Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX2050

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-07-2012
Datum publicatie
19-07-2012
Zaaknummer
AWB 12/17950 en 12/17949
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Het huidige relaas van verzoekster en de documenten die zij ter ondersteuning hiervan heeft overgelegd, hebben in feite betrekking op de situatie in Kenia tijdens en na de verkiezingen in 2007. Klaarblijkelijk heeft verzoekster de bedoeling gehad om die situatie en de thans gestelde dood van haar broers al naar voren te brengen ten tijde van haar tweede asielaanvraag van 1 juli 2008. Hetzelfde geldt voor de thans nogmaals ingebrachte identiteitskaart en brief uit 2008. Verzoekster heeft er evenwel om onduidelijke redenen voor gekozen haar tweede asielaanvraag niet in Nederland of in Zweden inhoudelijk beoordeeld te krijgen. Zij is immers gedurende de beroepsfase, die zij in Nederland mocht afwachten vanwege het door haar ingediende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, met onbekende bestemming vertrokken.

Door het indienen van de onderhavige aanvraag beoogt verzoekster in wezen alsnog een inhoudelijke beoordeling te krijgen van hetgeen zij al aan haar tweede asielaanvraag ten grondslag had willen leggen. Hoewel verweerders besluit van 30 oktober 2008 niet van gelijke strekking is als het thans bestreden besluit, is de handelwijze van verzoekster gedurende de vorige procedure niet zonder betekenis voor de hier te verrichten ambtshalve toets. Doordat verzoekster om onduidelijke redenen met onbekende bestemming is vertrokken en nu pas jaren later weer een asielaanvraag doet, heeft zij het risico genomen dat de aangevoerde ‘nieuwe’ asielmotieven, los van de vraag of deze geloofwaardig zijn te achten, alweer achterhaald en niet meer relevant zijn. Voorts heeft zij met haar handelwijze in de vorige asielprocedure de indruk gewekt dat ook zij, subjectief gezien, niet (meer) bij terugkeer naar Kenia voor vluchtelingrechtelijke vervolging of een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling vreesde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 12/17950 (voorlopige voorziening)

AWB 12/17949 (beroep)

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 juli 2012 in de zaak tussen

[verzoekster], geboren op [datum] 1973, verzoekster,

mede namens haar minderjarige zoon [zoon], geboren op [datum] 1998,

beiden van Keniaanse nationaliteit,

hierna tezamen te noemen: verzoekers,

gemachtigde mr. M.C.M. van der Mark,

tegen

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde mr. D.B. Deckers.

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 31 mei 2012, genomen in de algemene asielprocedure, heeft verweerder de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) afgewezen, waarbij tevens aan verzoekster een inreisverbod is opgelegd voor de duur van twee jaar.

Verzoekster heeft op 1 juni 2012 tegen dit besluit beroep ingesteld. Tevens heeft verzoekster de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende het beroep een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is behandeld op de zitting van 6 juli 2012, waar verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

<b>Overwegingen</b>

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursecht niet alleen uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2. De voorzieningenrechter stelt ambtshalve vast dat verzoekster eerder, te weten op 5 februari 2011 een aanvraag om toelating als vluchteling heeft ingediend. Een dergelijke aanvraag wordt sinds de invoering van de Vw 2000 beschouwd als een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ter onderbouwing van die aanvraag heeft verzoekster aangevoerd dat zij tot de Kikuyu bevolkingsgroep behoort en dat zij afkomstig is uit de plaats [plaats], gelegen in de provincie Rift Valley. De Kikuyu bevolkingsgroep wordt in Kenia gediscrimineerd door de autoriteiten en door leden van rivaliserende stammen. In 1992 is verzoekster lid geworden van de legale politieke partij Ford-Kenia. In datzelfde jaar zijn mensen van de Kikuyu verjaagd uit de plaats [plaats]. Op een dag is de vader van verzoekster vermoord. Ook zijn bezittingen waren afgepakt en het huis was in brand gestoken. Mensen van de protestante kerk, waartoe verzoekster behoort, probeerden via de rechter om have en goederen terug te krijgen. Verzoekster kreeg een brief om voor de rechtbank te verschijnen. Bij aankomst werd zij door militairen aangehouden, waarschijnlijk omdat mensen die de woning in brand hadden gestoken tot de regeringspartij behoorden. Van 1992 tot 1995 heeft verzoekster gevangen gezeten in de Kiambu gevangenis. Begin 1997 is zij wederom aangehouden, omdat in het naaiatelier waar zij werkte een tas was gevonden met een vuurwapen en een handgranaat. Zij werd meegenomen naar de gevangenis Kamukanji te Nairobi. Tijdens haar verblijf daar werd verzoekster door diverse militairen verkracht. Zij dreigden haar te vermoorden als ze iets hierover tegen haar advocaat zou zeggen. Verzoekster is door de verkrachtingen zwanger geraakt. Met hulp van haar advocaat en omdat zij ging bevallen, is zij begin 1998 vrijgelaten. Verzoekster verbleef sindsdien in een woning bij de kerk en moest zich één keer in de maand melden bij de rechtbank in [plaats]. De advocaat en de kerk hebben vervolgens aangifte gedaan van de verkrachtingen. Haar zaak is begin 2000 door de rechtbank behandeld. De rechter was van oordeel dat verzoekster de regering in verlegenheid had gebracht met haar beschuldigingen. Van haar advocaat heeft zij later vernomen dat de militairen hadden gedreigd haar te vermoorden. Eind 2000 heeft verzoekster uit wraak samen met anderen een woning van iemand van een andere stam in brand gestoken, omdat mensen van die stam ook huizen van leden van haar eigen stam in brand hadden gestoken. Op 13 januari 2001 liet een Britse pastoor verzoekster weten dat haar leven in Kenia in gevaar was en dat hij haar mee zou nemen naar een ander land. De directe aanleiding voor verzoekster om Kenia te verlaten was dat zij van haar advocaat had vernomen dat de militairen die zij van verkrachting had beschuldigd haar wilden vermoorden.

3. Bij besluit van 7 februari 2001 heeft verweerder de eerste asielaanvraag van verzoekster kennelijk ongegrond verklaard. In dat besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat verzoekster toerekenbaar geen reisdocumenten en documenten ter onderbouwing van haar asielrelaas bij haar aanvraag heeft overgelegd. De door verzoekster gestelde discriminatie vanwege haar etnische afkomst heeft verweerder onvoldoende zwaarwegend geacht om haar als vluchteling aan te merken. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij als gevolg van het haar gestelde lidmaatschap van de legale partij Ford-Kenia een gegronde vrees voor vervolging van de zijde van de Keniaanse autoriteiten had. Daarbij heeft verweerder onder meer betrokken dat verzoekster had verklaard dat zij na 1996 geen activiteiten meer had ontplooid voor deze partij. Nu verzoekster evenmin in de twee door haar gestelde ondergane detenties aanleiding had gezien Kenia onverwijld te verlaten, heeft verweerder geconcludeerd dat zij geen vluchtelingrechtelijke vervolging had te duchten. In dat verband heeft verweerder erop gewezen dat verzoekster had verklaard dat zij na haar vrijlating in 1998 van geen enkele zijde problemen had ondervonden. De omstandigheid dat zij tijdens haar tweede detentie is verkracht, heeft verweerder niet tot een andere conclusie gebracht, nu deze verkrachtingen

– zo is gebleken uit de verklaringen van verzoekster – moeten worden beschouwd als willekeurige daden van geweld als uitvloeisel van het gevangenisregime. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat verzoekster de gestelde bedreigingen naar aanleiding van de rechtszaak die zou zijn gevoerd tegen de daders van de gestelde verkrachtingen, niet aannemelijk heeft gemaakt. In dat kader heeft verweerder opgemerkt dat verzoekster geen enkel bewijsstuk van de rechtszaak heeft meegenomen en dat verzoekster zich enkel had gebaseerd op mededelingen aan derden. Indien al moet worden aangenomen dat verzoekster zich daadwerkelijk bedreigd heeft gevoeld door de militairen, heeft het bevreemding gewekt dat zij vervolgens eerst een jaar later Kenia op legale wijze heeft verlaten, aldus verweerder.

4. Het tegen het besluit van 7 februari 2001 gerichte bezwaar van 1 maart 2001 is bij besluit van verweerder van 8 augustus 2002 ongegrond verklaard. Op 2 september 2002 heeft verzoekster tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld. Bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Breda, van 24 februari 2004, zaaknummer AWB 02/66996, is dit beroep ongegrond verklaard. Hiermee is het besluit van 8 augustus 2002 in rechte vast komen te staan.

5. Verzoekster heeft op 1 juli 2008 een tweede aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 30 oktober 2008 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster afgewezen op grond van artikel 30, aanhef en onder a, van de Vw 2000, omdat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Verzoekster heeft op 31 oktober 2008 tegen dit besluit beroep ingesteld en heeft tevens op die datum de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo, van 23 april 2009, AWB 08/38867, is het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat verzoekster met onbekende bestemming was vertrokken. Dit ondanks dat zij de behandeling van haar beroep hier te lande mocht afwachten. De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van gelijke datum, AWB 08/38869, het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Daarmee stond op dat moment in rechte vast dat Zweden verantwoordelijk was voor de behandeling van de asielaanvraag van verzoekster.

6. Op 22 mei 2012 heeft verzoekster een derde asielaanvraag ingediend. Ter onderbouwing van deze aanvraag heeft verzoekster aangevoerd dat zij Nederland niet heeft verlaten na haar asielaanvraag in 2008. In de verkiezingstijd van 2007 zijn drie van haar broers gedood in Kenia. Verzoekster geeft aan dat zij een artikel heeft dat gaat over haar broer [broer A] die in 2007 is gedood door de Mungiki als vergelding voor het organiseren van het geweld tegen die groepering. De Mungiki is een criminele en fundamentalistische groepering die is ontstaan uit de Kikuyu, aldus verzoekster. Volgens verzoekster kan zij gestraft of gedood worden voor hetgeen haar broer [broer A] heeft gedaan, omdat dit in Afrika gebruikelijk is. Daarnaast vreest verzoekster bij terugkeer naar Kenia slachtoffer te worden van seksueel geweld. Voorts vreest zij dat haar stam onder invloed van de Mungiki de besnijdenis weer wil invoeren. Verzoekster beroept zich ook op de slechte situatie voor (alleenstaande) vrouwen in Kenia. Zij geeft ook aan dat ze haar zoon, die in Nederland is ingeburgerd, niet kan beschermen en dat hij het risico loopt om in Kenia seksueel misbruikt te worden. Zij heeft bij haar aanvraag een aantal documenten overgelegd die betrekking hebben op het seksueel geweld tegen vrouwen, en dan met name in vluchtelingenkampen. Volgens verzoekster zal zij bij terugkeer naar Kenia worden aangemerkt als iemand die niet geregistreerd is en zal zij in een overbevolkt vluchtelingenkamp terecht komen, waar vrouwen vaak slachtoffer zijn van verkrachtingen en geweld.

7. Verzoekster heeft ter onderbouwing van de onderhavige aanvraag de volgende documenten overgelegd:

a. een passage uit het rapport ‘Lessons from Kenya: Women and the Post-Election Violence’ van onbekende datum;

b. een artikel van George Munene in de Str8talk Chronicle, ‘Kibaki’s Margin Victory’, van 3 april 2012;

c. een artikel van George Munene getiteld ‘Mungiki Reign and Vigilante Threats’, van 31 oktober 2009;

d. een internetartikel ‘Kenya: Sexual violence continues in IDP camps van 4 maart 2008;

e. een internetartikel getiteld ‘Rights Groups Demand Justice for Kenyans Displaced by Political Violence’ van 21 februari 2012;

f. een artikel getiteld ‘Kenya’s post election violence and the plight of its internally displaced’, van onbekende datum;

g. een nationale identiteitskaart, afgegeven op 15 februari 1998;

h. een brief van Chief Kuresoi uit het Nakuru district, sublocatie Kulesoi, afgegeven op 25 februari 2008, waarin deze aan verzoekster te kennen geeft dat het in delen van Molo/Kulesoi niet langer veilig is na de presidentsverkiezing van 30 december 2007;

i. artikel ‘Kenya: Amnesty International condemns killings in post-election violence’ van 3 januari 2008; en

j. een rapport ‘Kenya: Mungiki – abusers or abused?’ van 29 januari 2010.

8. Verweerder heeft de huidige aanvraag van verzoekster afgewezen bij besluit van 31 mei 2012. De voorzieningenrechter overweegt dat laatstgenoemd besluit en het besluit van 8 augustus 2002, waarbij het bezwaar van verzoekster naar aanleiding van de afwijzing van haar eerste asielaanvraag bij besluit van 1 februari 2001 ongegrond is verklaard, van gelijke strekking zijn. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen dat laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Slecht op grond van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden kan noodzaak bestaan om deze in het nationale recht neergelegde procedureregels niet tegen te werpen, zo blijkt uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar tegen Nederland, LJN: AG8817.

9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster ter onderbouwing van haar huidige aanvraag geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd die kunnen afdoen aan het besluit van 8 augustus 2002. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het huidige relaas van verzoekster en de documenten die zij ter ondersteuning hiervan heeft overgelegd in feite betrekking hebben op de situatie in Kenia tijdens en na de verkiezingen in 2007. Klaarblijkelijk heeft verzoekster de bedoeling gehad om die situatie en de thans gestelde dood van haar broers al naar voren te brengen ten tijde van haar tweede asielaanvraag van 1 juli 2008. Hetzelfde geldt voor de thans nogmaals ingebrachte identiteitskaart en de brief van Chief Kuresoi uit 2008. Verzoekster heeft er evenwel om onduidelijk redenen voor gekozen haar tweede asielaanvraag niet in Nederland of in Zweden inhoudelijk beoordeeld te krijgen. Verzoekster is immers gedurende de beroepsfase, die zij in Nederland mocht afwachten vanwege het door haar ingediende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, met onbekende bestemming vertrokken. Door het indienen van de onderhavige aanvraag beoogt verzoekster in wezen alsnog hier in Nederland een inhoudelijke beoordeling te krijgen van hetgeen zij al aan haar tweede asielaanvraag ten grondslag had willen leggen. Hoewel verweerders besluit van 30 oktober 2008, genomen naar aanleiding van de tweede asielaanvraag van verzoekster, niet van gelijke strekking is als het thans bestreden besluit, is de handelwijze van verzoekster gedurende de vorige procedure niet zonder betekenis voor de hier door de voorzieningenrechter te verrichten ambtshalve toets. Doordat verzoekster om onduidelijke reden met onbekende bestemming is vertrokken en nu pas jaren later weer een asielaanvraag doet, heeft zij het risico genomen dat de aangevoerde ‘nieuwe’ asielmotieven, los van de vraag of deze geloofwaardig zijn te achten, alweer achterhaald en niet meer relevant zijn. Voorts heeft verzoekster met haar handelswijze in de vorige asielprocedure de indruk gewekt dat ook zij toen, subjectief gezien, niet (meer) bij terugkeer naar Kenia voor vluchtelingrechtelijke vervolging of een behandeling is strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden vreesde.

10. Met inachtneming van het vorenstaande overweegt de voorzieningenrechter dat de door verzoekster overgelegde artikelen over seksueel geweld tegen vrouwen in Kenia zien op de situatie aldaar in de periode 2007-2009. Verzoekster heeft niet onderbouwd dat die situatie ten tijde hier van belang nog steeds actueel is, laat staan dat die situatie zodanig is verslechter dat het kan afdoen aan het besluit van 8 augustus 2002 en de overwegingen waarop dat besluit berust. Hetzelfde geldt met betrekking voor haar vrees voor besnijdenis door de Mungiki en het betalen van beschermingsgeld aan deze groepering. Nog daargelaten dat niet valt in te zien waarom verzoekster dit niet heeft aangevoerd bij haar eerste aanvraag, ondanks dat zij zelf heeft verklaard dat de Mungiki al in de jaren negentig bezig waren om besnijdenis weer in te voeren, komt uit de door verzoekster bij haar aanvraag overgelegde stukken naar voren dat de leden van de Mungiki zijn verdreven uit de provincie waar vandaan verzoekster zegt te komen. Bovendien heeft verzoekster, voor zover aangenomen moet worden dat zij niet besneden is, niet aannemelijk gemaakt zij zich niet in Kenia zou kunnen vestigen in een gebied waar de Mungiki geen invloed heeft. Dat uit een aantal in beroep overgelegde artikelen blijkt dat de Mungiki onlangs toch weer actief is in Kenia, doet aan het vorenstaande niet af. Immers, uit die artikelen blijkt niet dat de invloed van de Mungiki sterk is toegenomen sinds de jaren negentig, laat staan dat deze groepering thans een zo grote invloed heeft weten te verwerven in bepaalde delen van Kenia dat zij daar de besnijdenis van alle vrouwen en meisjes kan opleggen. Bovendien is niet aannemelijk gemaakt dat verzoekster en haar zoon zich niet kunnen vestigen in een gebied waar de Mungiki niet of minder actief is.

11. Daarnaast heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat zij de identiteitskaart niet bij haar eerste asielaanvraag kon overleggen, dan wel dat zij pogingen heeft ondernomen om in het bezit te geraken van deze kaart. Bovendien is al uit onderzoek van de Koninklijke Marechaussee (hierna: de KMar) van 2 juli 2008 gebleken dat de identiteitskaart vals is. Verzoekster heeft geen contra-expertise ingebracht die twijfel zou kunnen wekken over de juistheid en/of volledigheid van dit deskundigenbericht. De enkele stelling van verzoekster dat het een echt document betreft, omdat zij de kaart zelf heeft aangevraagd, is hiertoe onvoldoende. Bovendien ziet die stelling voorbij aan het feit dat die kaart op naam staat van [naam 1], geboren te [plaats] op [datum 1] 1973, terwijl verzoekster heeft verklaard dat zij [naam 2] is, geboren op [datum 2] 1973. De identiteitskaart kan dus niet worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Hetzelfde geldt voor de brief van Chief Kulesoi van 25 februari 2008, nu de KMar vanwege het ontbreken van referentiemateriaal geen uitspraak kan doen over de echtheid van dit document. Hierdoor kan niet worden vastgesteld of deze brief afkomstig is uit een objectief verifieerbare bron en is deze brief niet te beschouwen als een nieuw gebleken feit. Daar komt nog bij dat de inhoud van de brief ziet op de periode na de presidentverkiezingen in december 2007 en dus niet relevant is voor de periode thans van belang. Verder is opvallend te noemen dat in de brief is geschreven dat de presidentsverkiezingen plaatsvonden op 20 december 2007, terwijl in het door verzoekster overgelegde artikel ‘Lessons from Kenya: Women and the Post-Election Violence’ wordt gemeld dat dit op 27 december 2007 is geweest.

12. Ten aanzien van de gestelde dood van haar drie broers overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekster ten tijde van haar eerste aanvraag heeft verklaard dat zij één broer heeft, genaamd [broer A] (ook wel [naam]). Al hierom acht verweerder de verklaringen van verzoekster aangaande de dood van haar gestelde twee andere broers [broer B] en [broer C] tijdens en na de verkiezingen van december 2007, niet geloofwaardig. Hierbij wordt ook in aanmerking genomen dat verzoekster bij haar eerste asielaanvraag expliciet is gevraagd of zij nog andere (half)broers of (half)zusters heeft dan genoemde [broer A]. Zij heeft die vraag ontkennend beantwoord. Bovendien heeft verzoekster bij haar tweede asielaanvraag ook tijdens het eerste gehoor slechts melding gemaakt van één broer, zij het dat zij toen de naam van [broer B] heeft opgegeven. De verklaring van verzoekster dat zij tijdens haar eerste asielprocedure getraumatiseerd was en daarom de andere broers niet heeft genoemd, wordt niet gevolgd. Hierbij is van belang dat verzoekster niet met medische stukken heeft onderbouwd dat zij ten tijde van haar eerste asielprocedure getraumatiseerd was en dat dit destijds van invloed was op haar verklaringen. Bovendien verklaart die stelling niet waarom verzoekster tijdens het eerste gehoor van haar tweede asielprocedure alleen de naam van [broer B] heeft genoemd. Bovendien heeft verzoekster op geen enkele wijze onderbouwd dat haar gestelde broers [broer B] en [broer C] zijn gedood. Verzoekster heeft dat enkel van haar moeder vernomen, die niet als objectieve bron wordt beschouwd. Voorts is het vreemd dat verzoekster tijdens haar tweede asielprocedure in 2008 wel melding heeft gemaakt van de gestelde dood van haar broers [broer C] en [broer B], maar toen niet naar voren heeft gebracht dat ook haar broer [broer A] is omgebracht. Dit terwijl hij volgens verzoekster in 2007 is vermoord en zij nog in 2008 nog contact heeft gehad met haar moeder. Bovendien wordt uit de door verzoekster overgelegde artikelen niet duidelijk om welke reden en door wie [broer A] om het leven is gebracht. Zo wordt in het artikel van George Munene in de Str8talk Chronicle van 3 april 2012 gemeld dat deze [broer A] werd beschuldigd van het organiseren van Mungiki-geweld, terwijl diezelfde George Munene in een ander artikel van 31 oktober 2009 meldt dat deze [broer A] is gedood door de Mungiki. Ook verzoekster zelf heeft verklaard dat haar broer [broer A] werd beschuldigd van geweld tegen de Mungiki. Vanwege de tegenstrijdige berichtgeving is niet aannemelijk gemaakt dat genoemde [broer A], indien aangenomen moet worden dat hiermee wordt gedoeld op een broer van verzoekster, werkelijk is gedood. Verzoekster heeft ook geen overlijdensakte overgelegd waaruit dat blijkt. Op grond van het vorenstaande is dan ook niet aannemelijk dat verzoekster vanwege haar broer bij terugkeer in Kenia problemen heeft te verwachten. Zelfs als aangenomen wordt dat het hier een broer van verzoekster betreft die in 2007 is vermoord, kan niet worden ingezien waarom verzoekster daarvan in 2012 als familielid nog problemen heeft te duchten en waarom diens dood thans nog asielrechtelijk relevant is. Te minder nu gesteld noch gebleken is dat er na 2007 iets is gebeurd met de familie van verzoekster. Dat verzoekster naar haar zeggen al enige tijd geen contact meer heeft gehad met haar moeder, betekent niet dat haar moeder – met wie zij in 2008 nog telefonisch contact zou hebben gehad – thans wel problemen ondervindt vanwege haar zoon [broer A]. Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter dan ook tot het oordeel dat de door verzoekster gestelde dood van haar broers niet is te beschouwen als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.

13. De voorzieningenrechter ziet verder niet in hoe de door verzoekster overgelegde informatie over seksueel geweld tegen vrouwen in Kenia in met name vluchtelingenkampen relevant is. In de eerste plaats ziet die informatie op de situatie in de vluchtelingenkampen na de verkiezingen in december 2007 en heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat die informatie hier ten tijde van belang nog actueel en niet achterhaald is. Voorts heeft verzoekster op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat zij en haar zoon bij terugkeer in een vluchtelingenkamp terecht zullen komen en waarom zij zich niet elders in Kenia – al dan niet bij familie of vrienden – kunnen vestigen en handhaven. Daarnaast heeft verzoekster haar stelling dat haar zoon is ingeburgerd in Nederland op geen enkele wijze gestaafd. Overigens hebben verzoekster en haar zoon geruime tijd buiten Nederland verbleven, te weten in Oostenrijk en Zweden. Bovendien vormt het enkele langdurig verblijf in Nederland geen grond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel. Ook hierom is geen sprake van een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.

14. Het beroep is ongegrond. Hierdoor bestaat tevens geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening en wordt dit verzoek afgewezen.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

<b>Beslissing</b>

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A.M.J. Smulders als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2012.

<HR ALIGN="left" WIDTH="50%">

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover daarbij in de hoofdzaak is beslist, binnen <b>één week</b> na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag.</i>

Afschriften verzonden: