Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX2124

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-06-2012
Datum publicatie
19-07-2012
Zaaknummer
420195 - KG ZA 12-553
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Het gevorderde bevel tot schorsing van tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van eiser wordt afgewezen. Weliswaar heeft het lang geduurd voor de tenuitvoerlegging van de straf van eiser is aangevangen, maar deze termijn is niet zodanig lang dat deze als onredelijk moet worden aangemerkt. Dat eiser in aanmerking komt voor strafonderbreking of strafvermindering is niet gebleken. Het ingediende gratieverzoek doet daar niet aan af, nu de conclusie dat dit verzoek hoogstwaarschijnlijk wordt ingewilligd voorshands niet gerechtvaardigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 420195 / KG ZA 12-553

Vonnis in kort geding van 21 juni 2012

in de zaak van

[eiser],

verblijvende te [Y.],

eiser,

advocaat mr. H. Loonstein te Amsterdam,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. J. Dijkgraaf te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als '[eiser]' en 'de Staat'.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 14 juni 2012 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 oktober 2004 is [eiser] veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaar (met aftrek van de tijd die in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht) vanwege - samengevat - het medeplegen van de uitvoer van XTC-pillen naar het buitenland. Ter zake van die feiten is [eiser] op 23 oktober 2003 aangehouden en in voorlopige hechtenis genomen. Het bevel tot voorlopige hechtenis is op 23 april 2004 geschorst. Op laatstgenoemde datum is [eiser] naar [Z.] (Israël) vertrokken, waar hij inmiddels een gezin heeft gesticht en een baan heeft gevonden. In voormeld vonnis is de opheffing/schorsing van de voorlopige hechtenis van [eiser] ongedaan gemaakt.

1.2. Namens [eiser] is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam, naar aanleiding waarvan het gerechtshof Amsterdam [eiser] bij arrest van 28 november 2005 eveneens heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar, met aftrek van de voorlopige hechtenis. Hiertegen is namens [eiser] beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van de Hoge Raad van 20 november 2007 is [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in dit beroep, aangezien de cassatiemiddelen niet tijdig waren ingediend. Het arrest van het gerechtshof is daarmee op 20 november 2007 onherroepelijk geworden.

1.3. De toenmalig advocaat van [eiser], mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht, heeft in een brief van 12 juni 2012 - voor zover hier van belang - het volgende aan de huidige advocaat van [eiser] meegedeeld:

"(...)De heer [eiser] was reeds na betrekkelijk korte tijd vrijgelaten (23 april 2004), nadat de voorlopige hechtenis door de rechtbank was opgeheven op de voet van artikel 67a, derde lid, Sv. Na zijn vrijlating heb ik - voor zover mijn herinnering strekt - geen enkel contact meer met cliënt gehad. Ik ben wel verschenen bij de behandeling van zijn strafzaak bij de rechtbank en eveneens heb ik hoger beroep ingesteld tegen het genoemde vonnis van de rechtbank. Bij het gerechtshof heb ik de zaak ook behandeld en vervolgens is door mij cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam. Ik meende daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn op grond van contacten met de heer [eiser] voorafgaande aan zijn vertrek uit Nederland op 23 april 2004.

(...)".

1.4. Op 23 maart 2010 is een Europees arrestatiebevel tegen [eiser] uitgevaardigd met het oog op zijn aanhouding en overlevering ter zake van tenuitvoerlegging van de aan [eiser] opgelegde vrijheidsstraf. Op 15 maart 2012 is [eiser] op basis van dit arrestatiebevel aangehouden op het vliegveld te [X.] (Roemenië), waarna hij is overgeleverd aan de Staat. De einddatum van de insluiting van [eiser] is vooralsnog vastgesteld op 25 januari 2013, waarbij rekening is gehouden met zijn recht op vervroegde invrijheidstelling.

1.5. Op 12 juni 2012 heeft [eiser] een gratieverzoek ingediend, aangezien hij zich op het standpunt stelt dat sprake is van schending van artikel 561 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en van strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2. Het geschil

2.1. [eiser] vordert - na vermeerdering van eis - de Staat te bevelen de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf te schorsen of aan de bevoegde officier te bevelen [eiser] dadelijk vrij te laten of strafonderbreking te verlenen, althans een beslissing te nemen die kan leiden tot onverwijlde of spoedige vrijlating (onder voorwaarden) van [eiser] en/of terugkeer naar Israël.

2.2. Daartoe stelt [eiser] het volgende. De tenuitvoerlegging van de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf is onrechtmatig, aangezien deze niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden, zodat sprake is van strijd met artikel 6 EVRM, dan wel met artikel 561 Sv. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 maart 1997 is artikel 6 EVRM ook van toepassing op de executiefase. [eiser] is lange tijd in grote onzekerheid gelaten en heeft aan het grote tijdsverloop het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat van tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf door de Staat zou worden afgezien. [eiser] is destijds uit voorlopige hechtenis vrijgelaten op grond van artikel 67a lid 3 Sv, omdat ernstig rekening moest worden gehouden met de mogelijkheid dat aan [eiser] geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf zou worden opgelegd, dan wel dat hij bij tenuitvoerlegging van het bevel langere tijd van zijn vrijheid beroofd zou blijven dan de duur van de straf of maatregel. Ook daaruit heeft [eiser] kunnen afleiden dat hij geen gevangenisstraf meer hoefde te ondergaan. [eiser] heeft sinds zijn vertrek uit Nederland op een vast adres in [Z.] gewoond en heeft daar een gezin gesticht. Voorts heeft [eiser] een vaste baan, die hij door tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf dreigt te verliezen. Door voormelde gang van zaken, die onrechtmatig is jegens [eiser], is [eiser] niet eerder in staat geweest om een gratieverzoek in te dienen, zodat aan dit gratieverzoek ten onrechte geen opschortende werking toekomt. Gelet op het voorgaande dient [eiser] onmiddellijk in vrijheid te worden gesteld, dan wel dient hem strafvermindering of strafonderbreking te worden toegekend.

2.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding - tot kennisneming van de vorderingen gegeven.

3.2. Vooropgesteld wordt dat in het wettelijke stelsel besloten ligt dat een veroordelende beslissing van de strafrechter, waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, niet alleen mag maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. Uit artikel 561 Sv volgt dat een vonnis zo spoedig mogelijk ten uitvoer wordt gelegd. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat er in beginsel aan in de weg dat de burgerlijke rechter de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging van onherroepelijke strafrechtelijke uitspraken beoordeelt. De hiervoor vermelde verplichting van de Staat kan in beginsel dus niet, laat staan in volle omvang, worden getoetst. Op deze toedeling van bevoegdheden kan enkel een uitzondering worden gemaakt indien de wet daartoe een grondslag biedt of indien een uitspraak van het EHRM, waarmee de strafrechter bij zijn beslissing geen rekening heeft kunnen houden, tot de slotsom dwingt dat de beslissing op zodanige wijze tot stand is gekomen dat niet meer kan worden gesproken van een eerlijke behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM.

3.3. [eiser] heeft zich erop beroepen dat de Staat zich schuldig heeft gemaakt aan schending van artikel 6 EVRM. Nog daargelaten de vraag of deze bepaling mede betrekking heeft op een eventuele latere (executie-)fase van de tenuitvoerlegging, zoals [eiser] heeft gesteld aan de hand van de uitspraak in de zaak van Hornsby tegen Griekenland (EHRM 19 maart 1997, NJ 1998, 434), is de voorzieningenrechter van oordeel dat in het onderhavige geval geen strijd met enig fundamenteel rechtsbeginsel kan worden aangenomen. Vaststaat dat het recht op tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf nog niet is verjaard (de Staat heeft onweersproken gesteld dat dit pas in 2034 het geval zal zijn). Daar komt bij dat, hoewel aan [eiser] moet worden toegegeven dat het sinds het onherroepelijk worden van zijn veroordeling in 2007 lang heeft geduurd voordat de tenuitvoerlegging van zijn straf in 2012 een aanvang heeft genomen, deze termijn niet zodanig lang is dat deze als onredelijk moet worden aangemerkt en een rechtstreeks ingrijpen van de voorzieningenrechter op de door [eiser] voorgestane wijze - voor zover ertoe strekkende dat de Staat volledig moet afzien van de beoogde tenuitvoerlegging - rechtvaardigt.

3.4. Ter zake van de vraag of [eiser] eventueel in aanmerking komt voor strafvermindering, zoals hij subsidiair heeft betoogd, wordt het volgende overwogen. Volgens [eiser] heeft de Staat onvoldoende ondernomen om tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf te komen. Echter, naar voorlopig oordeel kan niet worden aangenomen dat de Staat door stil te zitten de indruk heeft gewekt dat de tenuitvoerlegging niet meer zou plaatsvinden, noch dat de Staat door eerst in 2012 tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf tegen [eiser] over te gaan in strijd met artikel 561 Sv heeft gehandeld. De Staat heeft immers voldoende aannemelijk gemaakt dat, nadat de gevangenisstraf van [eiser] onherroepelijk is geworden in 2007, de tenuitvoerlegging door het 'team executie strafvonnissen' ter hand is genomen en dat op 23 maart 2010 een Europees arrestatiebevel tegen [eiser] is uitgevaardigd, aangezien hij niet in Nederland verbleef. Dat een en ander onredelijk lang heeft geduurd is voorshands niet gebleken. [eiser] wist bovendien dat hem een strafrechtelijke veroordeling boven het hoofd hing en gesteld noch gebleken is dat hij op enig moment bij de Nederlandse autoriteiten navraag heeft gedaan omtrent de status van zijn strafzaak, noch dat hij zijn nieuwe adres in Israël aan de Nederlandse autoriteiten bekend heeft gemaakt. Dat hij onafgebroken op hetzelfde adres in [Z.] woonachtig is geweest, maakt dit niet anders. Gelet op het voorgaande is aannemelijk dat [eiser] er ook zelf aan heeft bijgedragen dat (i) tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf is bemoeilijkt en (ii) hij lange tijd niet van de voorgenomen tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf op de hoogte was. Dat van de zijde van de Staat anderszins de indruk is gewekt dat er geen gevangenisstraf meer tegen [eiser] ten uitvoer zou worden gelegd, is naar voorlopig oordeel niet gebleken. Evenmin is aannemelijk geworden dat de voorlopige hechtenis van [eiser] destijds is geschorst op grond van artikel 67a lid 3 Sv. De enkele verklaring van de toenmalige advocaat van [eiser] is daarvoor onvoldoende. [eiser] had er derhalve op grond van voormelde omstandigheden rekening mee dienen te houden dat er nog een gevangenisstraf tegen hem ten uitvoer zou kunnen worden gelegd. Dat [eiser] in aanmerking komt voor strafvermindering of strafonderbreking is gelet op het voorgaande dan ook niet gebleken.

3.5. Ook de omstandigheid dat [eiser] op 12 juni 2012 een gratieverzoek heeft ingediend doet aan het voorgaande niet af. Aan dit gratieverzoek komt immers niet van rechtswege opschortende werking toe. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat hem op onrechtmatige wijze de mogelijkheid is ontnomen om voor de aanvang van de tenuitvoerlegging een gratieverzoek in te dienen. Gelet op hetgeen in rechtsoverwegingen 3.3. en 3.4. is overwogen, is hiervan onvoldoende gebleken. Op grond van artikel 559a lid 2 Sv kan aan een gratieverzoek nadien alsnog schorsende werking worden toegekend, maar bij de uitoefening van de bevoegdheid om daarover te beslissen komt de Staat (meer in het bijzonder de Minister van Veiligheid en Justitie) een ruime beleidsvrijheid toe. Dit betekent dat de voorzieningenrechter de beslissing om al dan niet schorsende werking aan het gratieverzoek toe te kennen slechts marginaal kan toetsen. Van de bevoegdheid van artikel 559a lid 2 Sv wordt slechts gebruik gemaakt in het geval het op grond van de aangeleverde informatie aannemelijk is geworden dat het hoogstwaarschijnlijk is dat het gratieverzoek zal worden ingewilligd. [eiser] heeft ter onderbouwing van het gratieverzoek gesteld dat geruime tijd is verstreken tussen het onherroepelijk worden van de strafrechtelijke veroordeling en de tenuitvoerlegging. Echter, gelet op de omstandigheid dat de tenuitvoerlegging nog niet is verjaard, dat van rechtsverwerking door 'stilzitten' aan de zijde van de Staat naar voorlopig oordeel niet is gebleken en nu [eiser] mede zelf verantwoordelijk kan worden gehouden voor bemoeilijking van tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, is de conclusie dat het gratieverzoek hoogstwaarschijnlijk wordt ingewilligd voorshands niet gerechtvaardigd. De enkele mogelijkheid dat [eiser] zijn vaste baan verliest is hiervoor onvoldoende. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding te bepalen dat [eiser] de beslissing op het gratieverzoek in vrijheid kan afwachten.

3.6. Slotsom van het voorgaande is dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusver aan de zijde van de Staat begroot op € 1.391,--, waarvan

€ 816,-- aan salaris advocaat en € 575,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2012.

mvt