Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX2115

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-05-2012
Datum publicatie
19-07-2012
Zaaknummer
418707 - KG ZA 12-467
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Het gevorderde verbod op uitlevering naar Bosnië-Herzegovina wordt afgewezen. Niet is komen vast te staan dat het uitleveringsverzoek is ingetrokken. Van schending van het EVRM is niet gebleken. De enkele herhaalde, niet onderbouwde, stelling van eiser dat hij vreest voor represailles is daarvoor onvoldoende. Evenmin komt eiser een beroep op de hardheidsclausule toe, nu hij niet heeft onderbouwd dat zijn medische toestand aan uitlevering in de weg staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 418707 / KG ZA 12-467

Vonnis in kort geding van 25 mei 2012

in de zaak van

[eiser],

thans verblijvende in het Huis van Bewaring [X.] te [Y.],

eiser,

advocaat mr. R. Wouters te Middelburg,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als '[eiser]' en 'de Staat'.

1. Het procesverloop

[eiser] heeft de Staat op 10 mei 2012 doen dagvaarden om op 23 mei 2012 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op die datum behandeld en er is op 25 mei 2012 door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 23 mei 2012 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. [Eiser] is afkomstig uit Bosnië-Herzegovina en verblijft sinds 2003 in België. Aldaar heeft [eiser] op 8 december 2003, 22 maart 2006 en 11 februari 2008 bij de autoriteiten asiel aangevraagd, maar deze verzoeken zijn telkens afgewezen, voor het laatst op 28 november 2011.

2.2. Op 20 januari 2012 hebben de autoriteiten in Bosnië-Herzegovina om de uitlevering van [eiser] verzocht. Aan dit verzoek ligt een akte van beschuldiging van 24 januari 2005 ten grondslag, waarin - samengevat in het Nederlands - de volgende feiten waarvoor de uitlevering is verzocht worden genoemd: diefstal met braak in vereniging van een tweetal portemonnees en 24 blikken bier in de nacht van 5 op 6 maart 2003 en diefstal van een lam op 25 september 2003.

2.3. Bij beslissing van 13 maart 2012 heeft de sector strafrecht van de rechtbank Middelburg de uitlevering van [eiser] aan Bosnië-Herzegovina toelaatbaar verklaard. De rechtbank heeft onder meer (samengevat) overwogen dat de enkele stelling dat [eiser] gevaar loopt, zonder dit nader te onderbouwen en zonder concrete aanknopingspunten te geven voor het (laten) verrichten van nader onderzoek, onvoldoende is om ernstige redenen of een gegrond vermoeden aan te nemen dat sprake is van een dreigende schending van mensenrechten. De rechtbank heeft de Minister van Veiligheid en Justitie, hierna 'de minister', bij brief van dezelfde datum tevens geadviseerd om nader onderzoek te verrichten naar de bijzondere omstandigheden zoals die door [eiser] bij de rechtbank naar voren zijn gebracht, omdat uitlevering mogelijk in strijd is met het bepaalde in artikel 10 van de Uitleveringswet (Uw).

2.4. De minister heeft gelet op het onder 2.3. bedoelde advies navraag gedaan bij de Belgische autoriteiten, aangezien de stellingen van [eiser] met betrekking tot zijn vrees voor vervolging als bedoeld in artikel 10 Uw ook in de in België gevoerde asielprocedures zijn getoetst. De Belgische autoriteiten hebben hierop schriftelijk aan de minister meegedeeld dat de door [eiser] ingediende asielaanvragen zijn afgewezen.

2.5. Bij brief van 23 april 2012 heeft de advocaat van [eiser] - voor zover hier van belang - het volgende aan de minister meegedeeld:

"(...)

Bijgaand treft u een verklaring uit Bosnië-Herzegovina gedateerd 30 januari 2012, die cliënt van familie heeft mogen ontvangen. Client stelt dat uit de verklaring blijkt dat er geen strafrechtelijke procedures tegen hem lopen volgens de documentatie in Bosnië-Herzegovina. De akte van beschuldiging is dan ook niet op juistheid gebaseerd, zo stelt cliënt.

(...)".

Bij deze brief is als bijlage een van familie van [eiser] afkomstige verklaring, gedateerd op 30 januari 2012, gevoegd.

2.6. Bij beschikking van 27 april 2012 heeft de minister de uitlevering van [eiser] aan Bosnië-Herzegovina toegestaan. Hij heeft daarbij overwogen dat hij de vrees die [eiser] in de uitleveringsprocedure naar voren heeft gebracht (represailles jegens hem door een politieambtenaar in Bosnië-Herzegovina, genaamd [Z.]) onder de aandacht van de autoriteiten in Bosnië-Herzegovina zal brengen.

3. Het geschil

3.1. [Eiser] vordert - zakelijk weergegeven - primair de Staat te verbieden om [eiser] uit te leveren aan Bosnië-Herzegovina en subsidiair te bepalen dat die uitlevering slechts mag plaatsvinden onder de voorwaarde dat Bosnië-Herzegovina aanvullende garanties verstrekt, althans een in goede justitie te bepalen voorziening te treffen.

3.2. Daartoe stelt [eiser] het volgende. Het uitleveringsverzoek bevat onjuiste informatie. Er is immers geen sprake van strafrechtelijke vermoedens tegen [eiser], hetgeen volgt uit verklaringen die [eiser] via zijn familie in Bosnië-Herzegovina heeft ontvangen. [eiser] is geïntegreerd vreemdeling in België, zodat de minister voorafgaand aan het toestaan van de uitlevering aan de autoriteiten van Bosnië-Herzegovina om terugkeergaranties had moeten vragen. Voorts vreest [eiser] dat hij na zijn uitlevering in Bosnië-Herzegovina slachtoffer zal worden van schending van mensenrechten, meer in het bijzonder van artikel 3, 5 en 6 van het 'Europees Verdrag voor Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden' (EVRM) en artikel 3 van het 'Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en vernederende Behandeling of Bestraffing' ('Anti-Folter-verdrag'). [eiser] heeft immers deelgenomen aan de oorlog in het voormalige Joegoslavië als soldaat voor diverse bevolkingsgroepen. Sinds het einde van de oorlog wordt [eiser] gezocht door ex-soldaten, meer in het bijzonder door een voormalig soldaat die thans politieambtenaar is, genaamd [Z.]. [eiser] is waarschijnlijk de laatste getuige van een aantal door [Z.] gepleegde moorden en hij vreest dan ook voor represailles in de vorm van mishandeling en foltering. Voorts zijn de detentieomstandigheden in de gevangenis in Bosnië-Herzegovina beneden peil. Ten slotte heeft [eiser] gesteld dat hij als gevolg van de oorlog psychische klachten ondervindt, waarvoor hij in België is behandeld, en dat er bij uitlevering naar Bosnië-Herzegovina een reëel gevaar voor suïcide bestaat.

3.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding - tot kennisneming van de vorderingen gegeven.

4.2. Vooropgesteld wordt dat de minister, als orgaan van de Staat, volgens vaste jurisprudentie een eigen verantwoordelijkheid heeft om al dan niet tot uitlevering te besluiten, ondanks toelaatbaarverklaring door de rechter. Voorts geldt dat een verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering - zoals in beginsel aanwezig tegenover Bosnië-Herzegovina op grond van het Europees Uitleveringsverdrag (EUV) - slechts dan wijkt voor de (ingevolge artikel 1 EVRM) op de Staat rustende verplichting om de rechten van het EVRM te verzekeren, indien blijkt dat de uit te leveren persoon ([eiser]) door zijn uitlevering wordt blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig aan hem (ingevolge het EVRM) toekomend recht en voorts naar aanleiding van een voldoende onderbouwd betoog is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat. Thans dient de vraag beantwoord te worden of de minister, door het verzoek van Bosnië-Herzegovina om uitlevering van [eiser] (zonder nadere garanties) te honoreren, onrechtmatig jegens [eiser] handelt.

4.3. Naar aanleiding van het verweer van de Staat en het verhandelde ter zitting heeft de advocaat van [eiser] meegedeeld namens zijn cliënt niet langer een beroep te doen op de onrechtmatigheid van het afzien van een terugkeergarantie ten aanzien van [eiser] en op schending van artikel 3 EVRM vanwege de detentietoestand in Bosnië-Herzegovina. Deze punten behoeven derhalve geen nadere bespreking.

4.4. [eiser] heeft gesteld dat het uitleveringsverzoek achterhaald is en dat de akte van beschuldiging van 24 januari 2005 niet op waarheid berust. Echter, ter onderbouwing van dit standpunt heeft [eiser] slechts verwezen naar een (vermoedelijk) in het Bosnisch, Servisch of Kroatisch op schrift gestelde - niet in het Nederlands vertaalde - verklaring afkomstig van familie, gedateerd op 30 januari 2012, die als bijlage bij de brief aan de minister van 23 april 2012 is gevoegd en waaruit volgens hem zou moeten blijken dat er geen strafrechtelijke procedures tegen hem lopen in Bosnië-Herzegovina. De voorzieningenrechter acht deze enkele verklaring - nog daargelaten dat van de inhoud ervan zonder vertaling in het Nederlands geen kennis kan worden genomen - onvoldoende ter weerlegging van de akte van beschuldiging, zodat er van uitgegaan moet worden dat het uitleveringsverzoek nog immer de actuele situatie weergeeft. Dat de autoriteiten in Bosnië-Herzegovina het uitleveringsverzoek hebben ingetrokken is evenmin gebleken. De minister hoefde derhalve naar voorlopig oordeel in redelijkheid geen aanleiding te zien om navraag te doen bij de autoriteiten in Bosnië-Herzegovina of gepersisteerd wordt bij het uitleveringsverzoek, zulks mede gelet op de omstandigheid dat deze autoriteiten de uitlevering van [eiser] eerst op 20 januari 2012 hebben verzocht.

4.5. Voorts heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat hij door zijn uitlevering naar Bosnië-Herzegovina mogelijk wordt blootgesteld aan schending van de mensenrechten. Vooropgesteld moet worden dat indien uitlevering wordt verzocht ten behoeve van strafvervolging in gevallen waarin zowel de verzoekende als de aangezochte staat is toegetreden tot mensenrechtenverdragen - zoals in het onderhavige geval tot het EVRM en het Anti-Folter-verdrag - het aan de rechter die over de toelaatbaarheid van de uitlevering moet oordelen, in het algemeen niet toekomt te beslissen over de vraag of door dan wel in het kader van die strafvervolging enig in een verdrag gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon wordt geschonden of dreigt te worden geschonden. In dergelijke gevallen moet immers in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende staat de desbetreffende verdragsbepalingen zal eerbiedigen. Slechts wanneer blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem toekomend grondrecht, kan uitlevering worden geweigerd. [eiser] heeft zich er in dat verband op beroepen dat door zijn uitlevering mogelijk sprake zal zijn van schending van het EVRM en het Anti-Folter-verdrag, aangezien hij vreest voor represailles in verband met kennis die hij heeft omtrent door een voormalig soldaat, thans politieambtenaar, gepleegde strafbare feiten. Een en ander is evenwel reeds meegewogen in de procedure voor de rechtbank Middelburg en ook de minister heeft in het kader van de besluitvorming ter zake van de uitlevering van [eiser] van diens stellingen op dit punt en de beslissingen op de asielaanvragen van [eiser] door de Belgische autoriteiten (die de door [eiser] geuite vrees eveneens hebben meegewogen) kennis genomen. De enkele herhaalde stelling van eiser in de onderhavige procedure dat hij vreest voor represailles - zonder dat deze vrees nader concreet is gemaakt aan de hand van bewijsstukken - is onvoldoende om thans wel aan te kunnen nemen dat er daadwerkelijk concrete redenen aanwijsbaar zijn dat juist [eiser] na uitlevering zal worden onderworpen aan foltering of aan een andere onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Daarbij geldt voorts dat Bosnië-Herzegovina het individuele klachtrecht bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft erkend, zodat nog daargelaten dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij een eventuele schending van het EVRM na zijn uitlevering hem geen nationaal rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat, hij zich in ieder geval kan beklagen bij het EHRM. De voorzieningenrechter overweegt daarbij dat ook hier het hiervoor omschreven vertrouwensbeginsel van toepassing is.

4.6. Ten slotte heeft [eiser] een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 10 lid 2 Uw, nu zijn uitlevering naar Bosnië-Herzegovina gelet op zijn medische toestand niet verantwoord is en hij bij uitlevering mogelijk suïcide zal plegen. De Staat heeft ter zitting onbetwist naar voren gebracht dat psychische klachten slechts aan uitlevering in de weg staan indien sprake is van ernstig blijvend psychisch lijden, een reëel suïciderisico en onvoldoende vertrouwen dat de uit te leveren persoon in de verzoekende staat adequaat zal worden opgevangen. [eiser] heeft zijn stellingen op dit punt vooralsnog in het geheel niet onderbouwd. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn medische toestand aan uitlevering aan Bosnië-Herzegovina in de weg staat. De enkele stelling dat [eiser] in België voor psychische klachten is behandeld, is daarvoor onvoldoende. Nu [eiser] evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Bosnië-Herzegovina niet op adequate wijze voor zijn psychische klachten kan worden behandeld, kan het beroep van [eiser] op de hardheidsclausule naar voorlopig oordeel niet slagen.

4.7. Nu [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd waarom de minister in het kader van de uitlevering van [eiser] nadere garanties had moeten bedingen bij de autoriteiten in Bosnië-Herzegovina, bestaat voor toewijzing van de subsidiaire vorderingen evenmin aanleiding.

4.8. Gelet op al het voorgaande is niet gebleken van feiten of omstandigheden die met zich brengen dat de minister, door het verzoek van Bosnië-Herzegovina om uitlevering van [eiser] (zonder nadere garanties) te honoreren, onrechtmatig jegens [eiser] handelt. De vorderingen van [eiser] worden dan ook afgewezen.

4.9. [Eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.391,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 575,-- aan griffierecht;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. van der Helm en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2012.

mvt