Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX2063

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-01-2012
Datum publicatie
19-07-2012
Zaaknummer
AWB 09/5621 BESLU
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BY6701, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Machtiging burgemeester om woning zonder toestemming binnen te treden. Was verweerder op grond van de op dat moment bij verweerder bekende informatie bevoegd tot het afgeven van de machtiging tot binnentreden van de woning? In dit geval geen ongerechtvaardigde inbreuk op het huisrecht. De burgemeester heeft in redelijkheid kunnen overgaan tot afgifte van de machtiging. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/5621 BESLU

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

de erven van [X], eisers,

(gemachtigde mr. A.R. Bissessur, advocaat te Den Haag),

en

de burgemeester van Den Haag, verweerder

I PROCESVERLOOP

Verweerder heeft op 4 december 2008 een machtiging verleend om de woning aan de [adres] te Den Haag zonder toestemming binnen te treden.

Wijlen mevrouw [X], die tot haar overlijden samen met haar zoon [zoon 1] de woning aan de [adres] te Den Haag bewoonde (hierna ook genoemd: de bewoonster), heeft bij brief 29 december 2009 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 december 2008.

Bij besluit van 26 juni 2009, verzonden op 29 juni 2009, heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie (advies), het bezwaar van de bewoonster ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft de bewoonster bij brief van 5 augustus 2009, ingekomen bij de rechtbank op 6 augustus 2009 beroep ingesteld. Daarna zijn de gronden aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 12 augustus 2010 ter zitting behandeld, gevoegd met de zaken geregistreerd onder de nummers AWB 09/7722 BESLU en 09/6884 WOB. De rechtbank heeft ter zitting het onderzoek in de onderhavige zaak geschorst tot een nader te bepalen datum in verband met de medische gesteldheid van de ter zitting verschenen toenmalige gemachtigde, [zoon 1].

Bij een op 30 november 2010 bij de rechtbank ingekomen rekest is namens de bewoonster vervolgens verzocht om wraking van de bestuursrechter die voor de behandeling van het beroep ter zitting van 12 augustus 2010 was aangewezen. Hangende de behandeling van het wrakingsverzoek is het beroep aangehouden. Bij beschikking van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank van 18 januari 2011 is het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard.

Het beroep is vervolgens op 3 mei 2011 opnieuw ter zitting behandeld.

De bewoonster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar toenmalige gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Ham.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Omdat verweerder in de onderhavige procedure ter staving van het standpunt dat de afgifte van de machtiging tot binnentreden was gerechtvaardigd heeft verwezen naar de ingediende stukken in het beroep met registratienummer 09/6884 WOB, waarbij verweerder ten aanzien van de niet openbaar gemaakte stukken een beroep heeft gedaan op artikel 8:29, eerste lid, van de Wob, heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak aangehouden vanwege een nog op voet van artikel 8:29, derde lid, van de Awb te nemen beslissing over de vraag of de beperking van de kennisneming van die stukken tot de rechtbank gerechtvaardigd is.

Op 9 mei 2011 heeft de rechtbank (in een andere samenstelling) geoordeeld dat beperking van de kennisneming van bedoelde stukken tot de rechtbank gerechtvaardigd is.

De rechtbank heeft een afschrift van deze beslissing aan partijen gestuurd en hen verzocht kenbaar te maken of zij toestemming geven zonder nadere zitting uitspraak te doen.

Verweerder heeft de gevraagde toestemming verleend. De toenmalige gemachtigde van de bewoonster heeft zijn toestemming onthouden en een verzoek tot wraking van de rechter die de zaak op 3 mei 2011 heeft behandeld ingediend.

Bij beslissing van de meervoudige kamer van 27 juli 2011 is dit wrakingsverzoek afgewezen. Daarbij is met toepassing van het bepaalde in artikel 8:18, vierde lid, van de Awb bepaald dat een volgend verzoek tot wraking in dit beroep niet in behandeling zal worden genomen.

Bij brief van 13 oktober 2011 heeft [zoon 2] de rechtbank bericht dat zijn moeder, de bewoonster, op 13 augustus 2011 is overleden, dat de erven de procedure willen voortzetten, dat hij in het vervolg, in plaats van zijn broer, [zoon 1], als gemachtigde zal optreden en dat hij uitstel van de op 24 oktober 2011 geplande voortgezette behandeling verzoekt om zich te kunnen voorbereiden.

De behandeling van het beroep ter zitting is op 19 december 2011 voortgezet. Namens de erfgenamen is verschenen, [zoon 2], bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft bij brief van 2 november 2011 medegedeeld zich ter zitting niet te laten vertegenwoordigen.

II OVERWEGINGEN

1. Artikel 12 van de Grondwet bepaalt dat het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner alleen geoorloofd is in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft een ieder recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Ingevolge artikel 13 van het EVRM heeft een ieder wiens rechten en vrijheden die in het EVRM zijn vermeld, zijn geschonden, recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze schending is begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden (Awbi) is voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner een schriftelijke machtiging vereist, tenzij en voor zover bij wet aan rechters, rechterlijke colleges, leden van het openbaar ministerie, burgemeesters, gerechtsdeurwaarders en belastingdeurwaarders de bevoegdheid is toegekend tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. De machtiging wordt zo mogelijk getoond.

In artikel 3, tweede lid, van de Awbi is voorts bepaald dat, voor zover de wet niet anders bepaalt, de burgemeester bevoegd is tot het geven van een machtiging tot binnentreden in een woning gelegen binnen zijn gemeente voor andere doeleinden dan strafvordering.

In het derde lid is bepaald dat degene die bevoegd is een machtiging te geven, daartoe slechts overgaat, indien het doel waartoe wordt binnengetreden het binnentreden zonder toestemming van de bewoner redelijkerwijs vereist.

In artikel 100a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van belang, is bepaald dat met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de hoofdstukken I tot en met IV zijn belast de bij besluit van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren.

2. Verweerder heeft op 4 december 2008 een machtiging verleend voor het zonder toestemming binnentreden van de woning. Volgens het advies van de adviescommissie voor bezwaarschriften, dat is overgenomen in het bestreden besluit, was het doel van het binnentreden van de woning het instellen van een onderzoek naar vervuiling, een brandgevaarlijke situatie en verregaand achterstallig onderhoud. Daarbij was het volgende redengevend. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag heeft reeds in 2006 geprobeerd op een bemiddelende manier een oplossing te vinden voor de staat van onderhoud van het pand. Daarbij hield de bewoonster het contact af. Op basis van diverse waarnemingen vanaf de buitenkant van het pand, klachten van direct omwonenden alsmede een formeel handhavingsverzoek, bestond eind 2008 een serieus vermoeden van overtreding van de Woningwet dan wel de Bouwverordening en het Bouwbesluit. Vanaf de buitenzijde was al globaal waarneembaar dat het gehele pand achterstallig onderhoud vertoonde en uiterst schamel oogde. Voorts zou sprake zijn van lekkages in buurpanden, komende van lekkende leidingsystemen en afvoeren, een door vocht verzadigde scheidingsmuur en schimmelvorming. Om zekerheid te verkrijgen, was nader onderzoek in de woning noodzakelijk. De machtiging is aldus terecht afgegeven.

3. Eisers hebben aangevoerd dat de burgemeester niet bevoegd was het bestreden besluit te nemen. Aangezien hij het primaire besluit heeft genomen, had hij het nemen van het besluit op bezwaar moeten overlaten aan de locoburgemeester. Eisers hebben voorts, samengevat, aangevoerd dat het besluit tot het afgeven van een machtiging tot binnentreden onrechtmatig is. Daarmee is immers in strijd met het bepaalde in artikel 12 van de Grondwet en artikel 8, eerste lid, van het EVRM het huisrecht geschonden, omdat niet voldaan was aan het beginsel van proportionaliteit en subsidiariteit. Voorts is gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, nu de bewoonster, niet voorafgaande aan het afgeven van de machtiging is gehoord. Daarnaast is gesteld dat bij de uitvoering van de inspectie onrechtmatig is gehandeld en dat niet de bewoonster maar de vereniging van eigenaren verantwoordelijk is voor het onderhoud aan de woning. Tevens is uiteengezet dat sprake is geweest van machtsmisbruik en vriendjespolitiek.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Primair stelt verweerder dat eisers geen belang meer hebben bij het verkrijgen van een uitspraak omdat het binnentreden heeft plaatsgevonden en niet meer ongedaan gemaakt kan worden.

5. De rechtbank stelt vast dat de bevoegdheid tot het afgeven van een machtiging tot binnentreden toekomt aan de burgemeester. Ingevolge artikel 7:11 van de Awb vindt op grondslag van het bezwaar een heroverweging van het bestreden besluit plaats. Dit brengt mee dat het besluit op bezwaar dient te worden genomen door hetzelfde bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen waartegen het bezwaar zich richt. Het besluit op bezwaar is dus terecht door verweerder genomen en niet door de locoburgemeester. Laatstgenoemde is eerst bij verhindering van de burgemeester bevoegd. Er bestond voor verweerder ook anderszins geen aanleiding het nemen van het besluit op bezwaar over te laten aan de locoburgemeester. De stelling dat verweerder jegens de bewoonster vooringenomen was, is door eisers niet met objectieve gegevens onderbouwd.

6. Voor zover is betoogd dat de bewoonster voorafgaand aan het afgeven van de machtiging had moeten worden gehoord, overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 15 december 2010 (LJN: BO7334), dat geen wettelijke noch verdragsrechtelijke bepaling dit vereist.

Het besluit tot afgifte van een machtiging tot binnentreden heeft weliswaar een mogelijke inbreuk op het huisrecht van de bewoonster tot gevolg, maar daarvan kan niet worden gezegd dat deze ernstig is en tot onomkeerbare gevolgen leidt. Bovendien kan tegen het besluit in een bezwaar- en beroepsprocedure worden opgekomen. Indien dan wordt geoordeeld dat het huisrecht ongerechtvaardigd is beperkt, kan een schadevergoeding worden toegekend, aldus de Afdeling.

7. Om deze reden dient ook het betoog van verweerder dat de erven geen belang hebben bij voortzetting van de beroepsprocedure omdat het binnentreden al heeft plaatsgevonden en niet meer ongedaan gemaakt kan worden, te worden verworpen.

8. De rechtbank overweegt dat in dit geval slechts ter beoordeling voorligt de vraag of verweerder op grond van de op dat moment bij verweerder bekende informatie bevoegd was tot het afgeven van de machtiging tot binnentreden van de woning van de bewoonster. De beroepsgronden die betrekking hebben op de wijze waarop de inspecteurs en de verbalisant zich hebben gedragen tijdens het binnentreden van de woning van de bewoonster zullen daarom niet worden besproken. Hiervoor staat een aparte klachtprocedure open.

Dat geldt eveneens voor de gronden die zien op de motieven van de buren en de vraag wie verantwoordelijk is voor het bekostigen van onderhoudswerkzaamheden aan de woning.

Dit zijn vragen van civielrechtelijke aard.

9. De rechtbank overweegt dat het binnentreden van de woning van de bewoonster een inmenging van de overheid betekent als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Het EVRM voorziet echter in de mogelijkheid van beperking van het huisrecht als aan de daar genoemde voorwaarden is voldaan. De bevoegdheid tot een inspectie zonder toestemming van de bewoner is voorzien in de Awbi.

10. Het betoog van eisers dat er onvoldoende grond was om een zwaarwegend middel als het verlenen van een machtiging tot binnentreden van de woning van de bewoonster in te zetten, slaagt niet. De rechtbank is met eisers van oordeel dat hetgeen in 2006 is voorgevallen op zich geen grondslag kan bieden voor het aannemen van een noodzaak tot binnentreding. Immers de klachten in 2006 betroffen lekkages bij de buren die volgens de buren zouden samenhangen met een illegaal gebouwd dakterras, terwijl de bovenomschreven vermoedens in 2008 betrekking hadden op de binnenkant van de woning van de bewoonster. Ook de schamele vooraanblik van de woning is op zichzelf onvoldoende om het binnentreden te rechtvaardigen.

Dat geldt evenwel niet indien deze omstandigheden worden gezien in samenhang met de klachten die in 2008 bij verweerder zijn binnengekomen, waarvan de rechtbank met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb heeft kennisgenomen. De aard van deze klachten, die niet alleen een onwenselijke, maar tevens een onveilig situatie suggereerden en de consistentie van deze klachten rechtvaardigden het vermoeden dat de woning niet voldeed aan de eisen van de Woningwet, de Bouwverordening en het Bouwbesluit van de gemeente Den Haag. Om deze vermoedelijke staat met zekerheid te kunnen vaststellen of uitsluiten dienden de stadsdeelinspecteurs van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling (DSO), stadsdeelkantoor Scheveningen, toegang te verkrijgen tot de woning. Het feit dat tijdens de controle is gebleken dat de situatie niet zo ernstig was als werd vermoed doet niet af aan de noodzaak om dit nu juist door middel van een inspectie vast te stellen. Er is dan ook geen sprake van disproportionaliteit tussen het doel en het door verweerder gekozen middel.

11. Het betoog van eisers dat er sprake is van strijd met het subsidiariteitsbeginsel, nu hetzelfde doel had kunnen worden bereikt met een minder verstrekkend middel, omdat de bewoonster bereid was de inspecteurs binnen te laten, slaagt evenmin. Uit de stukken blijkt dat de bewoonster in 2006 door de inspecteurs van de DSO is aangesproken op de staat van onderhoud van het pand aan de [adres]. Dit heeft toen geen vervolg gehad omdat nog goede hoop bestond dat de bewoonster de staat van onderhoud zou verbeteren. Uit waarnemingen van de buitenkant van de woning was echter, blijkens de aanschrijving van 29 oktober 2008, geen verbetering van de staat van onderhoud van de woning te constateren. Daarom is bij de aanschrijving van 29 oktober 2008 een onderzoek van de woning aangekondigd op 6 november 2008 te 11.00 uur en is de bewoonster verzocht daaraan vrijwillig haar medewerking te verlenen. Zij heeft vervolgens via haar advocaat laten weten wegens ziekte niet in staat te zijn de inspecteurs op 6 november 2008 te ontvangen. Nadat zij een medische verklaring had overgelegd, heeft verweerder ingestemd met uitstel en aangekondigd op donderdag 4 december 2008 te 11.00 uur de woning te komen inspecteren. Bij brief van 7 november 2008 is aan de bewoonster verzocht haar medewerking te verlenen aan de inspectie op 4 december 2008. Daarbij is aangekondigd dat, indien zij niet vrijwillig meewerkt aan het onderzoek in haar woning, verweerder genoodzaakt is op onvrijwillige basis het onderzoek uit te voeren, zo nodig met een machtiging tot binnentreden van de woning met behulp van de sterkte arm. Uit de stukken blijkt niet dat de bewoonster hierop heeft gereageerd. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht het standpunt ingenomen dat binnentreden van de woning niet met een minder vergaand middel dan het afgeven van een machtiging tot binnentreden van de woning kon worden bereikt. De bewoonster heeft er steeds blijk van gegeven geen medewerking te willen verlenen aan inspectie van het pand. De feitelijke gang van zaken bij het binnentreden op 4 december 2008 maakt dit niet anders. De wijze waarop de inspecteurs van de machtiging gebruik hebben gemaakt betreft feitelijk handelen. Voor zover eisers stellen dat de inspecteurs, dan wel de hen begeleidende politieambtenaar onrechtmatig hebben gehandeld bij het binnentreden, kunnen zij een vordering bij de civiele rechter instellen.

12. Gelet op het voorgaande faalt het betoog van eisers dat op het huisrecht in dit geval een ongerechtvaardigde inbreuk is gemaakt. De burgemeester heeft in redelijkheid kunnen overgaan tot afgifte van de machtiging tot binnentreden. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.D.J. van Reenen-Stroebel, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.A. Leijten.

Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2012.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.