Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX1904

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
405233 - HA ZA 11-2552
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad: onrechtmatige beslaglegging. Schade doordat overheid zonder voldoende redelijk belang niet haar medewerking heeft willen verlenen aan vrijgave van een gelddepot onder de notaris, terwijl vervangende hypothecaire zekerheid kon worden verstrekt. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 405233 / HA ZA 11-2552

Vonnis van 20 juni 2012

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. P.A.L.C. Lamme te 's-Gravenhage,

tegen

de rechtspersoon naar publiek recht

GEMEENTE LEIDEN,

gevestigd te Leiden,

gedaagde,

advocaat mr. R. Lever te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Gemeente genoemd worden.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 10 oktober 2011, met producties,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- het tussenvonnis van 14 december 2011, waarbij een comparitie van partijen is bevolen,

- het proces-verbaal van comparitie van 20 maart 2012, met de daarin vermelde stukken,

- de brief van mr. Lamme van 2 april 2012,

- de brief van mr. Lever van 23 maart 2012,

- de akte houdende vermeerdering van eis van de zijde van [eiseres],

- de antwoordakte van de zijde van de Gemeente.

1.2.Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.[eiseres] is in een langdurig conflict verwikkeld met de Gemeente, welk conflict haar oorsprong vindt in een tussen partijen in 1991 gesloten overeenkomst van ruiling met betrekking tot het perceel aan de [A-straat te plaats A] dat bij akte in 1993 is geleverd aan de Gemeente.

2.2.Terwijl over dit perceel tussen partijen juridische procedures aanhangig waren, heeft [eiseres] in 2003 binnen de bebouwing op dit perceel dertien appartementen gerealiseerd zonder de vereiste bouwvergunning.

2.3.Bij arrest van 26 januari 2006 heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage geoordeeld dat de Gemeente niet toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten ruilovereenkomst. Het door [eiseres] daartegen ingestelde cassatieberoep is verworpen.

2.4.Bij besluit van 2 november 2007, verzonden 15 november 2007, heeft het college [eiseres] gelast om binnen 18 weken de dertien appartementen op het perceel te verwijderen en de situatie terug te brengen naar de laatst vergunde toestand, op straffe van een dwangsom van € 15.000,- voor elke week of weekdeel dat zij geen gevolg zou geven aan de lastgeving met een maximum van € 180.000,- . Het door [eiseres] tegen dit besluit ingestelde bezwaar, beroep en hoger beroep is telkens verworpen. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is van 2 maart 2011.

2.5.De dwangsommen zijn reeds voordien verbeurd. Op 23 december 2008 heeft de Gemeente een dwangbevel uitgevaardigd tot betaling van € 180.000,- vermeerderd met rente en invorderingskosten.

2.6.Op 20 januari 2009 heeft de Gemeente voornoemd dwangbevel aan [eiseres] betekend, met het verzoek om binnen twee dagen aan de inhoud van het dwangbevel te voldoen. [eiseres] heeft hieraan niet voldaan.

2.7.Op 23 januari 2009 heeft de Gemeente executoriaal beslag laten leggen op alle (in totaal 29) aan [eiseres] in eigendom toebehorende onroerende zaken.

2.8.[eiseres] heeft op 13 februari 2009 de Gemeente gedagvaard in kort geding.

2.9.[eiseres] heeft op 2 maart 2009 tegen het onder 2.5 genoemde dwangbevel verzet ingesteld. Het hoger beroep in deze verzetprocedure loopt nog.

2.10.De Gemeente heeft op 3 maart 2009 aan [eiseres] volmacht verleend om alle beslagen door te halen, nadat [eiseres] vervangende zekerheid had gesteld door (een deel van) de netto-opbrengst van de verkoop van haar panden aan de [B-straat te plaats A] in depot te houden onder de notaris. Daarbij ging het om een bedrag van in totaal circa € 200.000,-.

2.11.Het onder 2.8 genoemde kort geding is behandeld op 25 maart 2009. Het vonnis is uitgesproken op 27 maart 2009. De voorzieningenrechter heeft toen beslist dat de Gemeente het depotbedrag diende vrij te geven, zodra [eiseres] als vervangende zekerheid een eerste hypothecaire inschrijving ten gunste van de Gemeente zou hebben bewerkstelligd voor een bedrag van ten minste € 300.000,-.

2.12.Bij brief van 19 augustus 2011 heeft [eiseres] de Gemeente aansprakelijk gesteld. Daaraan heeft zij ten grondslag gelegd dat zij als gevolg van het beslag en de weigering van de Gemeente om medewerking te verlenen aan vrijgave van het depot tegen vervangende hypothecaire zekerheid, een op 5 januari 2009 door [eiseres] als koper en B.V. Handels- en beleggingsmaatschappij C.J.S. (hierna: CJS) en L.F.M. Properties B.V. (hierna: LFM) als verkopers gesloten koopovereenkomst met betrekking tot een aantal onroerende zaken in Leiden niet heeft kunnen nakomen, waardoor zij een boete van € 120.000,- verschuldigd is geraakt aan CJS.

3.Het geschil

3.1.[eiseres] vordert bij dagvaarding - samengevat - een verklaring voor recht dat de Gemeente onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld door geen medewerking te verlenen aan vrijgave van het zich onder de notaris bevindende depot en veroordeling van de Gemeente tot betaling van € 120.000,-, vermeerderd met rente en (buitengerechtelijke) kosten.

3.2.Bij akte tot vermeerdering van eis heeft [eiseres] daarnaast een verklaring voor recht gevorderd dat de Gemeente onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld omdat zij misbruik van (beslag)recht heeft gemaakt door beslag te leggen op alle aan [eiseres] in eigendom toebehorende onroerende zaken, met veroordeling van de Gemeente tot betaling van gederfde winst als gevolg van het niet doorgaan van de transactie met CJS, op te maken bij staat.

3.3.De Gemeente voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Wijziging van eis

4.1.De rechtbank heeft [eiseres] toegestaan om na de comparitie bij akte een eisvermeerdering te formuleren. De Gemeente heeft zich verzet tegen de eisvermeerdering op procesrechtelijke en inhoudelijke gronden.

4.2.Nu de stelling dat sprake is van misbruik van recht, zij het niet expliciet, in de dagvaarding reeds besloten ligt en de Gemeente hier inhoudelijk op heeft gereageerd bij conclusie van antwoord en in reactie op de vermeerdering van eis, worden de bezwaren van de Gemeente op dit punt gepasseerd. Dat ligt anders met betrekking tot de gederfde winst. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] dit punt reeds bij dagvaarding naar voren had kunnen en moeten brengen, temeer nu het door haar gestelde schadeveroorzakend handelen zich al begin 2009 heeft voorgedaan. Met het oog op de goede procesorde kan dit onderdeel van de eiswijziging derhalve niet worden toegelaten. De rechtbank weegt daarbij mee dat - hoewel [eiseres] in staat is gesteld zich bij akte uit te laten - zij haar schade op geen enkele wijze concreet heeft onderbouwd.

4.3.De rechtbank staat de eiswijziging derhalve gedeeltelijk toe, namelijk uitsluitend voorzover betrekking hebbend op de vordering vermeld onder II van het petitum van de akte.

Onrechtmatige beslaglegging

4.4.Het betoog van [eiseres] strekt ertoe dat de Gemeente haar op onrechtmatige wijze schade heeft toegebracht (i) door op al haar onroerende zaken beslag te leggen, waardoor de handel in de in- en verkoop van onroerende zaken werd stilgelegd en (ii) door vervolgens niet mee te willen werken aan het beschikbaar stellen van het bij de notaris aanwezige gelddepot, terwijl er een minder belastend en voor de Gemeente gelijkwaardig alternatief voor het gelddepot voor handen was in de vorm van vervangende hypothecaire zekerheid. Als gevolg van deze handelswijze heeft [eiseres] haar verplichtingen uit het met CJS en LFM gesloten koopcontract van 5 januari 2009 niet kunnen nakomen en is zij op 9 februari 2009 aansprakelijk gesteld door CJS voor het geval de levering niet zou plaatsvinden.

4.5.Bij de beoordeling van dit betoog staat voorop dat in rechte niet is komen vast te staan dat de vordering waarvoor het beslag is gelegd, ongegrond is. De last onder dwangsom, waarop het dwangbevel is geënt, is onherroepelijk geworden. De verzetprocedure tegen het dwangbevel loopt nog, zodat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel is geschorst. Onder de gegeven omstandigheden kan de grondslag voor eventuele schadevergoeding derhalve niet worden gevonden in het feit dat het beslag geheel of gedeeltelijk ongegrond is gelegd, omdat de dwangsommen niet verschuldigd zouden zijn. Van een risicoaansprakelijkheid van de beslaglegger kan derhalve niet worden uitgegaan (HR 11 april 2003, NJ 2003, 440).

4.6.Dat laat onverlet dat ook het handelen van de Gemeente gedurende het beslag kan worden beoordeeld. Niet juist is echter het standpunt van [eiseres] dat reeds omdat de voorzieningenrechter bij vonnis van 27 maart 2009 na afweging van de verschillende belangen heeft geoordeeld dat de Gemeente haar medewerking moet verlenen aan de vrijgave van het depot, onder vervangende hypothecaire zekerheidstelling, zij aansprakelijk kan worden gehouden voor de door [eiseres] verschuldigde boete uit het koopcontract. Ter beoordeling van de voorzieningenrechter stond immers niet de vraag naar de aansprakelijkheid van de beslaglegger voor de gevolgen van het beslag, maar de vraag of met het oog op de onevenredigheid van de belangen tussen de beslaglegger en de beslagene de opheffing van het beslag geboden was. Daarmee wordt geen oordeel gegeven over de vraag of de Gemeente aansprakelijk kan worden gehouden voor de (mogelijke) gevolgen van haar weigering om medewerking te verlenen aan vrijgave van het depot. Deze vraag wordt eerst in onderhavige procedure aan de orde gesteld. Ook bij het antwoord op die vraag geldt dat voor het welslagen is vereist dat de Gemeente in redelijkheid niet tot een afwijzing van het verzoek om vrijgave van het depot heeft kunnen komen.

4.7.De Gemeente heeft betoogd niet meer te hebben kunnen achterhalen waarom destijds is gekozen voor depotstelling en waarom het alternatief werd afgewezen. De Gemeente heeft echter haar medewerking verleend aan het vrijmaken van de beslagen op de panden aan de [B-straat], omdat [eiseres] deze panden wilde verkopen. De Gemeente was toen niet bekend met de kooptransactie van 5 januari 2009 en de aansprakelijkstelling van 9 februari 2009. Daarvan heeft zij eerst kennis genomen in het kortgeding. Eerst toen is haar duidelijk geworden dat het verzoek om vrijstelling van het depot betrekking had op deze transactie. De Gemeente is er toen vanuit gegaan dat na de vrijgave van het depot de koop alsnog doorgang zou vinden, zodat geen boete verschuldigd zou zijn.

4.8.Het verweer van de Gemeente slaagt. Misbruik van bevoegdheid vereist immers dat degene die van zijn bevoegdheid gebruik maakt de onevenredigheid tussen zijn belang en dat van degene die door de uitoefening daarvan wordt geschaad, op het daarvoor in aanmerking komende tijdstip kende of behoorde te kennen (HR 21 mei 1999, NJ 1999, 507). De rechtbank overweegt dat in de door [eiseres] overgelegde brieven van haar advocaat aan de Gemeente van 30 januari 2009 en 9 februari 2009 de transactie van 5 januari 2009 en het mogelijk verbeuren van een boete bij niet-nakoming niet concreet worden genoemd, terwijl dat bij de panden aan de [B-straat] telkens wel het geval is geweest. Als de situatie zo acuut en nijpend was als [eiseres] thans betoogt, dan had het voor de hand gelegen dat zij, evenals bij de andere panden, de Gemeente ook aanstonds na het beslag duidelijkheid en inzicht had verschaft over deze transactie, zodat de Gemeente daar adequaat op had kunnen reageren. Dat geldt ook voor het betoog van [eiseres] dat juist door de verplichte depotstelling de kooptransactie geen doorgang heeft kunnen vinden. Gesteld noch gebleken is dat [eiseres] aan de Gemeente een duidelijk en verifieerbaar inzicht heeft gegeven in haar financiële positie. Daardoor valt, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien, waarom juist het door de Gemeente verplicht gestelde depot van circa € 200.000,- waarmee [eiseres] op 3 maart 2009 instemde, een belemmering vormde voor de kooptransactie, nu dit bedrag slechts een fractie vormt van de totale koopprijs van € 1,2 miljoen. Voor zover [eiseres] bedoelt te stellen dat door het algehele beslag ook de financiering van de volledige koopsom niet kon worden verkregen, heeft zij dat onvoldoende onderbouwd. Daarbij geldt dat ook in dat geval gesteld noch gebleken is dat [eiseres] de Gemeente over de urgentie van dit probleem concreet op de hoogte heeft gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank was het derhalve voor de Gemeente onvoldoende kenbaar dat ook met het oog op deze kooptransactie van 5 januari 2009 het beslag en de depotstelling onevenredig belastend voor [eiseres] was. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat de Gemeente zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van bevoegdheid.

4.9.Het bovenstaande voert tot de slotsom dat de vordering van [eiseres] zal worden afgewezen. De rechtbank voegt aan deze conclusie ten overvloede toe dat in onderhavige procedure niet duidelijk is geworden of, wanneer en op welke gronden [eiseres] de boete verschuldigd is geraakt. Als [eiseres] deze boete verschuldigd is geworden op 17 februari 2009, conform de brief van CJS van 9 februari 2009, dan valt niet in te zien waarom in het kort geding alsnog ten behoeve van de kooptransactie vrijgave van het depot is gevorderd. Van de koop zou dan immers reeds zijn afgezien. Als de boete op een later moment, bijvoorbeeld pas nadat uitspraak is gedaan in kort geding, verschuldigd is geworden, is de vraag in hoeverre dit verschuldigd worden van de boete door de depotstelling is veroorzaakt, aangezien deze toen werd opgeheven. Vooralsnog is de rechtbank dan ook van oordeel dat [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd dat de boete verschuldigd is geraakt doordat de Gemeente tot het moment dat de voorzieningenrechter hen daartoe verplichtte, niet haar medewerking aan de vrijgave van het depot heeft willen verlenen.

4.10.[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Gemeente worden begroot op:

- griffierecht 3.529,00

- salaris advocaat 3.552,50 (2,5 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 7.081,50

5.De beslissing

De rechtbank

5.1.wijst de vorderingen af,

5.2.veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Gemeente tot op heden begroot op € 7.081,50,

5.3.veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Brand en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2012.