Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX1748

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
17-07-2012
Zaaknummer
407795 - HA ZA 11-2722
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoofdelijke aansprakelijkheid, faillissement.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 407795 / HA ZA 11-2722

Vonnis van 27 juni 2012 bij vervroeging

in de zaak van

de naamloze vennootschap

DEUTSCHE BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. A.P. van Dijk te 's-Gravenhage,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. C.J. Dreef te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna de bank en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 14 november 2011, met een productie;

- de conclusie van antwoord;

- het tussenvonnis van 25 januari 2012 waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 7 juni 2012 en de daarin genoemde stukken.

1.2.Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.Op 31 oktober 2008 is onder nummer [nummer] een schriftelijke kredietovereenkomst OndernemersRekeningCourantKrediet gesloten tussen ABN AMRO Bank N.V. (hierna: ABN AMRO) en [A] Productontwikkeling B.V. (hierna: de B.V. en de overeenkomst). Op grond van de overeenkomst is aan de kredietnemer een krediet van € 25.000 verstrekt. De overeenkomst vermeldt onder "Zekerheden en verklaringen" onder andere: " - Hoofdelijke mede-aansprakelijkheid van: [gedaagde] wonende te [woonplaats], (Hoofdelijk Medeschuldenaar)."

2.2.In het voorjaar van 2009 is een saldotekort ontstaan dat hoger was dan de kredietlimiet. Bij brieven van 25 maart en 22 april 2009 is de B.V. op de hoogte gesteld van het saldotekort met sommaties het saldo weer binnen de grenzen van de limiet te brengen.

Bij brief van 6 mei 2009 is de BV in gebreke gesteld. Bij brief van 19 mei 2009 is de B.V. nogmaals aangemaand tot betaling. Bij brief van 16 juni 2009 heeft ABN AMRO de overeenkomst opgezegd. Bij brief van 15 juni 2009 heeft ABN AMRO [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor het tekort dat op dat moment € 39.275,57 bedroeg.

2.3.De B.V. is op 8 september 2009 in staat van faillissement verklaard. Bij brief van 14 september 2009 heeft ABN AMRO de curator in het faillissement verzocht haar vordering op te nemen op de lijst van voorlopig erkende crediteuren. Uit het faillissement is nog geen uitkering gedaan.

2.4.Na mutaties bedraagt het saldotekort per 17 mei 2010 € 33.753,86.

2.5.De bank is de rechtsopvolgster van ABN AMRO.

3.Het geschil

3.1.De bank vordert- samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 40.195,94, vermeerderd met rente en kosten. Voornoemd bedrag bestaat naast de hoofdsom van € 33.753,86 (per 17 mei 2010), uit een bedrag van € 1.190 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 5.252,08 aan contractuele rente vanaf 17 mei 2010 tot aan de dag der dagvaarding.

3.2.[gedaagde] voert verweer.

3.3.Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.[gedaagde] is niet verschenen ter comparitie. Bij brief van 7 juni 2012 heeft zijn advocaat de rechtbank bericht dat hij niet in staat is de comparitie bij te wonen, dat hij niet verzoekt om een andere datum, dat hij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank en dat de comparitie geen doorgang hoeft te vinden. De rechtbank leidt hier niet uit af dat [gedaagde] afstand heeft gedaan van zijn verweer, zodat dit besproken zal worden.

4.2.Het verweer van [gedaagde] komt er allereerst op neer dat hij stelt dat de B.V. en hijzelf geen wanprestatie hebben gepleegd. Gelet op hetgeen onder 2.1. en 2.2. is vermeld faalt dat verweer. Uit de ter gelegenheid van de comparitie overgelegde (en onbetwist gebleven) bescheiden blijkt bovendien genoegzaam van het verloop van het saldotekort en de omvang van de vordering. Vast staat dat de kredietovereenkomst is opgezegd. Dat laat geen andere slotsom toe dan dat de B.V. het gevorderde bedrag schuldig is.

4.3.Ingevolge artikel 6:7, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek heeft de schuldeiser, indien twee of meer schuldenaren hoofdelijk verbonden zijn, tegenover ieder van hen recht op nakoming voor het geheel. Dat betekent dat het verweer van [gedaagde] dat hij pas kan worden aangesproken als het faillissement is afgewikkeld eveneens dient te worden verworpen.

4.4.Hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe dat de gevorderde hoofdsom toegewezen kan worden. De gevorderde contractuele rente en buitengerechtelijke incassokosten worden niet betwist, zodat deze ook toewijsbaar zijn. [gedaagde]zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, vermeerderd met de wettelijke rente zoals gevorderd. De proceskosten aan de zijde van de bankworden begroot op:

- dagvaarding € 123,41

- griffierecht 1.744,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2 punt × tarief € 894,00)

Totaal € 3.655,41

5.De beslissing

De rechtbank

5.1.veroordeelt [gedaagde] om aan de bank te betalen een bedrag van € 40.295,94 (veertig duizendtweehonderdvijfennegentig euro en vierennegentig eurocent), vermeerderd met de contractuele rente ad 0,922% per maand over € 33.753,86 vanaf de dag der dagvaarding tot die der algehele betaling,

5.2.veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de bank tot op heden begroot op € 3.655,41, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.M. van Dijk en in het openbaar bij vervroeging uitgesproken op 27 juni 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.