die voor hem kunnen zorgen, tenzij dit niet in het belang van de minderjarige is. Hierbij wordt opgemerkt dat indien de niet-begeleide minderjarige een gezinslid(leden) en/of familieleden heeft in het land van herkomst waardoor dus sprake is van opvang, de minderjarige in beginsel niet in aanmerking komt voor hereniging op grond van artikel 15 Verordening 343/2003 omdat het herenigen van het kind met het kerngezin als bedoeld in artikel 2 onder i van Verordening 343/2003 in het land van herkomst wordt geprefereerd indien dit mogelijk is.

Onder 'indien mogelijk' dient onder meer het volgende te worden verstaan:

a. er dient voldoende aannemelijk te zijn gemaakt, dan wel te zijn aangetoond dat er daadwerkelijk sprake is van familie (niet zijnde gezinslid als bedoeld onder artikel 2, onder i, Verordening 343/2003);

b. afhankelijk van de asielprocedure van het (de) familielid (-leden) hier te lande dient te worden bezien of de hereniging nog wel mogelijk is mede bezien in het licht van het belang van de niet-begeleide minderjarige.

Onder 'in het belang van de minderjarige' dient onder meer het volgende te worden verstaan:

a. de familieband dient te zijn aangetoond; immers het is niet in het belang van de minderjarige hem/haar te plaatsen bij iemand waarvan niet daadwerkelijk vaststaat dat het familie is;

b. er dient geen sprake te zijn van (een) familielid (-leden) waarvan het vermoeden bestaat dat er sprake is geweest van mishandeling (fysiek, mentaal dan wel seksueel) van de minderjarige door dit (deze) familielid (-leden);

c. het (de) familielid (-leden) kan (kunnen) de minderjarige voldoende zorg bieden; én

d. hetgeen hieromtrent is gesteld in het nationale beleid inzake Amv's (zie B14), voor zover van toepassing.

In artikel 12 van de Verordening 1560/2003 worden regels gesteld voor de situatie waarin een niet-begeleide minderjarige asielzoeker wordt toevertrouwd aan een ander familielid dan zijn vader, moeder of wettelijke voogd. De bepaling regelt de samenwerking tussen de verschillende betrokken autoriteiten.

2 Eiser heeft het volgende aangevoerd. Verweerder is ten onrechte uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder moet de asielaanvraag aan zich trekken, daar overdracht aan Italië (indirect) refoulement oplevert. Bij overdracht aan Italië zal eiser geen opvang en ook geen voogd krijgen en zal het voor hem niet mogelijk zijn een asielaanvraag in te dienen. Verweerder heeft ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de situatie van minderjarigen in Italië. Onduidelijk is of in Italië is onderkend dat eiser minderjarig is. In dit kader wordt verwezen naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, van 6 februari 2012 (AWB 12/843). Voorts beroept eiser zich op artikel 15, derde lid, van de Vo 343/2003, daar hij in Nederland verblijft bij zijn nicht en in Italië geen opvang heeft gekregen. In dit kader verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 28 oktober 2011 (AWB 11/7456). Voorts verwijst eiser naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Maastricht, van 2 november 2011 (AWB 11/23402 en 11/23401) en de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, van 21 maart 2012 (LJN: BV9892).

Dat eiser minderjarig is en lijdt aan hepatitis C maakt dat hij behoort tot de groep van kwetsbare personen zoals bedoeld in het rapport van Thomas Hammarberg van 7 september 2011. Ter zitting van 4 april 2012 heeft eiser een brief van 2 april 2012 van verschillende mensenrechtenorganisaties aan verweerder overgelegd, waarin vermeld is dat zonder vast adres er geen zorgverzekering en derhalve geen zorg in Italië beschikbaar is. Voorts verwijst eiser naar het rapport van Pro Asyl, Flüchtlinge im Labyrinth. Die vergebliche Suche nach Schutz im europäische Dublin-System, van 21 mei 2012, met name de pagina's 11,12 en 13.

3 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Ter zitting heeft verweerder primair aangegeven dat er geen toepassing is gegeven aan artikel 15, derde lid, van de Vo 343/2003 daar niet vaststaat dat eisers gestelde nicht werkelijk zijn nicht is. Subsidiair stelt verweerder dat ook indien er van wordt uitgegaan dat eisers gestelde nicht werkelijk zijn nicht is, er geen toepassing gegeven hoeft te worden aan artikel 15, derde lid, van de Vo 343/2004 daar de nicht van eiser geen asielzoeker is maar de Nederlandse nationaliteit bezit en eiser contact heeft met zijn moeder in Somalië. Dat eiser en zijn nicht niet afhankelijk van elkaar zijn wordt eiser niet langer tegengeworpen.

4 Ten aanzien van eisers stelling dat Nederland zijn asielverzoek aan zich moet trekken omdat hij hier een nicht heeft waarbij hij kan verblijven overweegt de rechtbank als volgt.

4.1 Ingevolge artikel 15, derde lid, van de Vo 343/2003 dient verweerder, indien mogelijk, een onbegeleide minderjarige vreemdeling, zoals eiser, te herenigen met zijn verwanten in één van de lidstaten, tenzij dit niet in het belang van het kind is. Het beleid van verweerder hieromtrent is neergelegd in paragraaf C3/2.3.6.3 van de Vc 2000. In dit beleid is bepaald dat indien de niet-begeleide minderjarige een gezinslid(leden) en/of familieleden heeft in het land van herkomst waardoor dus sprake is van opvang, de minderjarige in beginsel niet in aanmerking komt voor hereniging op grond van artikel 15 van de

Vo 343/2003. Bij uitspraak van 15 september 2010 (201000393/1/V3, www. raadvanstate.nl) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) geoordeeld dat het beleid van verweerder op dit punt in strijd is met artikel 15, derde lid, van de Vo 343/2003. Dat eiser weet waar zijn moeder in Somalië zich bevindt is derhalve geen reden af te zien van toepassing van artikel 15, derde lid van de Vo 343/2003. Evenmin staat aan toepassing van artikel 15, derde lid, van de Vo 343/2003 in de weg dat eisers gestelde nicht geen asielzoeker is. Bij uitspraak van 19 juli 2010 (LJN: BN2228) heeft de AbRS geoordeeld dat voor toepassing van artikel 15, derde lid, van de Vo 343/2003 niet de eis gesteld wordt dat het familielid van de minderjarige asielzoeker ook zelf asielzoeker moet zijn.

Niet is gebleken dat het niet mogelijk is eiser met zijn nicht te herenigen of dat deze hereniging niet in het belang van eiser zou zijn.

Gezien het bovenstaande staat enkel de betwisting van de familieband door verweerder in de weg aan toepassing van artikel 15, derde lid, van de Vo 343/2003.

4.2 Ten aanzien van deze betwisting van de familieband door verweerder oordeelt de rechtbank als volgt.

In het voornemen van 15 september 2011 staat er ten aanzien van de identiteit van de nicht en de relatie tot eiser enkel vermeld dat de nicht van eiser de Nederlandse nationaliteit heeft.

In het bestreden besluit staat vermeld dat eiser niet nader heeft gespecificeerd om welke persoon het precies gaat en in welke verblijfsrechtelijke situatie deze gestelde nicht in Nederland verblijft.

In de aanvullende gronden van 23 maart 2012 heeft eiser aangegeven dat de naam van zijn nicht [D] is en dat hij bij haar in [E] verblijft.

Op 29 maart 2012 heeft verweerder bij wijze van verweerschrift verwezen naar het bestreden besluit.

Als bijlage bij de aanvullende gronden van 22 mei 2012 heeft eiser een brief van zijn nicht overgelegd en een kopie van haar Nederlandse identiteitskaart.

Eerst ter zitting van 4 juni 2012 heeft verweerder de feitelijke familieband tussen eiser en zijn nicht betwist. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat, mede gelet op het verloop van de procedure, niet reeds uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de feitelijke familieband als zodanig betwist. Voorts heeft verweerder evenmin naar aanleiding van de door eiser overgelegde informatie over zijn nicht aan eiser duidelijk gemaakt dat de familieband als zodanig betwist wordt. Verweerder heeft derhalve onzorgvuldig gehandeld, door pas in een laat stadium van de procedure de feitelijke familieband te betwisten.

4.3 Gelet op het bovenstaande heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd en onderzocht of verweerder gehouden is het asielverzoek van eiser op grond van artikel 15, derde lid, van de Vo 343/2003 in behandeling te nemen.

Gelet op het vorenstaande dient het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel te worden vernietigd en dient het beroep gegrond te worden verklaard. Gezien het voorgaande behoeft hetgeen verder is aangevoerd geen bespreking.

5 Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond.

6 De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van €437,- en een wegingsfactor 1).

Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling aan de griffier te geschieden.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit van 8 februari 2012;

3. bepaalt dat verweerder binnen 10 weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 874,-- en bepaalt dat deze kosten aan de griffier worden betaald.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Pereira Horta, voorzitter, en mr. D. Biever en

mr. M.J.C. Dijkstra, leden, in aanwezigheid van mr. S. Rennen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).