Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX2025

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
399806 - HA ZA 11-2175
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aantastbare bouwvergunning, vertragingsschade, vergunningverlening niet mogelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 399806 / HA ZA 11-2175

Vonnis van 11 juli 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J. Geelhoed,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE MIDDEN-DELFLAND,

zetelende te Schipluiden, gemeente Midden-Delfland,

gedaagde,

advocaat mr. J.J. van der Gouw.

Partijen worden hierna [eiser] en de gemeente genoemd.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 20 juli 2011, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- het tussenvonnis van 2 november 2011, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

- de brief van 20 december 2011 aan de zijde van de gemeente, met producties;

- het proces-verbaal van comparitie van 4 januari 2012 en de daarin genoemde stukken;

- de brief van 9 januari 2012 aan de zijde van de gemeente, houdende een aanvulling op het proces-verbaal van comparitie.

1.2.Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.[eiser] exploiteert een agrarisch loon- en grondverzetbedrijf. In april 2000 heeft [eiser] ten behoeve van de door hem voorgestane nieuwbouw tevens uitbreiding van zijn bedrijf het perceel voorheen kadastraal bekend gemeente [plaats A], [sectie, nummer] (thans nrs. [nummers]), gelegen aan de [A-straat te plaats B] (hierna: het perceel) gekocht. Het gebied waarin het perceel is gelegen is in het streekplan 'Zuid-Holland West', door de provinciale staten van Zuid-Holland vastgesteld in januari 1997, aangewezen als bestaand glastuinbouwgebied. In het op 28 maart 2000 door de gemeenteraad vastgesteld bestemmingsplan 'Buitengebied-Noord' rust op het perceel de bestemming 'Agrarische doeleinden (A)', met de subbestemming 'AG'.

2.2.Op 24 juli 2000 heeft [eiser] bij het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Schipluiden (hierna: B&W) een aanvraag ingediend voor het verkrijgen van een bouwvergunning tot het oprichten van een bedrijfsloods en een bijbehorende bedrijfswoning op het perceel. De aanvraag is tevens aangemerkt als een verzoek om vrijstelling van het onder 2.1. genoemde bestemmingsplan als bedoeld in artikel 19 WRO.

2.3.Op 2 oktober 2000 heeft [eiser] zijn bouwplan wat betreft de situering van de bedrijfswoning gewijzigd.

2.4.B&W hebben op 9 maart 2001 bekend gemaakt hun medewerking te verlenen aan vrijstelling van het bestemmingplan ten behoeve van het bouwplan van [eiser].

2.5.Op 18 maart 2001 heeft Zwolbloem B.V. (hierna: Zwolbloem) tegen het voornemen om die vrijstelling te verlenen een zienswijze ingediend.

2.6.Bij brief van 10 mei 2001 (verzonden op 16 mei 2001) heeft B&W kenbaar gemaakt in voornoemde zienswijze geen aanleiding te zien om van het voornemen vrijstelling te verlenen af te zien. Voorts hebben zij daarin bericht dat aan de gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: GS) om een verklaring van geen bezwaar zal worden verzocht.

2.7.Nadat GS op 17 juli 2001 een verklaring van geen bezwaar hadden verleend, hebben B&W bij besluit (in primo) van 28 augustus 2001 onder gelijktijdige verlening van vrijstelling van het bestemmingsplan "Buitengebied-Noord" de door [eiser] aangevraagde vrijstelling en bouwvergunning verleend.

2.8.Tegen dit besluit is door Zwolbloem en Kwekerij J&A van Mil B.V. (hierna: Van Mil) bij brief van 10 september 2001 bezwaar ingesteld. Tevens hebben zij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

2.9.Bij uitspraak van 22 oktober 2001 heeft de president van deze rechtbank de vrijstelling en bouwvergunning hangende de daartegen door Zwolbloem en Van Mil aanhangig gemaakte bezwaarschriftprocedure geschorst tot zes weken na de (nog te nemen) beslissing op bezwaar. Daartoe was redengevend dat geen toereikende ruimtelijke onderbouwing, als voorgeschreven in artikel 19 lid 1 WRO (oud), was gegeven.

2.10.Na advies van de bezwaaradviescommissie van 4 maart 2002 hebben B&W op 31 mei 2002 de bezwaren van Zwolbloem en Van Mil ongegrond verklaard, onder verbetering van de ruimtelijke onderbouwing als door de gemeente gegeven in de beleidsnotitie van 18 december 2001. Zwolbloem en Van Mil zijn tegen deze beslissing op bezwaar in beroep gekomen.

2.11. Op 25 juli 2002 is het Regionaal Structuurplan Haaglanden (hierna: het RSH) van kracht geworden. Het RSH is ingevolge artikel 36c lid 1 WRO op 20 februari 2002 vastgesteld door het Algemeen Bestuur van het Stadsgewest Haaglanden, de plusregio als bedoeld in artikel 104 Wet gemeenschappelijke regelingen waarvan de gemeente deel uitmaakte, en op 14 juni 2002 goedgekeurd door GS. In het RSH is het betrokken gebied aangewezen als duurzaan glastuinbouwgebied en als concrete beleidsbeslissing; 'In het Westland is, met uitzondering van natuurgebieden, kustzones, duingebeid, agrarische gebieden en recreatiegebieden in Midden-Delfland, behoudens aan glastuinbouw- en agrarische bedrijven gelieerde woon- en bedrijfsbebouwing, uitsluitend bebouwing toegestaan:

(...) buiten de op de plankaart aangegeven duurzame glastuinbouwgebieden (...)

De duurzame, dat wil zeggen in ieder geval te handhaven, glastuinbouwgebieden in het Westland en in Pijnacker-Nootdorp die zijn aangegeven op de plankaart.'

2.12.Bij uitspraak van 25 oktober 2002 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de door Zwolbloem en Van Mil tegen de beslissing op bezwaar ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

2.13.Zwolbloem en Van Mil hebben tegen de onder 2.12. genoemde beslissing bij de Raad van State hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 9 juli 2003 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) het hoger beroep gegrond verklaard. De Afdeling overweegt hierbij:

'In voormelde Streekplan Zuid-Holland-West is het betrokken gebied aangeduid als bestaand glastuinbouwgebied. Het betreft daarin een zogeheten indicatief element, waarvan Gedeputeerde Staten kunnen afwijken zonder dat daarvoor enige procedure is vereist. In zoverre bestond er geen beletsel voor Gedeputeerde Staten om de verklaring van geen bezwaar te verlenen.

De Afdeling is echter van oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing voor het project, neergelegd in de beleidsnotitie van 18 december 2001, niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, nu daarin geen relatie wordt gelegd tussen het project en hetgeen in het toen reeds vastgestelde RSH over dit gebied is bepaald. In het RSH is het betrokken gebied aangeduid als "duurzaam glastuinbouwgebied" en is bepaald dat het een als concrete beleidsbeslissing aan te merken element betreft. Gelet daarop, en in aanmerking genomen dat alle voormelde ruimtelijke plannen (rechtbank: lees het bestemmingsplan Buitengebied-Noord en het streekplan Zuid-Holland West) zijn gericht op het behoud van het glastuinbouwareaal in het betrokken gebied, alsmede op het feit dat de realisering van het project hiermee in strijd is, had op deugdelijke wijze onderbouwd moeten worden waarom het project past binnen de toekomstige bestemming van het desbetreffende gebied. Een deugdelijke onderbouwing ontbreekt echter. (...)

Nu het project ten tijde hier van belang niet was voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing, was het college niet gerechtigd toepassing te geven aan artikel 19, eerste lid, van de WRO (...).

Het hoger beroep is gegrond.'

Met deze uitspraak zijn de beslissingen op bezwaar en beroep van respectievelijk 31 maart 2002 en 2 oktober 2002 vernietigd en diende opnieuw op het bezwaar van Zwolbloem en Van Mil te worden beslist.

2.14.Bij besluit van 16 december 2003 hebben B&W de bezwaren van Zwolbloem en Van Mil alsnog gegrond verklaard en de vrijstelling en de bouwvergunning van [eiser] herroepen.

2.15.[eiser] heeft tegen voornoemd besluit beroep en hoger beroep ingesteld, doch tevergeefs.

3.Het geschil

3.1.[eiser] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1.voor recht verklaart dat de gemeente jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door de onzorgvuldige en ontijdige besluitvorming op zijn aanvraag waardoor de vrijstelling vanwege gewijzigde regelgeving uiteindelijk moest worden geweigerd en de gemeente veroordeelt tot betaling aan [eiser] van de door hem dientengevolge geleden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

2.de gemeente veroordeelt tot betaling aan [eiser] van een voorschot ten bedrag van € 135.000,-- op de nader te bepalen schadevergoeding;

3.de gemeente veroordeelt tot betaling aan [eiser] van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 904,--, te vermeerderen met de wettelijke rente;

4.de gemeente veroordeelt in de proceskosten.

3.2.[eiser] legt primair aan zijn vorderingen ten grondslag dat (het college van B&W) van de gemeente bij de besluitvorming op de onder 2.2. genoemde vergunningaanvraag heeft gehandeld in strijd met diverse wetsbepalingen die waarborgen dat een op een vergunningaanvraag te nemen besluit zorgvuldig en tijdig wordt genomen. Zo voldeed de beslissing op bezwaar volgens [eiser] niet aan de in artikel 19 WRO neerlegde vereisten op het punt van de ruimtelijke onderbouwing. Voorts zou de gemeente de wettelijke beslistermijnen ten aanzien van het besluit in primo en de beslissing op het bezwaar ruimschoots hebben overschreden. [eiser] stelt dat de uitspraak van de Afdeling anders zou hebben geluid wanneer de gemeente de ter zake geldende wettelijke bepalingen in acht had genomen. Indien tijdig zou zijn beslist, had er geen reden (kunnen) zijn geweest om de beslissing op het bezwaar te herzien omdat deze beslissing dan ruimschoots was genomen voor de datum waarop het RSH met de daarin opgenomen concrete beleidsbeslissing van kracht zou worden, terwijl de vrijstelling en de vergunningaanvraag nu moeten worden geweigerd. [eiser] stelt dat hij door dit onzorgvuldig en/of onrechtmatig handelen van de gemeente de nieuwbouw van zijn bedrijf pas acht jaar later dan gepland, in 2008, en op een ander perceel kon uitvoeren. [eiser] houdt de gemeente aansprakelijk voor de dientengevolge door hem geleden schade, onder meer bestaande uit de in 2008 ten opzichte van 2001 fors gestegen bouwkosten, de omzetschade vanwege het niet kunnen uitbreiden van het bedrijf, de dubbele kosten in verband met de aankoop en levering van twee percelen en de renteschade.

Subsidiair stelt [eiser] dat de gemeente onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door in primo niet de juiste beslissing te nemen. In dat geval had hij zijn bouwplan (eerder) op een andere locatie kunnen realiseren en geen of aanmerkelijk minder schade geleden.

3.3.De gemeente voert gemotiveerd verweer.

3.4.Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

onrechtmatige termijnoverschrijding ten aanzien van de beslissing in primo?

4.1.De gemeente betwist onder meer dat er ten aanzien van het besluit in primo sprake is van een onrechtmatige termijnoverschrijding. De rechtbank volgt de gemeente hierin en legt aan dit oordeel het volgende ten grondslag.

4.2.Tussen partijen is niet in geschil dat het besluit in primo 24 weken na de vergunning-/vrijstellingsaanvraag genomen moest worden. Tussen partijen staat echter ter discussie wanneer deze termijn in aangevangen. [eiser] stelt dat dit op 2 oktober 2000 is geweest, de dag waarop het bouwplan is gewijzigd. De gemeente heeft daartegenover aangevoerd dat de aanvraag op het moment van indiening en wijziging onvolledig was als een aanvraag voor een bouwvergunning met een vrijstelling, waaraan meer vereisten worden gesteld dat aan een aanvraag voor een bouwvergunning zonder vrijstelling. De gemeente stelt dat de laatste aanvulling op 3 februari 2001 door haar is ontvangen. Dit betoog is onvoldoende door [eiser] weersproken. Mede gelet op de ingevolge artikel 4:2 lid 2 AWB op de aanvrager van een beschikking rustende verplichting om aan het bestuursorgaan de gegevens en bescheiden te verschaffen die nodig zijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag, houdt de rechtbank het er dan ook voor dat het dossier op 3 februari 2001 compleet was en dat de hiervoor genoemde 24-wekentermijn die dag is aangevangen. Dit betekent dat uiterlijk eind juli 2001 op de aanvraag van [eiser] had moeten worden beslist. Dat is niet gebeurd; het besluit in primo dateert van 28 augustus 2001. Geconcludeerd dient derhalve te worden dat ten aanzien van het besluit in primo sprake is van een termijnoverschrijding. Echter, zoals de gemeente terecht betoogt, is volgens vaste jurisprudentie (HR 22 oktober 2010, LJN BM 7050) de enkele omstandigheid dat een bestuursorgaan een besluit neemt met overschrijding van de wettelijke beslistermijn onvoldoende voor het oordeel dat er sprake is van onrechtmatig handelen. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig die meebrengen dat het bestuursorgaan in strijd handelt met de in het maatschappelijk verkeer jegens een belanghebbende in acht te nemen zorgvuldigheid. Daarbij kan onder meer van belang zijn de mate waarin de beslistermijn wordt overschreden. In casus is - anders dan in de door [eiser] ter zake aangehaalde jurisprudentie - de overschrijding betrekkelijk gering, ca. 4 weken. Daarbij komt dat van de zijde van [eiser] ter comparitie is erkend dat het niet onredelijk is dat een vrijstellingsprocedure zeven maanden oftewel 28 weken vergt. Tegen deze achtergrond oordeelt de rechtbank de termijnoverschrijding ten aanzien van de beslissing in primo niet onrechtmatig. De enkele stelling dat een en ander sneller zou hebben kunnen verlopen als de gemeente direct al haar vragen aan het begin van de procedure zou hebben gesteld, rechtvaardigt niet de conclusie dat de gemeente jegens [eiser] een zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden. Bijkomende feiten en omstandigheden waaruit zou kunnen volgen dat dit wel het geval is, zijn door [eiser] gesteld noch anderszins gebleken.

onrechtmatige termijnoverschrijding ten aanzien van de beslissing op bezwaar?

4.3.De rechtbank constateert dat het bezwaar van Zwolbloem en Van Mil dateert van 10 september 2001. Niet in geschil is dat - nu een bezwaaradviescommissie is ingeschakeld - de wettelijke beslistermijn tien weken was. De beslissing op bezwaar had derhalve medio november 2001 genomen moeten worden. De beslissing op bezwaar is gedateerd op 31 mei 2002, aldus ca. 26 weken te laat. Zoals hiervoor reeds overwogen brengt de enkele termijnoverschrijding nog niet met zich mee dat onrechtmatig jegens [eiser] is gehandeld. De gemeente heeft ten verwere aangevoerd dat in casu omstandigheden aanwezig waren die de overschrijding van de wettelijke beslistermijn rechtvaardigen. Ten eerste stelt de gemeente dat B&W in redelijkheid de uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening hangende de bezwaarschriftprocedure mocht afwachten alvorens de bezwaarprocedure te vervolgen. Volgens de gemeente zijn B&W en [eiser] naar aanleiding van die uitspraak in overleg getreden over de vereiste aanpassing van de ruimtelijke onderbouwing van de vrijstelling. Dit overleg zou enige vertraging hebben opgelopen omdat er discussie was over de daarmee gemoeide kosten. Uiteindelijk heeft het overleg erin geresulteerd dat er in december 2001 een vernieuwde ruimtelijke onderbouwing is geformuleerd. De gemeente meent dat uit de handelswijze van [eiser] mag worden opgemaakt dat [eiser] heeft ingestemd met uitstel van de beslissing op bezwaar. Ten slotte stelt de gemeente dat het vereiste advies van de bezwaarschriftenadviescommissie eerst op (de rechtbank leest) 4 maart 2002 is verschenen. Een en ander brengt volgens de gemeente mee dat eerst toen voldoende gegevens beschikbaar waren om een beslissing op bezwaar te nemen, die op 31 mei 2002 is genomen. Derhalve is geen sprake van een onrechtmatige termijnoverschrijding, aldus nog steeds de gemeente.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde omstandigheden, die voor een deel in de risicosfeer van [eiser] liggen en door [eiser] niet worden betwist, een voldoende rechtvaardigingsgrond zijn voor de opgetreden vertraging. Voorts acht de rechtbank in dit kader relevant dat de Algemene wet bestuursrecht in artikel 6:20 een voorziening bevat voor een belanghebbende als niet tijdig een besluit wordt genomen. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] deze voorziening heeft benut. Evenmin is gesteld of gebleken dat de gemeente zich niet heeft ingespannen zo spoedig mogelijk te beslissen.

4.4.Het voorgaande leidt ertoe dat een goede ruimtelijke onderbouwing niet meer mogelijk was. Uitgangspunt in de bezwaarschriftprocedure is immers volledige bestuurlijke heroverweging. Voorts wordt in een bestuursrechtelijke procedure een besluit getoetst aan de op het moment van het nemen van het besluit op bezwaar van toepassing zijnde toetsingskader. Nu er - naar onweersproken stelling van de gemeente - nimmer een (inter)gemeentelijk structuurplan is geweest waarmee het bouwplan van [eiser] in overeenstemming was, moet ingevolge artikel 19 lid 1, derde volzin, WRO oud in de ruimtelijke onderbouwing worden ingegaan op de relatie van het project met het geldende bestemmingsplan dan wel worden aangegeven waarom dat project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. Het RSH is bij besluit van 20 februari 2002 vastgesteld. Geconcludeerd dient derhalve te worden dat er ten tijde van de besluitvorming een concrete beleidsbeslissing voor lag die zich verzette tegen het bouwplan van [eiser], hetgeen aan een voldoende ruimtelijke onderbouwing in de weg stond.

4.5.Uit het voorgaande volgt dat het beroep van [eiser] op onrechtmatige daad faalt voor zover dit is gegrond op de termijnoverschrijding dan wel op onvoldoende ruimtelijke onderbouwing. Subsidiaire spreekt [eiser] de gemeente aan uit onrechtmatige daad wegens het niet nemen van de juiste beslissing in primo. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

4.6.Een overheidsorgaan handelt in beginsel onrechtmatig door een vergunning te verlenen die later wordt vernietigd en is dan in principe aansprakelijk voor de dientengevolge door de vergunninghouder geleden schade (zie o.a. HR 10 april 2009, NJ 2009/515). Die aansprakelijkheid strekt echter niet verder dan tot vergoeding van de schade die de vergunninghouder heeft geleden ten gevolge van de omstandigheid dat hij op de rechtmatigheid van de vergunning heeft vertrouwd en heeft mogen vertrouwen. In dit geval is van belang dat vaststaat dat ten tijde van de beslissing op bezwaar geen bouwvergunning met vrijstelling meer had kunnen worden verleend. Dat betekent dat geen sprake is van een situatie waarin achteraf komt vast te staan dat een aantastbare vergunning is verleend waar evenzeer direct een onaantastbare vergunning had kunnen worden verleend, in welke situatie aanleiding bestaat voor vergoeding van vertragingsschade (zie wederom HR 10 april 2009, NJ 2009/515). Deze grond voor vergoeding van vertragingsschade doet zich dus niet voor.

4.7.Het handelen van [eiser] heeft in concreto bestaan uit een niet-handelen. Hij heeft ervan afgezien de bouwvergunning van het perceel te gebruiken (bij nader inzien: terecht). De rechtbank is met de gemeente van oordeel dat de hierdoor geleden schade voor rekening van de gelaedeerde dient te blijven. Ingevolge het arrest HR 29 april 1994, NJ 1997, 396 (Schutterduin) geldt dat voor het geval dat de houder van een bouwvergunning reeds met bouwen begint voordat de bouwvergunning onherroepelijk is deze op eigen risico handelt en niet naderhand de gemeente kan aanspreken uit onrechtmatige daad. Een en ander is ingegeven door het feit dat een belanghebbende er bij een hem begunstigend besluit rekening mee dient te houden dat het betrokken besluit aan bezwaar en beoordeling door de bestuursrechter blootstaat en dat hij daarom niet zonder meer op dat besluit mag afgaan. Nu voor de situatie waarin [eiser] gebouwd zou hebben het risico van zijn handelen bij hem zou liggen, geldt dat eens te meer nu [eiser] nog niet heeft gebouwd en dus niet is geconfronteerd met kosten (voor verwijdering van het bouwwerk). Voorts neemt de rechtbank in dit kader in aanmerking dat [eiser] er zelf voor heeft gekozen (i) om zich te vestigen en te bouwen op een locatie waar de vestiging van zijn bedrijf volgens het vigerende bestemmingsplan niet was toegestaan en (ii) het perceel aan te kopen voordat de bouwvergunning en vrijstelling onherroepelijk waren. Deze omstandigheden liggen in zijn risicosfeer. Daar komt nog bij dat het [eiser] vrijstond om, indien hij van mening was dat de procedure te lang duurde, af te zien van het gebruik van de vergunning om op het perceel te bouwen en zijn bouwplan elders (te pogen) te verwezenlijken.

4.8.Aanspraak op schadevergoeding zou onder deze omstandigheden mogelijk nog kunnen bestaan als van de zijde van de gemeente bij de vergunninghouder het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat een ingesteld of nog in te stellen bezwaar of beroep niet tot vernietiging zal leiden. Het enkele voornemen van de gemeente om een vergunning te verlenen of de vergunningverlening volstaat voor een zodanig vertrouwen niet. Aan de stelling van [eiser] dat de gemeente bepaalde toezeggingen zou hebben gedaan, gaat de rechtbank als onvoldoende onderbouwd voorbij. [eiser] heeft gesteld dat het perceel in overleg met de wethouder is aangekocht en dat de wethouder steeds zou hebben gezegd dat "het wel goed zou komen", maar de gemeente heeft dit gemotiveerd betwist. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de gemeente [eiser] en zijn vertegenwoordigers heeft gewezen op de risico's die aan de vergunningprocedure gebonden waren, omdat met name onzeker was of de vestiging van het bedrijf in het gebied van de kassenbouw stand kon houden. Tegenover deze gemotiveerde betwisting is de enkele opmerking "dat het wel goed komt" onvoldoende om van een toezegging te kunnen spreken. Het had op de weg van [eiser] gelegen zijn stellingname ter zake nader te onderbouwen door aan te geven wat bij welke omstandigheden precies aan hem is gezegd en dat hoe dit bij hem zodanig vertrouwen heeft gewekt dat hij redelijkerwijs heeft mogen afwachten en dit tot schadeplichtigheid van de gemeente leidt. Nu bijkomende feiten en omstandigheden waaruit zou kunnen volgen dat [eiser] aanspraak zou kunnen maken op schadevergoeding zijn gesteld noch gebleken, liggen de vorderingen van [eiser] voor afwijzing gereed. Aan bewijslevering komt de rechtbank bij deze stand van zaken niet toe.

4.9.[eiser] zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op:

- vast recht € 3.529,00

- salaris advocaat (2 punten x tarief V) € 2.842,00

Totaal € 6.371,00

5.De beslissing

De rechtbank

5.1.wijst de vorderingen af;

5.2.veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 3.529,-- aan vast recht en € 2.842,-- aan salaris advocaat;

5.3.verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.M. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.